14 juli, Het imagoprobleem van God

Job, God en Satan
Job, God en Satan

Hoe dieper je in het boek Job doordringt, hoe wonderbaarlijker het wordt. Het is een ervaring die je ook op andere terreinen van het leven op kunt doen. Hoe meer je je ergens in verdiept, hoe groter het geheim wordt.

Vandaag gaat het over Job en zijn God. We hebben een gedeelte gelezen (40: 1 – 23) uit dat grote, wonderlijke, rijke maar ook weerbarstige boek Job. Ik zal zo dadelijk kort samenvatten waar dat verhaal over gaat, en in mijn samenvatting al een voorschot nemen op het thema van vandaag.
Want vandaag gaat het over ‘de geloofwaardigheid van God’. God heeft, als personage in het verhaal van Job, een serieus imagoprobleem. Dat zal in de uitleg aan de orde komen. Daarmee verbonden is natuurlijk dezelfde vraag in een breder perspectief: Kun je vandaag de dag nog geloofwaardig over of van God spreken, in verband met het lijden van mensen, in verband met het leed in de wereld? Is God daarbij betrokken en zo ja, hoe dan en op welke manier? Dat zijn grote vragen – te grote vragen – maar ze spelen uiteraard wel mee. Ze vormen in ieder geval de aanleiding om je steeds weer in boeken als die van Job te verdiepen.

Waar gaat het boek Job over?
Voor de meesten zal de grote lijn van het verhaal bekend zijn. Job is de rijkste man in het oosten, maar hij wordt op één en dezelfde dag van al zijn rijkdom beroofd. Hij verliest zijn bezit, zijn have en goed; zijn tien kinderen sterven op dezelfde dag – Job raakt alles kwijt en bovendien wordt hij getroffen door een vreselijke ziekte. Hij zit als een gebroken man op de mestvaalt en kijkt uit op de puinhopen van zijn leven. Dan komen zijn vrienden, om hem te beklagen. Na zeven dagen zwijgen, neemt Job het woord en vervloekt zijn geboortedag. Hij daagt God uit, om hem nu eens duidelijk te maken waarom dit lijden hem moet overkomen. Want dit is niet rechtvaardig.
De vrienden haasten zich om Jobs woede te kalmeren. Zij vinden dat Job de schuld bij zichzelf moet zoeken. Niemand overkomt zulk lijden zomaar, daar moet God wel een reden voor hebben – ergens heeft Job iets fout gedaan.
Maar daar wil Job niet aan. Hij blijft op zijn strepen staan. Hij roept God tot getuige, en niemand anders.

Als dan de vrienden tot zwijgen zijn gekomen en ook Job opgehouden is met spreken, dan eindelijk spreekt God tot Job – het antwoord uit de storm. Maar in plaats van een verklaring, of een rechtvaardiging voor zijn lijden, komt God met een lang spervuur van vragen richting Job, die allemaal gaan over de grootsheid van zijn schepping. Job is met stomheid geslagen – dat hebben we gelezen – waarna God nog verder gaat en gaat spreken over de onheilsbeesten die Hij in bedwang houdt (het nijlpaard en de krokodil, maar feitelijk zijn daarmee mythische beesten bedoeld – Behemoth en Leviathan – die symbool staan voor het kwaad).

baby nijlpaard owen sloot in 2004 vriendschap met de hoogbejaarde schildpad mzee (kenia)
baby nijlpaard owen sloot in 2004 vriendschap met de hoogbejaarde schildpad mzee (kenia)

Dit antwoord van God roept vragen op. Is dit nu waar Job op zat te wachten? Is dit nu wat recht doet aan Jobs klacht, dat hij onrechtvaardig is behandeld?
Vragen die blijven gelden, ook als hierna het verhaal betrekkelijk snel afloopt, Job uiteindelijk in zijn glorie wordt hersteld, al zijn rijkdom terug krijgt, en ook zijn kinderen – voor zover dat kan – en er dan wordt gezegd dat Job als enige op de juiste manier over God heeft gesproken, en de vrienden dus niet.

Vandaag gaat het dus vooral over de vraag naar God, en naar Gods geloofwaardigheid. Dat geldt al ten aanzien van het antwoord, waarvan je je af kunt vragen of dat wel adequaat is, of dat wel recht doet aan Jobs gerechtvaardigde klacht.
Maar de vraag naar Gods geloofwaardigheid krijgt nog een scherper profiel als je erbij betrekt hoe het verhaal van Jobs lijden allemaal begonnen is.

Helemaal aan het begin van het boek wordt verteld hoe God in de hemel bezoek krijgt van Satan, van de Tegenstem. Hier voorgesteld als een eigen personage in de hemelse hofhouding. De Tegenstem daagt God uit. ‘ Ja, die Job, dat is een voorbeeldig mens, een trouw gelovige, maar dat is ook niet zo moeilijk als het je zo voor de wind gaat. Pak hem zijn bezit af, en je zult zien dat zijn geloof smelt als sneeuw voor de zon’ . En God, die trapt er in. Hij laat zich meeslepen en gaat de weddenschap met Satan aan. Zo raakt Job al zijn bezit in één klap kwijt. En als hij dan nog geen krimp geeft, zegt de Tegenstem: ‘Nogal wiedes, want hij is dan wel alles kwijt, maar zijn gezondheid heeft hij nog – en dat staat niet voor niets al jaren op nummer 1 op het wensenlijstje van mensen – je zult zien wat er gebeurt als zijn gezondheid wordt aangetast’.  En opnieuw trapt God erin, de Satan mag zijn gang gaan, maar moet Job wel in leven laten.

Nu is het opmerkelijke dat wij, lezers dit allemaal weten. Wij krijgen inzage in wat er in de hemel wordt bekonkelefoesd. De hele wereld weet ervan…. maar Job, Job weet van niets. Job, noch zijn vrouw, noch zijn vrienden zijn op de hoogte.
Natuurlijk gaat het hier om een literair gegeven, een raamvertelling, een specifieke techniek om spanning op te bouwen, maar toch. Juist dit gegeven maakt van dat hele boek Job een des te wonderlijker verhaal. Want wat zegt dit over de geloofwaardigheid van God? Als Job, als mensen, kennelijk buiten hun medeweten om de speelbal kunnen worden van de grillen van een God die zich laat meeslepen in een onvolwassen en onverantwoordelijk spel van een weddenschap? Heeft de God van dit verhaal daarmee niet alle morele geloofwaardigheid verloren? Kun je op zo’n God nog je vertrouwen stellen?

Het zijn vragen die des te meer klemmen, omdat God in het antwoord dat Hij geeft er niet op terug komt.
Als Job het hele boek door hartstochtelijk roept om Gods reactie, Gods antwoord op zijn in zijn ogen onterecht lijden, en als God dan ten lange leste naar voren treedt en Job antwoord geeft, dan zou je ook een ander soort reactie hebben kunnen verwachten. Bijvoorbeeld dat God zoiets zou zeggen als:
‘Job, ouwe jongen, ik moet je wat bekennen. Ik heb me een beetje mee laten slepen. Je weet het, ik kan impulsief zijn. Ik ben zo dom geweest om me uit te laten dagen tot een weddenschap. Ja, klopt, al datgene wat je overkomen is, was vanwege een weddenschap. Een spelletje? Nou ja, ik bedoelde het niet verkeerd, en ik wist ook wel dat ik op je aankon, en je hebt je ook kranig gedragen, precies zoals ik had gehoopt (zoals ik wel wist), maar god, jongen, wat heb ik je laten lijden, hoe kan ik het goed maken?’

Maar dat zegt God dus niet.
God maakt geen excuses. Geeft ook geen verklaring. God staat daar boven?

In ieder geval, ook horen we uit Gods mond geen enkele troost voor Job. Nergens blijkt iets van Gods medeleven, van compassie, van warme betrokkenheid. Integendeel. De ironische toon van Gods redevoering, de honende ondertoon in de vragen die op Job worden afgevuurd, ze klinken des te killer en harder. Ze vergroten alleen maar het gevoel dat de God van dit wonderlijke verhaal een groot geloofwaardigheidsprobleem heeft. Is het niet God zelf die ten slotte ten onder gaat in dit verhaal? is Job niet de morele winnaar en God daarmee de uiteindelijke verliezer?

Er zijn uitleggers die die richting uitgaan en ze hebben wel een punt.
Job krijgt een spervuur van vragen, maar God heeft iets uit te leggen. Het onthullende en onthutsende is, dat dit niet gebeurt. God draait er om heen. Probeert Job met spierballentaal te imponeren. Dat lijkt te lukken. Job reageert gelaten: ‘Wat zal ik antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond’, en helemaal aan het einde reageert Job nog een keer, kort: ‘ik sprak zonder enig begrip… eerder had ik slechts van u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd’. Hoe we die reactie van Job precies moeten duiden, zal ons nog een keer uitgebreider bezig houden.

Er zijn uitleggers die hier niet een capitulatie van Job in zien, maar een subtiele manier waarop Job uiteindelijk triomfeert over God, zeker in moreel opzicht  (vgl. Jack Miles, God. Een biografie, pp. 285 – 313).
Job reageert wel, maar zo summier dat hij eigenlijk weigert te reageren.
Hij gaat niet in op Gods uitdagende vragen.
Hij laat het er met zoveel woorden bij zitten. Hij erkent de macht van God en houdt daar op. Het is een bijna-zwijgen. Wat Job nu nog te zeggen heeft, valt in het niet bij de lange, uitvoerige, welbespraakte redevoeringen hiervoor. Er ontstaat daardoor een pijnlijke stilte, van de kant van de mens – pijnlijk, nu voor God.

klaagmuur jeruzalemHet klemmende van deze uitleg wordt nog versterkt door het volgende.
Het boek Job staat ongeveer in het midden van het oude testament. Maar het is in de eerste plaats een boek uit de Joodse bijbel. De Joodse bijbel – Tenach – bevat dezelfde boeken maar wel in een andere volgorde.
In Tenach hoort Job tot de boeken van de Geschriften, de buitenste rand.
Als je nu de boeken van het oude testament leest in de volgorde van de joodse bijbel, en je  richt je aandacht op hoe God als personage in die boeken verschijnt, dan zie je een ontwikkelingslijn van een God die in het begin nadrukkelijk sprekend en handelend optreedt – de Schepping, de uittocht, de wetgeving, naar een God die steeds meer naar de achtergrond geraakt, tot een God die uiteindelijk niet meer rechtstreeks ingrijpt. In die grote lijn, neemt het boek Job een cruciale positie in.
Want hier, aan het einde van dit verhaal, is het dat God voor het laatst sprekend wordt opgevoerd. In zijn haast machteloos klinkende spervuur van vragen aan Job, klinkt voor het laatst de stem van God. Met andere woorden: Job heeft God tot zwijgen gebracht… De mens staat er alleen voor…

Dat zou een conclusie kunnen zijn.
Een verontrustende conclusie – God tot zwijgen gebracht – zodat we ons haasten om daar wat tegen in te brengen, want er is toch wel wat meer te zeggen, is het niet zo dat het na Job verder is gegaan, we hebben toch niet voor niets het verhaal van Jezus gekregen: het vleesgeworden Woord van God….

Dat mag allemaal zo zijn. Maar het is niet verkeerd om tenminste voor één moment werkelijk onder de indruk te komen van wat ons in het verhaal van Job tegemoet komt.
We zijn zo bang voor de stilte, ook voor het zwijgen van God – dat we al snel de stilte breken met onze praatjes en verhaaltjes en verklaringen.

Want dat God zwijgt, is niet alleen een mogelijke conclusie aan het einde van het boek Job. Dat God zwijgt is ook de bittere ervaring van zoveel mensen met Job en na Job en tot in onze tijd en in deze wereld.
Het zwijgen – op al die plaatsen van pijn, van lijden, van menselijk verdriet.
Het onmachtig, schuldig, zwijgen – op al die momenten dat mensen God vergeefs hebben gezocht in hun gebeden, in hun leven.

Maar is dat dan het laatste wat je zeggen kunt, dat God zwijgt? Staan we er als mensen alleen voor? Misschien wel. Maar het is dan wel de vraag, of je in dat zwijgen ook nog iets meer kunt horen.

Een laatste overweging:
Heel veel van de moeite die wij hebben met het boek Job en met alle vragen die daardoor worden opgeroepen, zoals vandaag de vraag naar Gods geloofwaardigheid, heel veel van die moeite komt eruit voort dat wij eigenlijk vinden dat God aan de normen van onze moraliteit moet voldoen. God dient open en eerlijk te zijn, consequent en betrouwbaar. Eigenlijk dient God vooral redelijk te zijn, op zo’n manier dat wij het kunnen volgen en begrijpen. Dit raakt aan een hele oude discussie in de westerse theologie. Want het lijkt zo voor de hand te liggen dat wij zo denken, maar als je vindt dat God redelijk moet zijn, dan wordt God vervolgens beperkt tot de grenzen van onze redelijkheid. Als je van mening bent dat God en het goddelijk handelen te beredeneren moet zijn, dan is God uiteindelijk niet groter dan de grens van ons begripsvermogen. Maar een God die te beredeneren is, houdt daarmee op God te zijn. God is altijd groter dan wat wij daarvan bevatten kunnen.

Dus het bijna-zwijgen van Job en het uiteindelijk zwijgen van God, zou ook nog iets heel anders kunnen beduiden.
Niet de morele nederlaag van een God die als overbodig door mensen wordt afgedankt, maar als een ruimte voorbij het spreken, waar het geheim van Gods innigste wezen wordt gekoesterd, wordt vermoed, wordt verwacht…

Want hoe dieper je in het leven doordringt, hoe groter het geheim.

View Comments (1)
  1. Wijbren de Witte

    Ik ben gedurende 40 jaar hulpverlener geweest, veel gezien, ook kwam ik in aanraking met oorlogs slachtoffers, als Christen kan ik dan nogal nadenken over de ” theodicee”, met vragen als: “is God willekeurig?” Hij is toch goed? Hoezo geeft Hij dan toestemming aan Satan? Geldt dat ook in verband met de holocaust? (zie de film: God on trial) Alles afwentelen op de keuze van de mens, of op de vervangingstheologie lijkt me al te oppervlakkig. Hoewel ik weet dat er geen antwoorden lijken te bestaan kan dit me wel bezighouden. Dit stukje van ds. Altena bespreekt op en goede manier de vragen, ik kom er niet uit maar wel goed om te lezen.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *