Preken

ziej al wat, Marcus 8: 22 – 26

Ziej al wat?
En hy keek op en zee: Ik zie de mèènschen, het liekt wal bomen, mor ik zie ze lopen.
Dat komt uit de Drentse vertaoling van Marcus, in 1981 uitgegeven.
Ik heb dat altijd een mooi fragment gevonden.
Ziej al wat?
Het is de vraag van Jezus aan de blinde man, als hij een eerste poging heeft gedaan deze van zijn blindheid te genezen.
Inderdaad ziet hij al wat, maar het is nog vaag. Mensen als bewegende bomen.
Dan legt Jezus opnieuw de handen op de ogen van de blinde en daarna ziet hij alles. In het Drents: hy was weer hielmaol klaor en ok over ver kun hy alles zien.

In alle beknoptheid is het een opmerkelijk verhaal. Eén detail licht ik er uit, omdat daar misschien de sleutel ligt om het verhaal ook op ons zelf te betrekken. Dat is de rol van de omstanders. Aan het begin staat er dat zij er bij Jezus op aan dringen de blinde man aan te raken. De omstanders zijn nodig als schakel tussen de blinde in zijn nood en Jezus die kan genezen. Aan het eind waarschuwt Jezus de genezen blinde uitdrukkelijk om het dorp niet in te gaan, met andere woorden – zich niet in te laten met diezelfde omstanders. Dat is opmerkelijk. Zijn ze eerst nodig, nu moeten ze vermeden worden. Wat betekent dat?

Eerst wil ik wat uitzoomen, het perspectief wat verbreden. Want ieder verhaal staat altijd in een groter verband.
Binnen het evangelie van Marcus valt op dat dit verhaal sterk lijkt op een ander genezingsverhaal, dat hier kort voor is verteld. Daarin gaat het over de genezing van een doof iemand (7: 31 – 37). Ook daar, zijn het de omstanders die de zieke bij Jezus brengen, wordt er op aangedrongen dat Jezus de man aanraakt. Ook daar maakt Jezus lijfelijk contact – belangrijk: de aanraking, en gebruikt Jezus speeksel bij de genezing en is er na afloop de opdracht om het niet rond te vertellen.

Het verhaal van de genezing van de blinde en dat van de eerder vertelde genezing van de dove, horen dus bij elkaar. Ze zijn bedoeld als twee zijden van de ene medaille. Waarbij het punt is dat beide genezingsverhalen een gedeelte omkransen waarin Jezus verzucht dat de mensen alleen maar wonderlijke tekens verlangen maar niet begrijpen waar het om gaat (vgl. 8: 12); en waarin Jezus zijn leerlingen verwijt dat ze geen inzicht hebben en hardleers zijn. Letterlijk zegt hij: “Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet?” (8: 18). Dat kan geen toeval zijn.

Als contrast met deze harde uitspraak, nota bene tegen zijn meest intieme vrienden, die immers al een tijdje met hem onderweg zijn, als contrast met hun onbegrip, hun ziende blind zijn en horende doof, zijn deze twee genezingsverhalen ook bedoeld.
Daarbij komt nog een tweede kenmerk, dat ook heel erg bij het eigene van het Marcusevangelie hoort. Dat is de opdracht om wat er aan wonderlijks gebeurt niet verder te vertellen, of, zoals in het verhaal van vandaag, de opdracht om niet naar het dorp terug te gaan, met zoveel woorden ook een gebod om het niet verder aan de grote klok te hangen. Dat vind je door het hele evangelie steeds terug.

Een merkwaardig motief en het lijkt ook wat tegenstrijdig, want waarom zouden juist die wonderen verzwegen moeten worden? Daaruit blijkt toch bij uitstek de bevrijdende macht van Jezus? En zijn die wonderen als tekenen nu juist niet het keurmerk van zijn waarheid? Jezus doet wat hij belooft – hij geneest mensen, hij bevrijdt mensen uit hun gevangenschap, lichamelijk, geestelijk, door zonden te vergeven. Waarom moet dat onder de pet blijven? En dan daarbij, dubbele dubbelzinnigheid: dat we erover moeten zwijgen, staat zwart op wit opgeschreven – dus het werkt al niet meer.

Meestal wordt dit zogenaamde zwijggebod bij Marcus zo uitgelegd, alsof Jezus (of de evangelist) daarmee aangeeft dat er een gevaar is dat we ons blindstaren op de wonderen, dat we Jezus alleen maar zien als een wonderdoener. Terwijl de cruciale vraag van het evangelie wie Jezus is ook nog een heel andere dimensie heeft. Het gaat niet zozeer om de wonderen, het gaat vooral over Jezus die de weg van lijden, kruis en opstanding gaat.
Om te verhinderen dat we ons te snel een te rooskleurig of een te eenzijdig beeld van Jezus vormen, is er steeds weer die waarschuwing: praat er niet te veel over; hou het liever voor je, wees voorzichtig met te snelle oordelen en te gemakkelijke woorden. Zoiets.

En precies bij dat punt moet je nu, nadat we als het ware uitgezoomd hebben – het verhaal in het grotere verband van het evangelie hebben geplaatst – ook weer inzoomen.
Want dat moeilijk te begrijpen motief, dat zit ook al in het verhaal zelf.
Niet alleen aan het einde, als Jezus de genezen man opdracht geeft om niet het dorp in te gaan. Ook al aan het begin.
Want daar staat, dat Jezus bij de ontmoeting met de blinde man deze “bij de hand pakt en hem buiten het dorp brengt” (vers 23). Het is zo’n detail waar je gemakkelijk aan voorbij gaat, maar dat misschien wel belangrijk is. Te meer omdat het ook in dat andere spiegelende genezingsverhaal voorkomt. De man wordt apart genomen – buiten het dorp gebracht. Waarom dat gebeurt wordt niet uitgelegd, dus daar mag je je eigen gedachten bij maken – met het gevaar dat we er misschien teveel inleggen, maar toch.

Kennelijk is het nodig dat voordat er genezing – in de meest omvattende betekenis van het woord – optreedt hij eerst moet worden losgeweekt uit zijn omgeving; moet er een zone van vrijheid en onafhankelijkheid worden gecreëerd, waarin hij los kan komen van de stereotiepen die hem door zijn sociale omgeving worden opgelegd. Het is toch opvallend dat de omstanders Jezus vragen, smeken zelfs, om de man aan te raken. Ook daarin blijkt dat er voor hem en namens hem wordt gedacht en gesproken, maar niet door hem zelf. Het zal vast met de beste bedoelingen zijn, daar niet van, maar het is opmerkelijk. Er wordt voor hem beslist. Hij is gehandicapt, want blind, maar hij wordt ook in zijn afhankelijkheid gehouden, door de mensen die voor hem denken en doen en al lijken te weten hoe of het zit. Natuurlijk láát hij dat ook gebeuren – soms gaat dat samen op.

Hoe dan ook, dat detail zegt misschien meer dan je ogenschijnlijk denkt. In zo’n beknopt verteld verhaal staat niets overbodig. Het is tekenend dat de blinde door Jezus apart genomen wordt, buiten het dorp, buiten zijn sociale omgeving, buiten het oordeel van de omstanders, de meningen en de goede raad en weet ik niet wat. Er moet eerst een afstand gecreëerd worden tussen deze man en de mensen met hun eenzijdige visie op hem. Wat er verder ook gebeurt, de wonderlijke genezingskracht van Jezus kan pas dan zijn werk doen. Want dat weten we ook uit andere verhalen, Jezus geneest niet zomaar en zeker niet op commando. Het is altijd in de wisselwerking. Als er geen geloof is, geen ruimte, geen openheid, kan zelfs ook Hij niets doen… (vgl. Mc 6: 5).

Is het te ver gezocht om in zo’n detail een les te zien voor vandaag, voor ons, voor mij? Dan gaat het niet alleen over hoe wij Jezus zien, maar ook hoe wij naar elkaar kijken en naar onszelf misschien.
Ziej al wat?
Soms zie je het niet, omdat je teveel belast bent met het oordeel en het vooroordeel van je eigen sociale omgeving. Dan denk je al te weten hoe het zit. Dan geef je oordelen op basis van vooropgestelde meningen. Je kunt er minister mee worden, en zelfs blijven, maar toch.
Soms is het nodig om letterlijk en figuurlijk afstand te nemen, of je mee te laten nemen door een ander en zijn of haar perspectief, om een nieuw zicht op je zelf en je eigen situatie te kunnen krijgen. Iets waardoor je het plotseling anders gaat zien, of pas gaat zien. Dat kan een woord zijn, een spreuk, een terloopse opmerking. Maar vooral in een ontmoeting kan dat gebeuren. Bijvoorbeeld iemand die vertelt wat dezelfde gebeurtenis die je samen meemaakt met hém doet of met haar.
Heel veel sociaal misverstand gaat daarover, dat we dat te weinig doen, ons open stellen voor hoe een ander het beleeft. Omdat we te snel klaar staan met onze mening, onze opvatting. Maar misschien maak ik me daar nu ook schuldig aan? Ik preek ook tegen mij zelf.

Ziej al wat?
Ik had het al over dat opmerkelijke gegeven in het Marcusevangelie dat de leerlingen van Jezus, zij die het dichtst bij hem zijn er het minste van lijken te begrijpen. Ze zitten er als het ware met hun neus boven op, en pas veel later – na alle gebeurtenissen, na lijden, kruis en opstanding, gingen ze het begrijpen, viel het sjekeltje.

Dus het kan ook gelden in geloof en in onze eigen kerkelijke gemeenschap. Het is echt een kunst om daar de openheid in te houden en te onderhouden (te cultiveren) in de gemeenschap, Maar ook wat betreft je eigen geloof. Want geloven is altijd openstaan voor meer dan je voor mogelijk houdt en meer dan je verwacht. Geloven is echt je ogen openen en meer zien dan voor ogen is. ’t Is niet voor niets dat veel genezingsverhalen over blinde mensen gaan en over dove mensen – dat is hier dus ook het geval. ‘Jullie hebben ogen maar zien niet en oren maar horen niet’.  Dat zegt Jezus niet alleen tegen die leerlingen toen, Hij zegt het ook tegen mij.

Hoe vaak praten we elkaar niet na, ook in de kerk.
Hoe vaak praten we elkaar niet in de put, over de ontwikkelingen in de kerk of over hoe het er in de wereld aan toegaat. Het zal allemaal wel, maar geloven is ook: geloven dat er altijd meer te zien is en meer te ontdekken is en dat de ontmoeting met Jezus genezend is,  je altijd verder brengt, hoe dan ook.

Hij sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder”. Alles.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter