Preken

Weerwoord

Overdenking naar aanleiding van Ester 4: 13 – 17 en Lucas 4: 21 – 30

Kort geleden stond in de krant een speech van een Brits parlementslid integraal afgedrukt. Het ging natuurlijk over de Brexit. Tegelijk stond er een commentaar bij, van een framingspecialist, een communicatiewetenschapper, die uitlegt waarom dit zo’n goede speech is.  
Nu gaat het mij niet om de Brexit of om de politiek. Ook niet om de kwaliteiten van de toespraak, al interesseert mij dat al meer – omdat het raakt aan mijn eigen metier. Ik werd getroffen door een krachtig statement aan het begin van deze speech, die overigens van Labourparlementslid David Lammy afkomstig is.
Hij zegt:
“Wij hebben de plicht onze kiezers de waarheid te vertellen. Ook als ze het fundamenteel met ons oneens zijn. (…) We zijn afgevaardigden, die het algemeen belang meewegen, ook als dat ingaat tegen de kortetermijnbelangen van onze kiezers. Wij zijn geen gedelegeerden, die slechts doen wat de kiezer verlangt” (Trouw, 26 januari).

Zeggen wat nodig is, niet wat goed overkomt.
Zeggen wat gehoord moet worden, niet wat de meeste mensen graag horen, of wat gunstig zou kunnen zijn voor de peilingen.

Nu is dit een lid van de oppositie. Dat praat al wat makkelijker.
In ons land hebben we de compromissenpolitiek, dat is onvermijdelijk in ons stelsel, maar heeft ook altijd iets lelijks, dat hebben we deze week ook weer gezien. Kinderpardon er door, maar in ruil daarvoor nemen we 250 minder VN-vluchtelingen op. Waar hebben we het over? Over mensen toch?
Je verlangt soms naar politici die durven staan voor principes en minder bezorgd zijn om de populariteitspolls.

Het is vanmorgen het actuele opstapje om iets te zeggen naar aanleiding van beide lezingen die we gehoord hebben. Hoe verschillende ze ook zijn, er is iets gemeenschappelijks, wat te maken heeft met spreken tegen de gangbare mening in. Het woord nemen en tegelijk een risico nemen. Het risico van weerstand, ergernis of erger. Zeggen wat gezegd moet worden en tegelijk weten dat je je daar niet populair mee maakt.

Die paar regels uit het boek Ester (4: 13 – 17) kun je, zoals gezegd, niet goed begrijpen zonder het hele verhaal eromheen. Het joodse meisje is op een wonderlijke manier de koningin geworden aan het Perzische hof, waar ze leeft in een afgeschermde wereld, gevangen in het paleis. Haar oom en beschermheer Mordechai is haar contact met buiten. Als Mordechai laat weten dat haar volksgenoten, de Joden, in gevaar zijn, bindt hij Ester op het hart dat zij haar bijzondere positie moet gebruiken om de koning te bespelen. Maar dat kan zo maar niet. Er zijn strenge regels om de koning te benaderen, zelfs voor zijn vrouw. En dan daarbij, dat Ester een Joodse is, is tot nu toe angstvallig door haar verzwegen.
Als u wilt weten hoe het afloopt, kunt u het zelf nalezen.

Waar het vanmorgen om gaat is om die misschien wel cruciale passage uit het hele verhaal, als Mordechai Ester onder druk zet: Als jij nu je mond niet opendoet, nu het moment daar is – ach, dan zal er wel een oplossing komen, maar jij en je familie maken daar dan geen deel meer van uit…
Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze, zegt Mordechai.

Nu is het moment.
Nu moet je kiezen, spreken, je leven wagen – of voor altijd zwijgen.
Want zwijgen in een situatie waar het op aankomt, is ook een manier om je uit te spreken.

Gelukkig is het in ons dagelijks leven niet vaak zo dramatisch als in dit verhaal van Ester. Maar ook voor ons geldt, dat er situaties zijn waarin je je uit moet spreken. Tegen moet spreken. Maar wanneer doe je dat, en hoe doe je dat?
Wat zeg je, als er verkeerde grappen worden verteld in de kantine… laat maar gaan, dat menen ze niet zo, niet groter maken dan het is…
Wat doe je, als het gesprek over vluchtelingen of asielzoekers een onfrisse toon krijgt. Hou je je stil – die lui verander je toch niet, of spreek je tegen? Zeg je eerlijk en rustig dat je zo niet over mensen praat, laat staan over mensen in nood.
Wat als een collega op je werk oneerlijk door de leidinggevende wordt behandeld. Kom je voor hem of haar op, of denk je, laat maar gaan, straks krijg ik er nog moeilijkheden mee en mijn contract loopt binnenkort af en…

Ik kan situaties bedenken, maar u kunt dat nog beter.
Wat doe je als kerkelijk gemeenschap, spreek je je uit – als er in de media wordt gediscussieerd over het homohuwelijk, of als er berichten zijn over toenemend antisemitisme, of over kerkasiel, of over de scholierenstakingen voor een beter milieu? Moeten we overal wat van vinden, of wat van zeggen, en hoe dan? Vanaf de kansel, of als onderwerp van gesprek, woord en weerwoord, in een situatie waarin je echt met elkaar kunt praten…

Ik moet u zeggen dat ik het makkelijk vind om de vragen te stellen, dan om de antwoorden te geven.

Als je het evangelie van vanmorgen op je in laat werken, dan roept dat ook weer vragen op.
Jezus is in de synagoge van Nazaret, de plaats waar hij is opgegroeid. Hij is vandaag de lector en leest uit de profeet Jesaja over de bevrijding die God belooft. Iedereen is diep onder de indruk, als Jezus zelfbewust beweert dat deze tekst vandaag in vervulling is gegaan. Dat is toch de zoon van Jozef? Waar haalt die jongen het vandaan.
Maar dan gaat Jezus door. Ongevraagd, en je zou haast zeggen, onnodig. Of is dit het woord dat hier en nu in Nazaret nodig is dat gesproken wordt? Moet hij dit zeggen, omdat het de waarheid is, hoe ongemakkelijk die ook voor zijn gehoor moge zijn?
Jezus ziet kans om in een paar zinnen het aanvankelijk enthousiasme voor zijn persoon helemaal te verspelen. Zijn populariteitspoll daalt dramatisch in het tijdsbestek van vier bijbelverzen.

Luister, zegt Jezus, geen enkele profeet is geliefd in zijn vaderstad.
En dan haalt hij er voorbeelden bij van Elia en Elisa, twee andere profeten, uit de geschiedenis van Israël. Beiden hielpen in hun tijd mensen uit het buitenland, – de weduwe in Sarepta en de legerleider Naäman uit Syrië. De suggestie is duidelijk. Ook de vervulling van de profetie van Jesaja, van bevrijding, zal eerder bij de mensen buiten Israël aanslaan dan bij zijn eigen mensen.

Heeft Jezus dat werkelijk zo gezegd, of is dat achteraf door de evangelist hem in de mond gelegd? Toen het inderdaad zo liep?

Hoe dan ook, in de weergave van het Lucasevangelie is dit een structurerend element. Aan het begin van Jezus’ optreden wordt al duidelijk, dat hij niet gekomen is om zoete broodjes te bakken. Aan het begin wordt al duidelijk dat hij tegenstand oproept en op moet roepen – Simeon in de tempel wist het al – dat de tegenstand die hem straks zijn leven zal kosten, zich hier al begint te vormen. De schaduw van het kruis tekent zich al af.
De synagogegangers ontsteken in woede, drijven Jezus de stad uit en dreigen hem van een afgrond te storten. Maar het is daarvoor nog te vroeg. Rustig loopt hij tussen hen door en vervolgt zijn weg. Voorlopig.

Momenteel probeer ik mijn dagen te beginnen met een korte tekst van Diettrich Bonhoeffer. Ook dominees hebben hun dagboekjes.
Van hem las ik onlangs de volgende woorden:

“Als ik bepaal waar God moet zijn, dan zal ik daar altijd een God vinden die in zekere zin op mij lijkt, mij bevalt, bij mijn wezen past. Maar als God zegt waar Hij zijn wil, dan zal het waarschijnlijk op een plaats zijn die op het eerste gezicht helemaal niet bij mijn wezen past en mij helemaal niet bevalt. Die plaats is het kruis van Christus. En wie Hem daar wil vinden, moet mee onder dit kruis, gelijk de Bergrede eist”.

Dat zijn strenge woorden. Maar ze geven te denken.
Wie in het spoor van Jezus wil gaan, ontkomt er niet aan soms te zeggen wat gezegd moet worden, ook al maak je je daar niet populair mee. De kerk hoeft zich niet te verbazen als ze tegenspraak oproept en weerstand. Als ze dat niet zou doen, dan zou dat pas verbazingwekkend zijn. En … verontrustend.

AMEN


Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter