Preken

Wie ben ik, Exodus 3, 1 – 18

In de loop van de maand wordt bekend wat het Managementboek van het jaar is geworden. Op de lijst van genomineerde boeken staan titels als: De fluitende leider; De zelfbewuste leider en The Compassionate Leader (Engels doet het altijd goed in deze categorie). Het boek Exodus staat niet op de longlist, maar dat had zo maar gekund. Nog niet zo lang geleden verscheen het boekje Managen met Mozes. Het lijkt een kleine trend. Komende week is er een studiedag voor predikanten over leidinggeven, met de titel In de leer bij Mozes.
Dat boekje heb ik niet gelezen, en de studiedag laat ik aan mij voorbijgaan, maar dat komt omdat ik zelf net een cursus Time-management heb gevolgd …

Mozes als manager. Mozes als leider.
Dat is natuurlijk niet zo’n gek idee. Mozes wordt geroepen om het volk Israël te gaan leiden. Het begin van dat verhaal dat we allemaal in grote lijnen kennen, het begin horen we vandaag. Mozes wordt geroepen om het volk te leiden, eerst weg uit Egypte, weg uit de slavernij, en vervolgens door de woestijn, waar het volk de Wet ontvangt, de Tien Geboden en alle andere, leefregels voor een nieuw bestaan. Mozes is de leider van het volk bij die lange zwerftocht door de woestijn. Veertig jaar. Een generatie lang. Levenslang leren.
En dat vraagt de nodige leiderschaps skills, om een dermate koppig volk te leiden – ze zullen de eersten zijn om het zelf te beamen; om de boel bij elkaar te houden – twaalf verschillende stammen, die nog lang geen eenheid zijn; om alle dagelijkse taken, voedselvoorziening, rechtspraak en dergelijke goed te managen. Dat kun je niet alleen. Mozes heeft Aäron bij zich – zijn communicatieadviseur, las ik ergens. En later komt zijn schoonvader Jetro met goede raad: verdeel het werk, scheid hoofd- en bijzaken, en geef mensen op ieder niveau hun eigen verantwoordelijkheid – geef ze zelf regie.

Het is dus niet zo gek als moderne managers of leiders, te rade gaan bij Mozes. Mozes als manager? Het is de insteek om vanmorgen een aantal aspecten van het bekende verhaal te belichten. Breder gaat het dan over leiderschap in bijbelse zin, dat altijd in relatie staat tot de Bron. In het verhaal van Mozes is er de wonderlijke ontmoeting met de stem die Mozes aanspreekt, de Heer zelf, onzichtbaar in het verblindend en verterend vuur van de brandende braamstruik. God maakt zijn Naam bekend. Eén van de meest cruciale passages in de hele Bijbel.

Een eerste facet van bijbels leiderschap is iets waar je in dit verhaal makkelijk overheen leest. Maar als Mozes wordt geroepen, dan is hij de schapen en geiten aan het hoeden. Mozes wordt getekend als herder. Net als later David een herdersjongen was en er profeten geroepen worden weg achter de schaapskudde. Natuurlijk heeft dat te maken met de cultuur van die lang vervlogen tijden. In de Bijbel wordt geen machinebankwerker tot leider geroepen. Maar dat herdersschap zegt tegelijk iets over de manier van leiding geven. Dat is herderlijk van aard. Zoals Jezus later zelf het beeld van de goede herder gebruikt, die zich inzet voor zijn schapen. Misschien wel het beeld voor de hele lijdensweg die Hij gaat in deze veertig dagen. Dienend. Opofferend. De herder is er ten dienste van de kudde, niet tot meerdere eer en glorie van zichzelf.

Een tweede aspect dat in dit verhaal naar voren komt is Mozes’ bescheidenheid.
Als de Heer zich bekend maakt en Mozes vertelt dat hij naar de farao moet gaan om zijn volk, de Israëlieten, uit Egypte weg te leiden, dan zegt Mozes: Wie ben ik… Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? Die herhalingen in de tekst, is om de boodschap er goed in te prenten, bij mensen die het vooral van horen zeggen moeten hebben, maar dat terzijde.

Wie ben ik dat ik dit doen mag? Of, wie ben ik dat ik dat doen moet..
Hoe moet je die tegenwerping van Mozes begrijpen? Is dat bescheidenheid? Of gespeelde bescheidenheid? Het is natuurlijk ook een bijbels gebruik dat je als geroepen profeet eerst tegenstribbelt. Niet te gretig zijn. Dat herkennen we in Drenthe. Je moet eerst twee keer beleefd weigeren, voor dat je een derde keer het aangeboden kopje koffie aanneemt. Wie meteen ja zegt, als hij of zij gevraagd wordt voor het bestuur, is bij voorbaat verdacht.

Is het bescheidenheid, of misschien gebrek aan geloof, aan vertrouwen, aan zelfvertrouwen?
Mozes geeft zich niet zomaar gewonnen aan de stem met zijn opdracht.
Hierna zegt hij: “maar wat moet ik dan zeggen?” (3: 13) En als je verder leest dan wij vandaag gedaan hebben, dan gaat het nog even door met Mozes bezwaren. “Ze zullen me vast niet geloven en niet naar me luisteren” (4: 1) en nog later: “Neemt u mij niet kwalijk, maar ik ben geen goed spreker” (4: 10) en “Stuur toch iemand anders, wie u maar wil” (4: 13), totdat de Heer kwaad wordt en Mozes zijn verzet staakt.

Is de aarzeling van Mozes bescheidenheid? Of zit er angst bij, onzekerheid, gebrek aan zelfvertrouwen?
Je zou je het allemaal voor kunnen stellen, maar eigenlijk moet je bij Bijbelse verhalen niet teveel gaan psychologiseren. Dan doen we of het een kwestie van karakter is of persoonlijkheidsstructuur. Er is hier nog iets meer aan de hand, iets wezenlijkers, dat in de dialoog tussen Mozes en de Heer ligt besloten.

De twee keren dat Mozes hier zijn aarzelingen uit, worden omkranst door drie keer een uitspraak van de Heer die vertrouwen inboezemt.
De Heer maakt zich bekend: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob (3: 6) en de Heer zegt dat hij de ellende van zijn volk heeft gezien en gehoord. “De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur ik jou…” (3:10). Dat is de eerste verzekering

Dan zegt Mozes, wie ben ik…
Waarop God antwoordt: Ik zal bij je zijn.
Meer niet. Maar daar zit alles al in. De tweede verzekering: Ik zal er zijn voor jou.

Dan Mozes weer: “stel dat ik ga en zeg dat de god van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen naar de naam van die god, wat moet ik dan zeggen?
Waarop God antwoordt: Ik ben die er zijn zal. Je moet zeggen: Ik zal er zijn, heeft mij naar u gestuurd.
De derde verzekering. En vervolgens wordt tot twee keer toe herhaald, dat het hier gaat om de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zodat die formule in totaal drie keer klinkt.

Mozes’ aarzelende tegenwerpingen worden zo ingebed, ingepakt, in de door God zelf herhaalde verzekeringen, dat Hij de God van hun voorouders is en dat Hij er zal zijn, op zijn eigen wijze.

In het hart van deze passage staat die openbaring van de mysterieuze godsnaam, J H W H. Het vierletterwoord dat de Joden uit eerbied en ontzag niet uitspreken. Zij noemen het Hasjem, de Naam. Wij vertalen traditiegetrouw als de Heer, zoals de Joden soms zelf ook doen, Adonai; of Jahweh of Jehova, allemaal afgeleid van die wonderlijke vier Hebreeuwse letters.

Daar is natuurlijk ook van alles over te zeggen, over het wonder van de godsnaam en hoe je dat precies moet uitleggen. Er blijft een onduidelijkheid of een dubbelzinnigheid, waarvan ik zou zeggen dat die doelbewust is. Gods naam blijft altijd ook iets van een geheim houden, iets ongrijpbaars, of anders gezegd: God is altijd groter dan onze woorden, onze beelden, onze theologische of filosofische begrippen.

Maar in het verband van ons verhaal vanmorgen, is een ander aspect misschien belangrijker. In die Naam, in die zelfopenbaring, daar op de berg van het verbond de Horeb, in het onbenaderbare en ondoordringbare vuur, in die zelfuitspraak maakt God zich bekend als de kracht die er is, die nabij is, die met jou is. Ik zal bij je zijn. Gods naam is een vertrouwensvotum. Die belofte is voor een leven genoeg. Hij is er bij, dat weten is voldoende. God bestaat in zijn aanwezigheid.

De kiem van Mozes’ leiderschap, wordt hier gelegd, wordt hier aan hem geschonken.
Al zijn aanvechtingen, zijn strijd, zijn aarzelingen en tegenslagen ten spijt – als je het verhaal van de uittocht en de woestijnreis kent, dan weet je dat er nog vele zullen volgen.

Wij zijn Mozes niet. Nee, maar ook wij kennen allemaal onze uitdagingen, onze aarzelingen en onzekerheden. Ieder mens voert zijn eigen strijd in het leven, zijn verzoekingen.
Wie ben ik?
Wie ben ik, in de ogen van de ander, hoe ik overkom, wat ze aan de buitenkant van mij zien, wat ik laat zien?
Wie ben ik, voor mij zelf, durf ik mij zelf onder ogen te komen?
In de vesper afgelopen woensdag lazen we een tekst van Bonhoeffer, wie ben ik, die eindigt met de verzuchting: Wie ik ook ben, u kent mij, o God. Van u ben ik.

Gaat het over leiderschap? Of over meer, over wat voor ieder van ons de basis zou kunnen zijn, waaruit je leeft, waar je vaste grond vindt.
Gods eigenste naam is, dat Hij er bij is, dat Hij er zal zijn voor jou, voor mij.
Meer hoef je niet te geloven.
Dan kun je de farao in jouw leven de wacht aanzeggen, de slavernij achter je laten en de vrijheid tegemoet gaan.

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter