In het dagelijks verkeer houden we makkelijk een praatje over het weer. Om het ijs te breken. Om toch iets tegen elkaar te zeggen: ‘Je kunt al goed merken dat we verder komen in de tijd’. ‘Ja, de herfst is nu echt begonnen.’ En meer van dat soort algemeenheden. Dit soort gesprekjes zijn belangrijk in het sociale verkeer, ook al is de informatieve waarde verwaarloosbaar.
Ergens in het evangelie van Lucas zegt Jezus met een ironische ondertoon dat wij mensen er goed in zijn het weer te voorspellen. Aan de hand van wind en wolken weten wij wat er komen gaat. Maar onderkennen we tegelijkertijd wel de tekenen des tijds? Hebben we wel door wat er werkelijk toe doet (12: 54 – 56)?
Vandaag hebben we een vergelijkbare uitspraak van Jezus gehoord, waar we wat langer bij stil willen staan. Het is het korte praatje met de Farizeeën die vragen wanneer het koninkrijk van God zou komen (17: 20). Jezus antwoordt dan, dat de komst van het koninkrijk niet aan te wijzen is. Maar je moet wel weten dat het ‘binnen jullie bereik’ ligt. Ook hier gaat het om dat wat er werkelijk toe doet, dat is op een of andere manier wat in dat beeld van het koninkrijk ligt besloten.
De Farizeeën vragen wanneer het koninkrijk van God komt.
De eerste vraag die dan opkomt is, is dat ook nog onze vraag? Zijn wij benieuwd, ben ik nieuwsgierig naar de ‘komst van het koninkrijk’ en wat zou je je daar bij voor kunnen stellen?
Er is een al wat oudere tekst van Okke Jager – ook zelf al een naam uit het verleden – waarvan de strekking is, dat wij weliswaar iedere zondag bidden ‘uw koninkrijk kome’, maar dat we er meteen achteraan denken dat God best nog wel even mag wachten, want er is zoveel waarvan we eerst nog willen genieten.
En zo is het ook. Dat lijkt mij niet verkeerd, zoals dat gedicht suggereert – overigens een moralisme waarvan Jager zich later bevrijd heeft – maar dat is menselijk. God hoeft zich wat ons betreft niet te haasten. Dat koninkrijk van U, dat komt later wel…
Er is het grapje van de jood die van God de keus krijgt tussen het eeuwige leven of de krant van morgen, en dan kiest hij voor de krant, en als je eerlijk bent kun je dat begrijpen, ik wel tenminste.
Het misverstand is dat wij geneigd zijn te denken dat als het koninkrijk komt, de geschiedenis afgelopen is, terwijl het juist veel meer is dat dan de geschiedenis, het menselijk leven, de humaniteit en de cultuur een nieuwe vervulling vinden. Dat betekent het beeld van het koninkrijk. Niet buiten de tijd, maar in de tijd. Eeuwig leven is geen leven, als het buiten de geschiedenis valt. Geen menselijk leven tenminste, waar wij ons iets bij voor kunnen stellen.
Het koninkrijk van God, dat is in het evangelie het beeld van het volle leven, het leven zoals het bedoeld is en het leven waar God ons voor heeft bestemd, vol van vrede, gerechtigheid en heelheid. Het koninkrijk dat is een kwaliteit van leven, waar een gelovige voortdurend naar streeft, naar haakt, naar verlangt. Niet het einde van de geschiedenis maar de voleinding.
Van dat koninkrijk zegt Jezus dat het niet aan te wijzen is, en tegelijk dat het binnen uw bereik ligt. Twee dingen, die tegelijkertijd waar zijn. Je kunt het niet aanwijzen. Het is niet waarneembaar, zou je ook kunnen vertalen. Het woord dat hier gebruikt wordt slaat in het bijzonder op het waarnemen van bijzondere symptomen bij een ziekte, of ook wel van het waarnemen van de sterren of van speciale voortekens. Je kunt het koninkrijk niet detecteren. Je kunt er niet de vinger op leggen, je mag het niet claimen, het is niet iets om je aan vast te klampen of vast te leggen. Daarvoor is het te vloeiend, te beweeglijk, te dynamisch, te zeer ook het koninkrijk van God.
Je kunt er niet de vinger op leggen, maar … het ligt wel binnen handbereik. Met andere woorden, het is wel degelijk een menselijke mogelijkheid om nu al in dat koninkrijk te leven, je te bewegen in de wereld van het goddelijke leven, je te richten op die bijzondere kwaliteit van leven en samenleven.
Het kan helpen om daarbij een ander misverstand op te ruimen.
Want wij zijn geneigd om bij de woorden ‘koninkrijk van God’ te denken aan een bepaalde plaats waar zich dat zou bevinden, achter de witte wolken of zoiets. Alsof het koninkrijk van God zoiets is als het koninkrijk der Nederlanden, dat je aan kunt wijzen op de kaart, met buitengrenzen. Het woord ‘koninkrijk’ roept dat beeld ook wel op, maar toch is het een misverstand. Het koninkrijk van God is niet aan een plaats gebonden, niet tot een bepaalde plek beperkt. Gods koninkrijk heeft geen buitengrens. Het is, opnieuw, een staat van zijn, een manier van leven en samenleven dat gestempeld wordt door de goddelijke waarden van vrede en recht, van mensen die tot hun recht komen, van een schepping die door God zelf tot haar bestemming wordt gevoerd.
Van dát koninkrijk zegt Jezus, dat het ‘binnen uw bereik’ ligt. Het is bij u, of onder u, zoals je ook kunt vertalen. Hoe dan ook, het is een menselijke mogelijkheid, het is een optie waar je voor kiezen kunt. Binnen uw bereik, binnen de reikwijdte van menselijke keuzes. Het koninkrijk is niet iets wat ons alleen maar overkomt, maar ook iets waar wij op moeten komen. Niet alleen passief, uw koninkrijk kome, maar ook actief: wij zullen er alles aan doen om het zover te laten komen… Dat is dan ook precies de enige houding waarin je waarachtig om de komst van het koninkrijk kunt bidden, wanneer je zelf je al op die weg begeeft.
Met dat in het achterhoofd, komt het hieraan vooraf vertelde verhaal over de tien melaatsen ook in een ander perspectief te staan en kan het licht werpen op waar het in het koninkrijk om gaat.
Het lijkt daarin te gaan om de dankbaarheid, die slechts één van de tien opbrengt, nota bene nog een buitenstaander ook, de ene die terugkomt om ‘God eer te bewijzen’? Hij is degene met de juiste opvoeding, keurig dank je wel zeggen, spreek met twee woorden, stel je netjes voor, en zeg U. Een voorbeeld van fatsoen?
Of ligt het accent in dit verhaal toch ergens anders? Misschien op het geloof, dat aan het einde met nadruk wordt genoemd? ‘Uw geloof heeft u gered’, zegt Jezus tegen de genezen Samaritaan. Wat betekent dat?
In lijn met het grotere verband van het evangelie kun je het accent leggen op de weg die mensen gaan, op de weg die mensen wordt gewezen en dus op het geloof dat zich daarin uitdrukt. Uw geloof heeft u behouden, dat is niet dat de man er bepaalde opvattingen erop na hield. Dat is ook niet zozeer dat hij op de genezende kracht van Jezus heeft gerekend – de melaatsen vragen er niet om genezen te worden, dat is teveel gevraagd, nee ze roepen om medelijden. Maar wat is dan zijn geloof wel? Zijn geloof is dat hij in beweging is gekomen, dat hij is opgestaan en gaat. Als het groepje melaatsen er aan komt, blijven ze aanvankelijk ‘op een afstand staan’. Maar nu zijn ze door het woord van Jezus in beweging gekomen. Daar begint het geloof al. ‘Sta op en ga’, zegt Jezus op het einde tegen de genezen Samaritaan. En al eerder, toen het groepje van tien hem tegemoet kwam, heeft hij ze al op weg gestuurd: ‘Ga u aan de priesters laten zien’, en ’terwijl ze gingen werden ze genezen’.
Er is in het korte verhaal een dynamiek van komen, staan, gaan en uiteindelijk terugkomen, die het geheel structureert.
Geloof begint daarmee, met de beweeglijkheid van het opstaan en gaan, geladen woorden, als uitdrukkingen van menselijke mogelijkheden en menselijke keuzes.
Geloof drukt zich uit in het gaan van een weg, en … in het terugkomen bij de bron waaruit het geloof ontspringt; dat is het extra van deze ene Samaritaan. Hij keert terug bij Jezus, niet omdat hij wel dankbaar is en de andere negen niet – waarom zouden we denken dat die anderen ondankbaar zijn? – De andere negen loven God ook, mogen we aannemen, maar zij doen dat waarschijnlijk in de tempel, bij de priesters aan wie zij zich moeten laten zien om een gezondheidsattest te bekomen. Maar juist bij die tempel is deze ene, een Samaritaan, niet welkom. Ook dat speelt mee.
Misschien is het wel zo dat als zijn negen kameraden bij de priesters de tempel binnengaan, hij met zijn ziel onder de arm loopt. Waar kun je dan beter terecht dan bij Jezus?
Maar het is, dunkt mij, veel meer dat hij kennelijk begrijpt dat hij zijn nieuwe, genezen, leven dankzij Jezus gevonden heeft. In Hem vindt hij en looft hij God. Daarom keert hij terug. Als we ergens het koninkrijk, het volle leven, moeten zoeken, dan dicht bij hem.
Het is een karakteristiek van het Lucasevangelie, dat de buitenstaander, de uitgeslotene, de Samaritaan in dit geval, het uiteindelijk beter begrijpt. Hij weet waar hij moet zijn, en is daarmee een voorbeeld voor ons. Hij weet waar hij wezen moet: bij Jezus. Want daar licht het koninkrijk op, Gods bedoeling met het leven en met de mensen. Daar wordt het zichtbaar en tastbaar, krijgt het bestand in ons bestaan.
Als zo de accenten liggen, dan is het veelbetekenend dat dezelfde Jezus de genezen mens, die man, wij, dat hij ons weer op weg stuurt. Sta op, en ga!
Er is een dynamiek en een beweeglijkheid, een komen en gaan dat het geloof behoedt voor verstarring. Want het koninkrijk is niet aan te wijzen of vast te leggen, het is niet te claimen in een verkeerde vroomheid die zich vastklampt aan de figuur van Jezus.
Geloof toont zich in het gaan van de weg van het leven, hier en nu, vandaag en morgen.