Preken

Wij bestaan in zijn geduld, Mat. 13, 24 – 30

‘De meeste mensen deugen’. Ook als u het boek niet gelezen heeft, herkent u de titel wellicht, want die zingt aardig rond. De jonge historicus Rutger Bregman schreef de bestseller ‘De meeste mensen deugen’. De titel is meteen de centrale stelling. Hij laat met allerlei voorbeelden zien, dat we vaak veel te negatief denken over mensen, dat we ten onrechte bij voorbaat van het slechte uitgaan, maar dat in de praktijk verreweg de meeste mensen deugen. Hij bespreekt allerlei geruchtmakende onderzoeken van de laatste decennia, die juist lijken te bewijzen dat ieder mens, als je hem of haar daartoe stimuleert, bereid is tot extreem geweld. Vaak blijken die onderzoeken echter van te voren in de gewenste richting gemanipuleerd. Wat de vraag oproept, waarom we graag willen geloven dat mensen zo zijn? Het antwoord is, omdat geweld en slechtheid een grotere fascinatie uitoefent. Goed nieuws verveelt. We smullen daarentegen van roddel en sensatie, van de misstappen van bekende mensen en van verhalen uit de onderwereld. De krant staat er vol van.

Als de meeste mensen deugen, blijft wel de vraag waarom er dan toch dat kwaad in de wereld is, waar de kranten vol mee staan. Is dat omdat sommige mensen niet deugen? Of komt dat omdat ieder goed mens, hoezeer hij of zij ook deugt, ook een andere kant heeft? Niemand kan toch van zichzelf met droge ogen beweren dat hij alleen maar goed is?

Dat zijn grote vragen, waar in de loop van de menselijke geschiedenis allerlei antwoorden op zijn gegeven. De vraag naar de menselijke aard en de oorsprong van het kwaad. Die vragen gaan we hier niet oplossen. Maar ze komen wel op, als je die ogenschijnlijk eenvoudige gelijkenis van Jezus hoort. Er is een mens die goed zaad zaait op zijn akker. Maar ’s nachts komt zijn vijand en zaait er onkruid doorheen.
Waarom?
Je leest er misschien overheen, want de gelijkenis lijkt uiteindelijk over iets anders te gaan, hoe je kwaad en goed van elkaar scheidt, maar ik struikelde hier al. Wat bezielt die mens om, als de mensen slapen, onkruid tussen het graan van de boer te zaaien? Hij wordt de vijand genoemd. Verklaart dat dan alles? Is het uit rivaliteit, is het om de ander – zijn vijand – dwars te zitten, is het een geniepige manier om de ander te benadelen; heeft hij er zelf plezier van? Allemaal vragen waar de gelijkenis niet op ingaat, maar je kunt ze stellen. Waarom doen mensen zulke dingen?

Kinderen doen zo. Eén van onze jongens kraste altijd dwars door de tekeningen van zijn zusjes. Waarom? Kinderen kunnen wreed zijn. Jaloezie? Zeg het maar. Het is overigens allemaal goed gekomen, maar u herkent het misschien.

Soms geeft het een goed gevoel om een ander een hak te zetten, om iemand met een rake  opmerking in verlegenheid te brengen. Vreet maar op. Maar op den duur gaat het toch aan je knagen. Ik ben geen psycholoog, maar ik weet wel dat conflicten en ruzies veel meer energie kosten, daar loop je een tijd mee rond, je windt je weer op, je bent er mee bezig. Hoeveel leuker is het om het een beetje goed te houden met de mensen om je heen? Daar slaap je beter van.

De meeste mensen deugen. En de meeste mensen deugen de meeste tijd. Maar toch blijft er dat kwaad. Onkruid tussen de tarwe.
Even verderop in de tekst legt Jezus de betekenis van deze gelijkenis uit aan zijn leerlingen. ‘Die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad, de vijand die het zaait is de duivel’ (Mat. 13: 37-39a). Nou, dan zijn we er snel mee klaar. Het onkruid is duivelswerk. Daar komt alleen maar slechtheid uit voort, dat deugt nergens voor. Daartegenover staat het goede zaad, de kinderen van het koninkrijk.
Maar als je hier even over nadenkt, blijkt het toch niet zo gemakkelijk en schematisch te zijn. Daar gaat die gelijkenis juist over. Er is goed en er is kwaad – en dat groeit tezamen op. Als je het wilt scheiden, zoals de knechten van de boer willen doen – zullen we het onkruid er tussen uitwieden? – dan loop je gevaar met het slechte onkruid ook het goede graan  los te trekken. Laat het onkruid en het graan gezamenlijk opgroeien, op de dag van de oogst wordt het van elkaar gescheiden en dan ook definitief. Het onkruid wordt verbrand, het graan verzameld in de schuur.

Je kunt deze gelijkenis op verschillende manieren lezen.
Het gaat natuurlijk over het koninkrijk, zoals al deze gelijkenissen die Matteüs hier verzamelt. Je kunt ook zeggen, het gaat over de kerk, de jonge kerk die voor de uitdaging staat om het goede en het kwade in haar eigen organisatie te verdragen. Waarschijnlijk speelt de richtingenstrijd tussen gelovigen uit de volken en die uit de Joden op de achtergrond mee?
Het is een oud inzicht dat de kerk een gemengd lichaam is, corpus mixtum. Augustinus waarschuwt er al voor, dat wie de kerk zuiver wil houden, haar te gronde richt. De zonde hou je niet buiten de deur. Dat denken zou hoogmoedig zijn.

Voor ons lijkt een ander aspect meer relevant. De vraag hoe je het kwade, dat er nu eenmaal is, verdraagt. De wijsheid van de boer is om het naast elkaar te laten bestaan, om het te dulden, om dat mooie woord te gebruiken. Goed en kwaad zijn lang niet altijd zo makkelijk van elkaar te onderscheiden. Onkruid lijkt verdacht veel op tarwe. Ja, het is zelfs zo dat het in een en dezelfde mens niet altijd zo maar te scheiden is. De meeste mensen deugen? Of is de mens geneigd tot alle kwaad? Of is het allebei?
Goed en kwaad zijn in de mens vaak zo met elkaar verstrengeld, dat je de fouten niet kunt uitroeien zonder ook de goede kanten te schaden. Iemands kracht is vaak ook zijn zwakte en omgekeerd. Een mens mag geduld hebben, met zichzelf én met anderen. Het definitieve oordeel mag je aan God overlaten (Bouwman).

Ja, want dat laatste hoort er bij, is ook het slot van die gelijkenis. ‘Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst’, zegt de boer, dan zal ik de maaiers opdracht geven om het onkruid van het graan te scheiden.
Dat het onkruid naast het graan groeit, betekent niet dat het onkruid goed is, of dat je het niet zou moeten bestrijden. Maar wie perfectionistisch streeft naar zondeloosheid, wie gefixeerd is op zuiverheid, heeft over alles meteen een oordeel klaar en dat is onbarmhartig, voor de ander en ook voor je zelf.

We moeten niet ongeduldiger zijn dan de Heer van de oogst zelf. Wij immers zelf, bestaan in zijn geduld, zoals het lied zegt, ‘want uw leven is genezen en vergeven is uw schuld. Loof de koning, loof de koning, tot gij Hem ontmoeten zult’ (Lied 103c: 1).

PRINTVERSIE

Vorig bericht Volgend bericht

1 reactie(s)

  • Reply Berend de Jong 21/07/2020 at 01:01

    Bij het lezen nu net van je preek over onkruid tussen het kruid moest ik denken aan een gesprek met iemand vanmiddag waarin de steniging van de overspelige vrouw ter sprake kwam. Jezus redde oa haar via ‘wie zonder zonde is …. ‘ en tenslotte de vrouw aanraadde niet meer te zondigen.
    Hier het ene onkruid, het overspel (hoe dan ook wat mij betreft) en het andere onkruid (de veroordeling via dogma uitsluiting, dus terreur) bv steniging ed waarin de redding via Jezus het voedende ware kruid is. Kruid tussen het onkruid.

    Dank voor je preek

  • Laat een reactie achter