Het boek Job heeft een begin, een midden en een eind.
Als je het zo zegt, klinkt het ontzettend als een open deur. Niets nieuws. Ieder verhaal immers heeft een begin, een midden en een einde.
Maar als je wel eens een verhaal moet vertellen, of een preek moet houden, dan weet je hoe belangrijk het is om goed te onderscheiden tussen begin, midden en eind. Niet voor niets dat een van de oudste theorieboeken over de welsprekendheid, de Poëtica van Aristoteles, al ingaat op deze drieslag. Wat is een goed begin? Hoe ontwikkel je het vervolg? En hoe zorg je voor een bevredigend einde? Het geldt trouwens ook voor wie een goede mop wil vertellen… ook dat is een kunst.
Het boek Job heeft een begin, een midden en een eind. Begin en eind hangen met elkaar samen. Aan het begin horen we hoe in de hemel een weddenschap wordt gesloten, tussen God en de satan, de Tegenstem. Inzet: de vroomheid van Job. Is Job zo vroom, integer en onberispelijk, omdat God hem nu eenmaal met veel rijkdom heeft gezegend, dat suggereert satan, of heeft Job ontzag voor God om niet, ‘zonder reden’ (1: 9)? Wat je er ook van vindt, deze weddenschap – waar de arme Job zelf niet van weet – geeft de aanstoot voor een dramatisch vervolg. Job wordt van alles beroofd, als enige behoudt hij het leven. Maar God laat hij niet los.
Dan komt het middengedeelte. Het grootste deel van het boek. Is hiervoor het verhaal in sobere zinnen verteld, met de beknoptheid de bijbel eigen, nu volgen lange redevoeringen in barokke taal, vol met poëtische beelden, geladen taal. Job barst uit in een jammerklacht en vervloekt de dag van zijn geboorte. Hij kan niet accepteren wat hem overkomt. Hij is onschuldig, daarom klaagt hij God aan. Zijn vrienden praten de een na de ander op hem in. Zij zoeken de fout bij Job. Ergens moet hij hebben gezondigd, anders overkomt je dit toch allemaal niet? En zeg nou zelf, wie is er zonder zonden?
Het dramatisch einde van dit middengedeelte is, als God uiteindelijk antwoordt. Job is tot zwijgen gekomen, zo ook de vrienden. Dan treedt God naar voren en spreekt tot Job vanuit de storm. Overweldigende woorden, waar Job nauwelijks iets op te zeggen heeft.
Dan, vrij abrupt en beknopt, het einde van het boek. Het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen. Jobs laatste woorden en dan, verrassend, het oordeel van de Heer: niet de vrienden, maar Job, mijn dienaar Job staat er met nadruk, niet de vrienden, maar Job heeft juist over mij gesproken (42: 7). Job krijgt gelijk.
Job krijgt gelijk. Dat is de uiteindelijke uitkomst van het hele verhaal.
Maar wat betekent dat gelijk van Job precies? Waarin heeft hij gelijk gehad? Dat is de vraag die vandaag centraal staat. En wat heeft het gelijk van Job te maken met het laatste wat over hem verteld wordt, dat de Heer ‘een keer in zijn lot brengt en hem het dubbele van wat hij eerder bezat geeft’ (42: 10)? Is dat de bevestiging van zijn gelijk?
Om met het laatste te beginnen.
Voor veel mensen is het slot van het boek Job onbevredigend. Het klinkt als een goedkoop Hollywoodslot, uiteindelijk komt alles weer op zijn pootjes terecht, een happy end. Het is al even sprookjesachtig en onwerkelijk als het begin van het verhaal.
Er staat niet bij wat Job hiervan gevonden heeft.
Maar is dit werkelijk voldoende compensatie geweest voor al het ongeluk dat hem is overkomen? Hij krijgt alles dubbel terug, zijn schapen en geiten, zijn kamelen, zijn runderen en ezelinnen. Alles dubbel zoveel, behalve zijn kinderen. O ja, hij krijgt opnieuw tien kinderen, zeven zonen en drie dochters – maar die kunnen toch nooit het verlies van zijn eerste tien compenseren? Iemand schreef: Job krijgt alles dubbel terug, maar hij krijgt geen twintig kinderen, want die heeft hij al: de eerste tien blijven meetellen (Okke Jager). Dat is mooi gezegd.
Maar toch, voor ons blijft het wat ongemakkelijk aanvoelen. Die dochters mogen dan de mooisten zijn van het hele land, met prachtige namen als Tortelduifje, Kaneelbloesem en Poederdoosje (beauty case), en Job mag dan 140 jaar oud worden, twee keer een mensenleven – het verhoogt de sprookjesachtige sfeer – zou Job er werkelijk van hebben kunnen genieten, na alles wat hem is overkomen? Dat verleden kun je toch niet ongedaan maken?
Bijbelse verhalen zijn niet zo, dat ze op zulke vragen ingaan. Daarom mogen wij ze stellen. Je kunt je heel goed voorstellen dat er iets bij Job is geknakt. Het wordt nooit meer zoals het vroeger was. Hij is voorgoed zijn naïviteit kwijtgeraakt. Zijn ongeschokte vertrouwen in Gods goedheid.
Aan het begin van het verhaal staat er met nadruk hoe rechtschapen Job is, hoe integer, vol ontzag voor de Heer. Daar wordt ook vermeld dat Job regelmatig offert, met het oog op zijn kinderen. Nu lijkt het alsof er een zwijgen over Job is gekomen, alsof hij de Heer negeert. Na alles wat er gebeurd is, gaat Job niet meer naar de kerk. Dat lukt hem niet meer goed…

Job zwijgt. Waarmee het spreken van de Heer hier op het einde van het verhaal nog meer de indruk wekt van een verlegenheid die zichzelf overschreeuwt.
Met veel bombarie richt de Heer zich tot Elifaz, één van de vrienden: ‘Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden…’ Want de vrienden hebben niet goed over God gesproken. Maar is die kritiek niet wat onheus? Wat hebben de vrienden nou helemaal verkeerd gezegd? Ze herhalen de vroomheid van die dagen – ze spreken niet anders dan in de meest eerbiedige bewoordingen over God, nee dan Job. En zeg nu zelf, krijgen ze uiteindelijk niet gelijk, dat God de rechtvaardige beloont – kijk eens wat er gebeurt met Job? Die uiteindelijk ook alles dubbel en dwars terugkrijgt, is dat niet precies volgens het vrome boekje waar zij de hele tijd uit hebben voorgelezen? Dus, hoezo is de Heer woedend tegen hen? Is dat niet oneerlijk? Zou het niet kunnen zijn dat God zijn eigen onmacht in agressie botviert op die arme vrienden van Job? God, die niet de grootheid op kan brengen Job en de vrienden uit de doeken te doen, wat de werkelijke oorzaak van Jobs ellende is, namelijk dat Hij, God, zo kleinzielig was om op de sarrende uitdaging van de satan in te gaan. De vrienden zijn toch niet de schuld van Jobs ongeluk?
De Heer brengt een keer in het lot van Job. Nadat de vrienden een zoenoffer hebben gebracht en Job voor zijn vrienden voorbede heeft gedaan. Kennelijk had God dat nodig, om zijn woede een beetje te laten bekoelen?
De Heer keert het lot van Job om, en deze krijgt alles dubbel terug.
Dat gebaar is extra pikant, als je weet dat in de Joodse rechtspraak geldt dat de schuldige partij de benadeelde dubbel moet vergoeden. Met andere woorden, zonder het rechtstreeks uit te spreken, bekent de Heer in dit gebaar van de dubbele vergelding, schuld. Schuld aan Job. Maar Job heeft verder geen zoenoffer nodig – hij is mens, geen god.
Als je het zo leest, dan is Job de morele winnaar. Het is alsof zijn personage ons veel sympathieker is dan dat van de Heer.
Job heeft gelijk gekregen. Hij heeft volgens de Heer ‘juist over mij gesproken’, tenminste dat is wat je op kunt maken uit wat de Heer tegen de vrienden zegt. Ook weer zo iets raars, dat hij zich niet rechtstreeks tot Job zelf meer richt. Daar zou je ook van alles achter kunnen zoeken, ongemak, schaamte, te pijnlijk?
Job, onze held, krijgt uiteindelijk gelijk.
Maar nu moet ons de vraag nog bezighouden, waar dat gelijk precies in bestaat?
Kort hiervoor heeft Job zijn laatste woorden gesproken. Daar lijkt het er eerder op dat hij God gelijk geeft, in plaats van andersom. Job zegt: ‘Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip, over wonderen, te groot voor mij om te bevatten’ (42: 3) en Jobs laatste woord is zelfs: ‘Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij…’ (42: 6).
Is het dan toch niet Job die capituleert, die uiteindelijk deemoedig het hoofd buigt en zijn woorden herroept? Hoezo krijgt Job dan toch gelijk?
Hier ligt een moeilijkheid. De vraag is, wat is precies bedoeld met het woord ‘herroepen’. Door verschillende uitleggers wordt het woord dat hier wordt gebruikt verschillend vertaald. De vertaling ‘herroepen’ heeft oude papieren, maar het lijkt er ook op dat deze vertaling door met name de christelijke traditie is gestimuleerd. In het algemeen heeft men in de geschiedenis geprobeerd de scherpste kantjes van het boek Job af te slijpen. Het zou te ver voeren om dat allemaal na te gaan, maar vertalen is altijd ook iets waarbij andere belangen een rol spelen.
Als herroepen betekent, dat Job een streep haalt door alles wat hij hiervoor gezegd heeft, wat hebben dan al die redevoeringen, wat heeft dan zijn zoektocht nog voor zin?
Dan is ook de vraag wat het betekent als God zegt dat Job op de juiste manier over Hem gesproken heeft. Slaat dat dan alleen op die ontkenning aan het einde? Dat lijkt onwaarschijnlijk.
Zonder in allerlei details te treden, zou je het misschien beter zo kunnen zeggen:
Wat Job hier doet, is niet een streep halen door wat hij gezegd heeft, maar hij zet er een streep onder. Hij zet er een punt achter. Hij kapt er mee. Het is over. Er is gezegd wat is gezegd.
Herroepen, betekent dan niet: Job neemt zijn woorden terug, maar wel: hij komt er op terug.
Zeker.
Er is iets nieuws bijgekomen. De Job van na de ontmoeting met de Levende God is een andere dan die daarvoor. Niet voor niets staat er: ‘Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd’.
Zeker.
Jobs inzicht is veranderd – hij komt erop terug. Niet dat hij nu alles van God begrijpt. Niet dat hij van God een verklaring of een uitleg heeft gekregen, waar hij wel zo hartstochtelijk om heeft gevraagd, zelfs geëist.
Maar Job heeft in de ontmoeting, in de stem uit de storm, de Heer zelf ervaren, en dat is hem (Job) genoeg.
Job heeft geen antwoord van God gekregen, maar wel een God die antwoordt. Kan een mens meer verwachten?
Daarom kan hij nu zeggen: het is genoeg geweest.
Job belijdt met zoveel woorden zijn beperktheid en zijn nietigheid, maar hij herroept niet.
En een van de wonderlijke dingen van dit bijzondere boek is dan, dat deze Job van de Heer zelf zijn gelijk krijgt. Je moet dat gelijk van Job zoeken in het geheel van dit boek.
Job heeft gelijk, als hij in het begin geen onvertogen woord laat horen als het ongeluk hem treft. Hij heeft gelijk als hij zegt: De Heer heeft gegeven. De Heer heeft genomen. De Naam des Heren zij geprezen. Meer gelijk dan hij zelf op dat moment besefte.
Maar Job heeft ook gelijk, in zijn felle klachten en in zijn diepe verwijten. Hij heeft gelijk als hij God uitdaagt. Dat moet je niet vroom-christelijk wegpoetsen. De God van Job, de God van de joodse bijbel kan wel tegen een stootje. Hij kan heel wat hebben. Het is een God die liever oprechte opstandigheid heeft, dan gehuichelde onderwerping (Jager). Het is zo’n God waarvan je je voor kunt stellen dat als zijn mensen tegen Hem in durven gaan, zoals Abraham, zoals Mozes, zoals hier Job, dat deze God dan een zekere trots niet kan onderdrukken: kijk, dat zijn nou mijn kinderen. Liever met God strijden, dan ooit berusten in het kwaad.
Job heeft gelijk, met zijn vroomheid en met zijn verzet – en die beide staan niet haaks op elkaar, maar vullen elkaar aan.
Job heeft gelijk, met zijn verbeten vasthouden aan God tegen God zelf in. Want in de diepste ellende weet Job dat hij een God kent die hoe dan ook zijn pleitbezorger is (16: 19).
Job heeft tenslotte gelijk, in het nuchtere zwijgen aan het einde, de mens die niet meer wil weten dan er te weten valt, en de grootsheid heeft om God daarmee weg te laten komen.
Er is nog veel meer over Job en dit wonderlijke boek te zeggen.
Onder de velen die zich door de eeuwen door met Job hebben beziggehouden, is ook de Deense filosoof Søren Kierkegaard. Ik wil deze serie preken graag eindigen met een citaat van deze man:
“U hebt Job toch wel gelezen? Lees hem, lees hem steeds opnieuw! (…) In het hele Oude Testament is er geen figuur die je met hetzelfde menselijke vertrouwen en dezelfde vertroosting benadert als Job, juist omdat alles aan hem zo menselijk is…”AMEN