Preken

Zeven lopers en één dame, Luc. 20: 27 – 48

Regelmatig krijg ik een mailtje van de Bibliotheek Assen met een lijst met nieuwe aanwinsten. Dat is een service, waarbij je zelf aan kunt geven in welke categorie boeken je bent geïnteresseerd: Literatuur, Geschiedenis en Godsdienst natuurlijk in mijn geval. Je krijgt dan te zien welke boeken nieuw in de bibliotheek zijn en die kun je alvast reserveren.
Deze week stond er bovenaan de lijst een boek met de titel: Hoe ziet de hemel eruit? De schrijver: Henk Binnendijk.
Ik heb het boek nog niet kunnen lezen en eerlijk gezegd heb ik ook niet gereserveerd.
Don’t judge a book by its cover, beoordeel een boek nooit op de buitenkant – geldt ook voor mensen trouwens – maar ik denk dan: wat weet Henk Binnendijk daarvan, hoe de hemel eruit ziet? Weet hij meer dan wij? Wie weet hoe de hemel er uit ziet?

De vraag die Jezus vandaag op zijn bordje krijgt, gaat daar ook over, al wordt de kwestie toegespitst op één, kennelijk brandend probleem. De Sadduceeën vragen hem hoe het zit bij de opstanding, als een vrouw gestorven is, die in haar leven met zeven broers getrouwd is geweest, na elkaar uiteraard, maar elk van die broers komt vroegtijdig te overlijden. Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding?

Tja, dat klinkt nogal gekunsteld, wel heel theoretisch.
Zoals een schaakprobleem in de krant, die gaan over stellingen die je in een normale partij nooit tegenkomt (eindspel met zeven witte lopers en één zwarte dame, of zoiets).
De Sadduceeën bedenken een kwestie, niet omdat ze daar echt mee in hun maag zitten, nee, het is natuurlijk om Jezus uit te dagen. Zij horen bij een bepaalde stroming in het toenmalige Jodendom, dat niet geloofde dat er een opstanding is. Dat staat ook aan het begin vermeld, zodat je alvast weet dat deze zogenaamde vraag een bepaalde achtergrond heeft.

Ondertussen is het een vraag, hoe zal het in de opstanding zijn, die gelovige of twijfelende mensen vandaag ook hebben kunnen. Nog niet zo lang geleden vroeg een mevrouw met wie ik in gesprek was zich dat letterlijk af. Waarbij natuurlijk meespeelt dat haar man een paar jaar geleden overleden is. Hoe zal dat zijn? Zien we elkaar terug? En hoe dan?
Die Sadduceeën interesseert dat eigenlijk helemaal niet, ze geloven er toch niet in. Maar ons kan dat soort vragen bezighouden. En dan niet als een theoretische kwestie.

Daarom is de reactie van Jezus ook precies raak, wat mij betreft.
Hij gaat niet mee in het theoretische paadje dat de Sadduceeën proberen in te slaan. Hij kapt dat meteen af. In de komende wereld huwt men niet en wordt er niet uitgehuwelijkt. Alles is daar anders, niet zoals hier. De hemel is geen voortzetting van het leven op aarde, met andere middelen. Zo doen wij vaak, en dat is ook wel begrijpelijk. Want ons voorstellingsvermogen komt tekort. Wij kunnen ons alleen maar iets voorstellen dat in het verlengde ligt van wat we nu al kennen en ervaren, maar de komende wereld is echt letterlijk iets onvoorstelbaars.

Jezus snijdt de theoretische, niet echt gemeende, speculatie af, en tegelijk wijst Hij op de kern: ze kunnen niet meer sterven; ze zijn kinderen van God, en Hij verwijst dan naar het woord dat Mozes hoorde bij de brandende braamstruik – de tekst die we ook hebben gelezen – waar wordt gezegd: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob (van Sara, van Rebecca, van Rachel, vullen we aan). Ik ben een God van mensen. Zo wil ik voor altijd heten en met die naam wil ik worden aangeroepen.

Daarom, onze God is een God van levenden, zegt Jezus, want voor Hem zijn allen in leven.
Dat is de kern.
Voor de levende God zijn wij in het leven, of we nu leven of sterven, aan Hem behoren wij toe.

Als het gaat over de opstanding en over het leven in de komende wereld, waar de vraag van de Sadduceeën op doelt, dan gaat het niet over het WAT maar over het DAT. Niet wat en hoe, hoe zal dat zijn, hoe ziet de hemel eruit? Dat zijn vragen die je wel mag stellen, maar daar krijg je toch geen antwoord op, geen definitief antwoord laat staan een bevredigend antwoord. Het gaat niet over het wat, maar over het DAT. Dat die nieuwe, komende wereld, dat koninkrijk voorbij onze horizon, dat die werkelijkheid gestempeld en bepaald wordt door Gods alomtegenwoordige aanwezigheid, alles in allen, pan-en-theïstisch. Dat Gods werkelijkheid de onze kleurt, van binnenuit verlicht. Wij zijn dan in het leven, omdat God de Levende onze werkelijkheid is. Voor Hem zijn allen in leven.

Ok. Maar nu moet daar nog iets bij.
Want ook dat – voor Hem zijn allen in leven – kan gemakkelijk een theoretische waarheid worden. Iets wat we wel geloven, maar wat tegelijk op een wat vreemde, abstracte manier boven onze eigen dagdagelijkse werkelijkheid blijft zweven. Dat is altijd een gevaar, als ons geloof geen handen en voeten krijgt, als het beperkt blijft tot wat we weten of menen te weten.

Geloven, vertrouwen dat God een God van levenden is, dat God aan de kant van het leven staat, dat betekent nu iets, voor ons, voor deze wereld en voor hoe wij in die wereld leven en bewegen.
Het betekent dat je kiest voor het leven, voor dat wat het leven dient.
Mozes krijgt deze boodschap als hij geroepen wordt om het volk te bevrijden. Uit de slavernij, uit de beknelling en beknotting, weg uit het angstland, uit het systeem van uitbuiting en mensontering.
Tegen die achtergrond klinkt de boodschap dat God een God van mensen is en niet onbewogen blijft onder de klacht van het onderdrukte volk.
Mozes krijgt deze boodschap, niet om geïnformeerd te worden over God, maar omdat hij geactiveerd moet worden. Hij heeft een opdracht te vervullen, in de naam van de Levende. Hij moet in beweging komen….

Ik ben Mozes niet, zult u zeggen. Nee, maar ook jij bent een mens die wordt aangesproken door de stem van de Levende God. Ook Mozes had allerlei bezwaren, maar hij ging uiteindelijk wel.
Geloven in de Levende God, betekent kiezen voor het leven en voor wat het leven dient, en niet voor de dood en alles wat daarmee samenhangt. Dat aspect zit er ook in.
Anders wordt het een theoretische kwestie, hoe het zal zijn in de opstanding. Nou ja, hoe het zijn zal… dat zullen we wel zien, en we gaan weer over tot de orde van de dag.
Maar hoe het nu is, dat is aan de orde. Hoe ons leven nu is, en dat van de minsten, met wie Jezus zich identificeert.

Het gesprek van Jezus met de Sadduceeën, als het tenminste de naam gesprek verdient, vindt plaats als Jezus met zijn leerlingen gearriveerd is in Jeruzalem, als hij in de tempel verblijft. We zijn wat de gang van het evangelie betreft bijna aan het eind van het verhaal. Het zijn de laatste dagen van zijn aardse leven. Die achtergrond speelt mee, geeft aan deze woorden een extra lading.
Hij heeft hier even voor, de handelaars met geweld verdreven. Hij spreekt hierna waarschuwende woorden over theologen die zich laten voorstaan op hun positie, op hun theoretische kennis, maar die ‘de huizen van de weduwen verslinden’ en dan wijst hij op de arme weduwe die twee dubbeltjes in de collectezak doet. Zij geeft van haar armoede en geeft daardoor meer dan ieder ander, alles voor haar leven (Luc. 21: 1- 4)

Jezus is hier dus, op deze bepaalde plaats, in de tempel, als afgezant van de Levende God, met de dood en de doodsheid dreigend om hem heen, in de schaduw van het kruis, zo te zeggen. En in die context spreekt hij over de levende God, van de God van mensen, de God van bevrijding uit iedere slavernij.
Is dat geen boodschap met hoop? Volg dan de Levende. Kies dan het leven.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter