Preken

Winter – meditatie bij seizoensviering

Het is al weer meer dan een maand geleden, dat we hier Kerst hebben gevierd.
Op Kerstavond waren we hier in een meer dan volle kerk. Het was zo druk dat er op een gegeven moment geen mens meer bij kon. Maar … voor een vlinder was er nog wel plek.
Misschien was je er bij?
Er fladderde die avond een vlinder door de kerk.

Nu is dat ook weer niet zo bijzonder. Vlinders overwinteren in oude gebouwen zoals deze kerk. En als er dan eens flink gestookt wordt en de temperatuur oploopt, kunnen ze zomaar even uit hun winterslaap ontwaken. Alsof het al lente is.

Tegelijk is het altijd bijzonder, zo’n teer en fladderend beestje over de hoofden van al die ernstige kerkgangers. Zelf denk ik dan altijd even aan mijn goede vriend, die een paar jaar geleden overleden is. Dat is iets heel persoonlijks, maar misschien herkent u het. Vlinders zijn altijd al verbonden geweest met de metamorfose, de gedaanteverandering. Ze zijn immers ooit rups geweest en uit zo’n redelijk saai beestje is een prachtige kleurige vlinder ontstaan. Als uit de dood opgestaan. De vlinder als herinnering aan wie je mist, maar die er dan toch een beetje bij is? Een verdrietige herinnering die je toch even een glimlach bezorgt… zoiets?

Het raakt misschien wel aan een diepe menselijke behoefte.
In het duister van de winter, zoeken we naar glimpjes van licht, letterlijk en figuurlijk.
In de doodsheid van de natuur, zoeken we naar tekenen van nieuw leven, vrolijk en vrij.

De winter is het jaargetijde van de kale bomen en van dieren in hun winterslaap.
De doodsheid die zoals de afgelopen week, soms met een laag witte sneeuw wordt bedekt.
Sneeuw, die alles nog verstilder maakt. Als een deken over het landschap.
Sneeuw die de grijsheid en zwartheid bedekt – of juist de contouren daarvan des te beter doet uitkomen.

De grond is wit, de nevel wit, 
Wat zwijgend tooverland is dit? 
Wat hemel loop ik onder? 
Ik vouw de handen en aanbid 
Dit grootsche, stille wonder,
dichtte Jacqueline van der Waals

Tegelijk weten we, de winter is niet doods. Ondergronds en haast ongemerkt, is er van alles gaande in de natuur.
Juist nu, aan het einde van januari, als je begint te merken dat de dagen lengen, is dat aan de orde.

In oude volksspreuken is dat bewaard gebleven, leerde ik deze week.
20 januari is de dag van de heilige Sebastiaan en 21 januari van Sint Agnes en Sint Vincent.
‘Sint Sebastiaan doet het sap in de bomen gaan’, en
‘Als Agnes en Vincentius komen, begint het winterweer te schromen, dan is er nieuw sap in de bomen’.
Misschien dat de mensen in het katholieke Zuiden deze spreuken kennen, voor mij waren ze nieuw.

In ieder geval, je merkt dat de oude volkswijsheid weet, dat midden in het winterseizoen, de natuur niet dood is, ook al lijkt dat zo te zijn. Nee, het sap begint weer te stromen – de aarde voedt de bomen en de natuur.

In de ogenschijnlijke doodsheid, wervelt het leven. Is er één en al beweging en activiteit.

Rupsen beginnen te vermoeden dat het niet zo lang meer duurt, of ze mogen vlinder worden…
Mooi toch?
Helaas, de vlinder in de kerstnacht heeft het nieuwe jaar niet gehaald, zelfs het einde van de dienst niet. Ze kwam te dicht bij een kaars, brandde haar vleugels en verdronk in het kaarsenvet….

We luisteren naar het muziekensemble, die voor ons gaan zingen:
– De Sneeuwman (vertaling van Walking in the Air – Howard Blake en Audrey Snyder), en
– Stille Sneeuw (vertaling van The Blue Bird – Mary Coleridge en Charles Villiers Stanford)

Alles heeft zijn tijd.
De eerste seizoensviering over de herfst hebben we datzelfde gedeelte gelezen.
We hebben bedacht, dat we dat gewoon alle vier keer gaan doen, dezelfde tekst, met de idee dat dezelfde woorden misschien wel telkens anders klinken. Herfst, winter, lente, zomer.

Alles heeft zijn tijd.        
In de winter is er tijd om in het donker naar het licht te zoeken, om in de doodsheid je op het leven te richten.

Als je leeft met het kerkelijk jaar, dan wordt deze tijd bepaald door het Kerstfeest, precies op de zonnewende.
Licht in het donker. Jezus als teken van licht en van hoop. Dat viert de kerk midden in de winter, en de weken vooraf – de Advent –  en de weken na Kerst – de Epifanie – worden door die symboliek van het licht bepaald.

Dat geldt ook voor het feest van Maria Lichtmis dat op 2 februari wordt gevierd.
Opnieuw, uit de katholieke traditie. Je kunt ook zeggen, uit onze christelijke traditie, waarbij we misschien als protestanten wel ontdekken dat we in het verleden teveel waardevols hebben opgeruimd of verwaarloosd.

Maria Lichtmis valt op 2 februari.
Dat is, de 40e dag na Kerst. Veertig dagen na de geboorte van een zoon vindt de rituele reiniging van de moeder plaats, volgens de Thora, en moet er een zoenoffer worden gebracht (Leviticus 12). In de katholieke liturgie wordt dan het verhaal gelezen van het kind Jezus dat door zijn ouders in de tempel wordt gebracht. Het accent wordt daarbij gelegd op de moeder, Maria. In de traditie ontstonden lichtprocessies als hulde aan haar, de moeder, vandaar Maria Licht-mis.

Het is de liturgische markering van de afsluiting van de kersttijd. Ik lees dat in sommige kringen op deze dag alle kaarsrestanten van de kersttijd worden opgebrand. Maar ook dat bij die lichtprocessies het gebruik ontstond om groene kaarsen te branden, als herinnering aan de teruggekeerde levensstroom. En dan komen die beide elementen samen, het symbool van het licht en dat van het leven.

Wat je er ook van vindt, duidelijk is dat deze oude symbolen verbonden zijn met de verschijning van het kind, het licht der wereld. Dat alles zijn diepere betekenis vindt in de geboorte van Jezus, God in ons midden, het levende Woord. In ieder seizoen komen we altijd weer bij dat levende Woord uit. Dat sporen trekt in de tijd en door de wereld, als voetstappen in de sneeuw?

Alles heeft zijn tijd.
Nog één laatste opmerking over die wonderlijke tekst van de Prediker. Waarin het leven in al haar breedheid en gevarieerdheid aan bod komt.
Telkens paarsgewijs worden uitersten benoemd – er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen; een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken, en zo voort. Het lijkt een willekeurige opsomming, maar dat is het niet.
Want het allereerste dat wordt genoemd is: Er is een tijd om te baren…
En het allerlaatste in de opsomming luidt: Er is een tijd voor vrede
Tussen die twee, baren en vrede, staat het hele leven opgetekend.

Klinkt dat niet opeens heel bijzonder, midden in de winter, bij de geboorte van het kind dat onze Vrede is?

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter