Preken

Ze toont al, Lucas 1, 39 – 45


Ze zeggen wel eens: wat zou Jezus er nou van vinden als hij 2000 jaar later terug zou komen en zou zien wat mensen met zijn boodschap hebben gedaan? Hoe ze kerken hebben gesticht, en weer hebben gescheurd; welke regels de mensen allemaal hebben bedacht in Zijn naam, waar ze elkaar dan ook nog vaak mee om de oren slaan. Hoe zou Jezus dat vinden, dat wij elk jaar zijn geboorte vieren en dan nog wel op deze manier? U kent dat soort vragen wel.

Maar nu Maria. Hebt u zich dat wel eens afgevraagd? Stel dat zij zou zien hoe zij vandaag wordt geëerd?  Wat zou zij er van vinden dat ze, eenvoudig joods meisje gepromoveerd is tot Onze Lieve Vrouwe? Dat ze bij pauselijk decreet onbevlekt ontvangen is verklaard en dat door dezelfde autoriteit is bepaald dat zij met lichaam en ziel ten hemel is opgenomen. Wat zou ze daar van vinden? Ik denk dat ze haar mooie hoofd wijselijk zou schudden. Maar wat weet ik er van.

Je kunt misschien nog wel verder gaan. Ik weet het ook niet, maar ik zou me heel goed kunnen voorstellen dat Maria, op leeftijd gekomen, haar getekende hoofd met haar grijze krullen van verbazing zou hebben geschud, toen ze hoorde wat de evangelist Lucas allemaal over haar en haar zoon had opgeschreven. Ze hebben het haar verteld, want zelf lezen kan ze niet. In haar tijd was er geen geld om door te leren.
Maar ze zijn naar haar toegekomen en hebben het voorgelezen. Dat begin van Lucas’ boek, dat zo deftig evangelie heet, heeft haar verwonderd maar ook blij gemaakt op haar oude dag. Hoe Lucas er een prachtig verhaal van heeft gemaakt. Over haar nicht Elisabet en haar man Zacharias, die tegen alle verwachting in een kindje kregen: Johannes. Maar ook over haar zelf. De engel met zijn wonderlijke boodschap. Over de ontmoeting tussen Elisabet en haar en hoe het toen zinderde tussen beiden, de spanning van de verwachting. En later dat verhaal over de nacht van de geboorte.
Ik kan me voorstellen dat Maria, toen ze haar dit alles hebben voorgelezen, heeft gezegd: Die Lucas toch. Waar haalt die jongen het vandaan? Iemand met zo veel fantasie moet wel een groot geloof hebben…

In de ontmoeting tussen beide vrouwen wordt er nogal wat gezegd. Elisabet springt overeind als ze de groet van Maria hoort. Net als het kind in haar schoot. De heilige Geest komt er bij, en dan begint het grote zingen: De meest gezegende ben je van alle vrouwen….Gezegend de vrucht van je schoot…Gelukkig zij die heeft geloofd…(1: 42 en 45). En als Elisabet is uitgejubeld, volgt er het loflied van Maria. Dat hebben we vandaag niet meer gelezen. Je vraagt je af, waar halen die vrouwen het vandaan?

Het is bekend dat in het begin van het Lucasevangelie twee verhaallijnen in elkaar worden gevlochten. Die van de aankondiging en geboorte van Johannes en die van de aankondiging en geboorte van Jezus. De verhalen lopen parallel – er is al verteld dat de beide aanstaande moeders, Elisabet en Maria, familieverwant zijn. Maar wat we vanmorgen hebben gehoord, is het moment dat die parallelle verhalen elkaar kruisen. Nu is er voor het eerst – en vreemd genoeg ook voor het laatst – sprake van dat beiden elkaar ontmoeten.

De aanstaande moeder van Johannes, zij is al in de zesde maand, ze ‘toont’ al zeiden ze vroeger. En haar jonge nichtje Maria, die nog maar kort geleden gehoord heeft wat haar zal overkomen. Bij haar is nog niets te zien, van buiten, maar Elisabet weet meer.

Vertel een vrouw wat over zwangerschap. Het is aan alles te zien en te merken, ook al ziet een ander niets. Is dat het? Vrouwelijke intuïtie?

Misschien is het geheim dat hier sprake is van een echte ontmoeting. Ze komen elkaar niet tegen, maar ze ontmoeten elkaar. Dat geeft aan het gebeuren een verdiepende laag. Zoals wel vaker in bijbelverhalen, waar mensen elkaar werkelijk ontmoeten, of zichzelf tegenkomen, waarin ze soms daarin iets van God gaan ervaren. Ontmoeten.

Kijk nog even mee. Elisabet en Maria. Twee aanstaande moeders. Vandaag ontmoeten ze elkaar. Twee vrouwen die het geheim van het leven onder hun hart dragen. Beiden zijn in verwachting, in blijde verwachting, en dat kleurt hun ontmoeting. Want daarin heeft de vreugde de boventoon. De vreugde van het nieuwe begin.
Beiden zingen een lofzang. Elisabet herkent als eerste mens wat er met Maria aan de hand is. En zij erkent als eerste dit kind van hogerhand. Ze is er zo bewogen van dat zelfs haar eigen kind meebeweegt.

De ontmoeting tussen deze beide vrouwen is een bijzonder moment. Deze ontmoeting heeft een eigen betekenis, omdat daarin de openheid voor wat er komen gaat, op een bijzondere manier tot uitdrukking komt.

Vandaag gaat het over ontmoeting. En over openheid. Want dat is nodig, openheid, om tot een echte ontmoeting te komen. En daarmee is meteen een kernwoord genoemd, dat alles met advent te maken heeft. Advent, de tijd van verwachting, van ontvankelijkheid, van openheid voor het nieuwe dat van God komt.

Je kunt alleen maar ontmoeten als je open staat, als je je hart opent en hem of haar bij je binnen laat. Dat leert het verhaal van vanmorgen ons, van Maria en Elisabet.

Maria gaat op weg uit haar huis, uit haar veilige omgeving. Zij verlaat haar huis en betreedt het huis van Elisabet en groet haar. Ze ontmoet haar nicht niet alleen uiterlijk, maar betreedt haar huis, haar hart. Beiden staan voor elkaar open. En zo kan het geheim van de ontmoeting plaatsvinden, waardoor beiden veranderen, waarin beiden in aanraking komen met hun oorspronkelijke beeld, dat God van hen heeft gemaakt. De ontmoeting brengt hen beiden op een eigen manier dichter bij hun eigen zelf, hun eigen, van God gegeven, wezen.

Als Elisabet de groet van Maria hoort, springt het kind in haar op. Dat herinnert haar aan wat God met haar voorheeft. Ze wordt vervuld van de heilige Geest, staat er, in de symbooltaal van de bijbel. Overal waar in de Bijbel de Geest wordt genoemd, gaat het om schepping, creativiteit, om nieuw leven. Ze draagt een kind, ze voelt het nu, ze is door God voor de toekomst bestemd.

Vervolgens roept ze jubelend de lof uit over het kind in Maria’s schoot. Ze weet het op haar eigen manier en herkent in haar nicht, in dat eenvoudige meisje, de moeder van haar Heer. Gezegend ben je onder de vrouwen, gezegend de vrucht van je schoot. Ook Maria draagt toekomst in haar, van Godswege.

Je kunt deze woorden lezen en denken dat het over deze beide vrouwen gaat. Waar halen ze het vandaan? Natuurlijk gaat het over deze twee vrouwen, maar dat is niet het enige. Het gaat in deze verhalen ook altijd over een diepere laag, noem het een spirituele, geestelijke laag, over dingen die ons vandaag willen raken en veranderen. Niet alleen waar halen ze het vandaan, maar waar brengen ze het naar toe.

Een echte ontmoeting, van hart tot hart, woelt het diepste in je naar boven en maakt je open, ontvankelijk, voor de toekomst. Misschien wel voor datgene wat God met je voorheeft. Dat geldt voor deze beiden, maar dat mag net zo goed voor ons vandaag gelden. Een ontmoeting bevrijdt je van vooropgezette oordelen en meningen, omdat het iets nieuws brengt, iets onverwachts. Het schept nieuwe mogelijkheden of in ieder geval, wil je oog daarvoor scherpen.

Menigeen heeft zijn leven zo ingericht dat hij niet meer open staat voor het nieuwe dat God hem toevertrouwt. Alles moet bij het oude en vertrouwde blijven. Je ziet alles in je leven dan als noodzakelijk, als iets wat nu eenmaal zo is en niet anders kan. Zo’n houding kan heel goed samen gaan met een houding van geloof, of beter met een soort vroomheid, die het allemaal nog meer gewicht geeft. Dat is het burgerlijke christendom omdat het wel vroom lijkt, maar het eigenlijk helemaal niet is.

Geloven leert je open staan voor de nieuwe mogelijkheden die God je geven wil. Ja, ook voor u, ook voor jou. Ook al denk je misschien dat dat niet voor jou geldt, omdat er in jouw leven toch nooit iets verandert, omdat alles bij hetzelfde blijft, omdat er toch niets tegen te doen is, enzovoort. We sluiten ons vaak af voor het nieuwe, uit angst en onzekerheid, maar zijn dat goedbeschouwd geen tekenen van ongeloof. Zijn we dan eigenlijk niet zo dat we de verwachting dat God ons iets nieuws wil schenken hebben opgegeven?

Als Elisabet zo zou hebben gedacht, dan had de vrucht in haar schoot nooit tot groei kunnen komen.
Als Maria zo zou hebben gedaan, dan had ze de engel Gabriël de deur gewezen, of had ze het afgedaan als een vreemde droom zonder realiteitszin.
Als deze vrouwen niet de openheid voor het wonder, voor Gods toekomst openende kracht hadden gehad, waar had de Messias dan geboren kunnen worden?
God is immers daar waar men Hem binnenlaat. Waar de deur, waar je leven, open gaat.
Bij advent hoort de kracht van de openheid, van de ontmoeting. Letterlijk ont – moeten. Ont – spanning. Er moet eerst iets af, de kramp, de blokkade, het masker, om tot de kern te komen. En als je bij jezelf komt, komt er ook ruimte in de omgang met de ander.

Openheid is een vrijheid die zonder angst is. Niet bang om je eigen gezicht te verliezen, niet bang om de waarheid te zeggen. Dat is een vrijheid die volgens mij alles te maken heeft met het geloof, met in beweging zijn, open. Met in verwachting zijn.

En zo zijn we aan het einde weer terug bij die beide vrouwen. Zwanger van hoop en verwachting. Ze ‘toont’ al. De één in haar ouderdom, de ander in haar jeugd. De jeugd zoekt de ouderdom op. Maria gaat naar Elisabet, zoals Jezus straks naar Johannes gaat.
En alleen zo, in dat heen en weer van een echte ontmoeting, waar parallelle levens elkaar kruisen, wordt het nieuwe begin geboren. Ook voor jou. AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter