Preken

Wie doet de afwas? Luc. 10: 38 – 42 (Marta en Maria)

Een vrouw vertelde me ooit eens over het sterfbed van haar moeder. Ze waren met de kinderen opgeroepen en verbleven de laatste dagen bij haar. Intensief maar bijzonder, u kunt zich daar misschien iets bij voorstellen.
Maar wat ze ook vertelde was, dat in die kleine week, toen ze als gezin bij elkaar waren, alle oude patronen er gewoon weer waren. Net zoals toen ze nog allemaal thuis woonden. Met alle ergernissen. Over die ene broer die altijd het hoogste woord had, precies zoals vroeger aan tafel, of die ene zus, die zich er altijd onderuit draaide als er iets gedaan moest worden, de afwas of zoiets – dat was vroeger ook altijd zo…
Als je in een gezin met meer kinderen bent opgegroeid, zult u het herkennen.
Bepaalde patronen en gedragingen zitten er al van jongs aan in, dat zal wel nooit veranderen.

Marta ergert zich aan Maria.
Ze zegt tegen Jezus: kan het u niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Je hoort de ergernis in haar stem. Het klinkt alsof ze het niet voor het eerst verzucht. Oudste zus ten opzichte van de jongste?
Misschien zit er in haar uitroep ook wel de onuitgesproken ergernis dat die man – Jezus – dat niet door schijnt te hebben. Wat weten mannen er eigenlijk van?

Ik weet niet of de reactie van Jezus het voor Marta zoveel beter maakt.
In plaats van begrip, lijkt het alsof ze een standje krijgt. Marta, Marta, je maakt je veel te druk… druk over de verkeerde dingen, lijkt hij te suggereren.
Er is maar één ding noodzakelijk…. Maria heeft het beste deel gekozen.
Jezus zegt het niet met zoveel woorden, maar de conclusie lijkt duidelijk. Het is beter de boel de boel te laten en aan de voeten van de Heer stil te luisteren naar zijn wijze woorden, dan zorgen dat er een fatsoenlijke maaltijd op tafel komt…

Maar is dat zo?
Is dat zo, in ons gewone leven, waar Jezus nu eenmaal niet dagelijks op bezoek komt. Is dat ook zo, zelfs in het verhaal zelf? Of leggen we die boodschap er net iets te snel in, omdat we denken dat dat wel bedoeld zal zijn?

De traditionele uitleg is inderdaad dat Maria wordt geprezen en Marta wordt vermaand. Men heeft beide vrouwen verbonden met twee verschillende levenshoudingen, in het Latijn is dat vita activa en vita contemplativa. Dat kunt u ook begrijpen, vita = leven, het actieve leven of het contemplatieve of beschouwende leven. Of zeg maar: bidden en werken, het geestelijke leven en het wereldse leven.
Nu is het zo dat in onze traditie en in onze cultuur het geestelijke hoger aangeslagen wordt dan het wereldse. Wie werkt met zijn hoofd, verdient meer dan wie werkt met zijn handen. Dat is eigenlijk vreemd als je er over nadenkt.
In het communisme is iedereen gelijk (tenminste in naam). Ooit las ik dat in de oude Sovjet-Unie de chirurg even veel verdiende als een kraandrijver, omdat ze beiden een belangrijke maatschappelijke functie vervullen. Toch mooi, of niet meer dan een utopie? Gestudeerde mensen slaan wij toch vaak hoger aan en worden navenant beloond.
Het zit zo diep in onze cultuur, dat als er in de reclame een wasmiddel moet worden aangeprezen, niet de huisvrouw die meestal de was doet ons het product aanprijst, maar de deskundige laborant, een man in een witte jas, die het heeft over wetenschappelijk bewezen en zo voort.

Terug naar Marta en Maria.
Je kunt ze als types zien, de een staat voor het werken, het sloven, de arbeid, de wereldse zaken. De ander staat voor het hogere, het geestelijke, de wereld van geloof en zaligheid.
Maria heeft het beste deel gekozen, zegt Jezus zelf. Dus is dat niet zonneklaar dat Hij dat zelf ook zo ziet?

Toch kun je er ook anders naar kijken.
Dat gaat terug op een beroemde middeleeuwse preek van Meister Eckhart, die als eerste een soort eerherstel voor Marta heeft bepleit.
En dan niet, omdat je beide nodig hebt: bidden én werken. Dat is ook zo, maar zijn preek gaat nog een stapje verder. Hij stelt dat Marta eigenlijk verder op de weg van het geloof is gevorderd, dan Maria.

Maria is in zijn visie eigenlijk nog maar aan het begin van haar geloofsweg. Ze is in de fase van de fascinatie, waarin ze helemaal in beslag genomen wordt door het geestelijke. Ze drinkt de woorden van de Heer in, ze leeft haast letterlijk in de wolken, ze gaat er helemaal in op, ze vergeet het gewone leven.
Maar een gerijpt geloof, is niet met je hoofd in de wolken, maar met beide benen op de grond.
Voor Eckhart geldt dat Marta daarom verder is op de weg van het geloof. Zij heeft die eerste fase al gehad. Maar nadat ze vertoefd heeft in hogere sferen is ze weer teruggekeerd naar het gewone leven en naar het dagelijks werk. En daarin beleeft ze nu haar geloof.
Zij is niet blijven plakken in de sfeer van veiligheid en behaaglijkheid, helemaal opgaand en zichzelf verliezend in meditatie en bezinning. Marta wérkt gewoon, maar haar werken heeft de vanzelfsprekende aanwezigheid van God in zich, volgens de uitleg van Eckhart. Want ze heeft God ontdekt als de diepe zin van haar bestaan. Ze heeft de fase van de vervoering en de fascinatie meegenomen naar het dagelijks leven.

Marta wil dat haar zus ook die stap zet en niet blijft zitten in het hogere. Ze is volgens meester Eckhart niet bitter, maar bezorgd: ‘Marta vreesde dat haar zuster in een zoet welbehagen bleef steken’ (letterlijk citaat), en volgens hem is de reactie van Jezus zo bedoeld dat hij haar gerust stelt: ‘wees gerust, Marta, ook zij heeft het beste deel gekozen’.

Het is een creatieve uitleg. Misschien iets te creatief voor de letter van de tekst. Maar je kunt even goed van onze vertaling zeggen, dat daarin de tekst wel erg in de richting van de traditionele uitleg wordt weergegeven. Er staat: je maakt je druk over veel dingen, en als dan wordt vertaald, je maakt je veel te druk – dan zit daar al een oordeel in.
Dan daarbij, let nog eens op het begin. Marta is het die de Heer ontvangt, staat er. De Heer gaat bij haar naar binnen. Met andere woorden, zij is al bekend met en bij Jezus – zij is degene die in dit korte fragment het initiatief heeft, de gastvrijheid praktiseert, die bijbels zo belangrijke menselijke eigenschap.

Daar komt nog iets bij. We kennen de beide zusters Marta en Maria ook van een ander verhaal, over hoe Jezus hun gestorven broer Lazarus uit de dood opwekt (Joh.  10). Het staat in een ander evangelie en je kunt dat niet zomaar aan elkaar plakken, maar toch. Het is opvallend dat als Jezus te lang wegblijft, Marta er op uit gaat hem tegemoet, Maria blijft thuis. Marta spreekt hem aan: Als je eerder was geweest …. Maria valt huilend aan zijn voeten. Is hierin Marta ook niet de sterkere, die handelt, werkt en zwoegt en die tegelijk haar geloof belijdt: ‘Ik geloof dat u de messias bent’ (Joh. 11: 27).

Hoe dat allemaal ook zij,  en er is nog veel meer over te zeggen, deze uitleg brengt misschien wat meer evenwicht.
Maria mag dan worden geprezen door de Heer dat ze het beste deel heeft gekozen, maar dat is zeker geen diskwalificatie van de zorg voor het dagelijkse goed waar Marta zich om bekommert.
Beide zijn nodig. Een andere stem uit de traditie (Theresia van Avila) zegt: “Geloof mij, Marta en Maria moeten bij elkaar zijn om de Heer te kunnen herbergen (….) Hoe had Maria, die altijd aan zijn voeten zat, hem iets te eten moeten geven, als haar zuster niet was bijgesprongen?”

Het is niet het klassieke onderscheid en de daarbij horende rangorde: boven staat het geestelijke, daaronder het actieve, werkende leven. Beide hebben hun recht. Bidden én werken.
Sterker nog, in het werken komt het bidden aan de orde, en misschien is daarom dat wel nog belangrijker. Geloof levend maken in de praktijk van alledag. Je geloof mee-nemen in de dingen van je dagelijks bestaan. Want alles van het gewone leven is heilig, als je het doet vanuit de achtergrond van het geloof, dat het zinvol is, dat het bijdraagt aan het goede, de gastvrijheid en de herbergzaamheid, om in de sfeer van het verhaal te blijven.

In het dagelijks werk, in de gewone bezigheden, daar ontmoet je God. Dat leert vooral Marta ons. Je ontmoet God in de verwondering, in de dankbaarheid om de gewone dingen, je ontmoet en praktiseert God in de dagelijkse bezigheden, in de manier waarop je met elkaar omgaat – God liefhebben boven alles en de naaste als je zelf.

Groeien op de levensweg van het geloof is, ontdekken dat geloof en leven, bidden en werken, in één vloeien, geen gescheiden werelden zijn, maar elkaar wederzijds vullen. Dan worden we als het ware doordesemd door Gods gloed en gaan we doen wat gedaan moet worden.

AMEN

O.a. geraadpleegd, meditatie van Dorothee Sölle, in Het verhaal te doen, en preek op site preken.be

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter