Preken

Way of life, bij Joh. 14: 6 (en Ex. 19)

Ooit zag ik een cartoon. Een klein kind klopt aan bij een gigantische kerkdeur. De koster doet aarzelend open. Vraagt het kind: Is God ook thuis?

Daar kun je om glimlachen. Zo denken kinderen. Een kind denkt dat God in de kerk woont.
Als je een beetje gemeen wilt zijn, kun je er ook een wrange kant aan zien. Want is de kerk niet vaak een plek waar je God zou verwachten, maar hem juist NIET vindt. Er zijn heel wat mensen die rondlopen vol wrok, teleurstelling of erger, als het gaat om de kerk. In een boek over Simone Weil, iemand die een mystieke vorm van geloof aanhing, las ik dat zij “om religieuze redenen buitenkerkelijk bleef” – daar valt iets voor te zeggen.

Is God ook thuis?
God woont in een donkere wolk, horen we in het Exodusverhaal. Als God zich meldt, dan begint het te donderen en te bliksemen en klinkt er het geluid van een geweldige ramshoorn. Wie hem wil zien, zal het leven verliezen (vers 21). Geen mens kan God zien. Alleen Mozes mag een beetje in de buurt komen.

Het is zo’n oud verhaal, waarin de verschijning van god of de goden gepaard gaat met huiveringwekkende verschijnselen. Als om te onderstrepen hoe machtig god is en hoe nietig de mens. In die zin past het in het godsdiensthistorisch genre.
Maar als je wat nauwkeuriger kijkt, zitten er barstjes in dat verhaal. Want dit soort krachtpatserij, past eigenlijk niet zo goed bij de God van Israël. Hij is er dan op den duur ook mee opgehouden. Dat is de ontwikkeling die je al in het eerste testament kunt zien. Op een bepaalde manier zit dat ook al in het verhaal van Exodus. Kijk maar, hoe Mozes zich niet laat imponeren, hoe hij, als het nodig is, God tegenspreekt, hoe hij op andere momenten vertrouwelijk met de Heer omgaat.

Is God ook thuis? Waar woont de Eeuwige?
Ondanks de indrukwekkende natuurverschijnselen, fascinerend en angstaanjagend, is de verbondsgod vooral één van de vertrouwelijke omgang. ‘Ik zal er zijn voor jou’, is immers zijn naam, zo heeft hij ooit Mozes als eerste toevertrouwd. Hij overtuigt meer in de stilte dan in het bulderend natuurgeweld. Zoals een leraar met rustige stem meer gezag heeft dan iemand die voortdurend schreeuwend met strafwerk dreigt.
Niet in de storm, niet in de aardbeving,  niet in het vuur, maar in het gefluister van een zachte bries, daar is God (I Kon. 19). God in het mystieke zwijgen?
Van Simone Weil is de volgende uitspraak:
“Onze ziel maakt altijd lawaai. Maar diep in haar kern is er een punt dat totale, onbereikbare stilte is. Als de stilte van God binnendringt in onze ziel, en er de stilte vervoegt die in haar geheime diepte reeds aanwezig is, dan hebben wij voortaan in God ons hart en onze schat”

Waar is God? Waar worden we hem gewaar?
Jezus zegt: Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.
Ook dat hebben we vandaag gehoord. Een krachtig statement. Het is feitelijk de spreekregel geworden in het christelijk geloof. Als een christen over God spreekt, dan nooit buiten Christus om. Dat is vrij principieel. Het betekent dat we ons niet moeten verliezen in allerlei theologische of filosofische bespiegelingen, over god of het godsbegrip of over godsdienstwetenschappelijke concepten. Als je het over God – de eeuwig Ongeziene – hebt, dan altijd in het licht dat door het prisma van Jezus is gevallen. In wie Jezus is, zien wij God in het hart. In zijn woord, zijn leven, zijn weg, komen we God op het spoor. God is, zoals Jezus het ons heeft voorgedaan, liefde delend tot het einde, tot voorbij het einde, liefde, leven eindeloos.

Wat of wie God is, wordt zichtbaar, tastbaar, wordt ervaring, geleefd leven, als mensen leven in het spoor van Jezus messias. In de lange redevoeringen in het Johannesevangelie, spreekt Jezus over de tijd dat hij niet meer lijfelijk bij zijn leerlingen zal zijn. Hij bereidt hen, de kerk, voor op het leven in zijn Geest. Hij zegt dan: Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Woorden die in onze vertaling klinken als een slogan. Het heeft alles van een goede reclameleus: de drieslag, de alliteratie en de cadans. Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Nu zit het een beetje in onze taal ingebakken, om hierin drie begrippen te horen (dé weg, dé waarheid, hét leven), maar in het bijbelse taalveld zijn het vooral woorden die beweging en dynamiek uitdrukken.

Als de weg een statisch begrip is, dan is het niet meer dan een streep op een kaart tussen A en B. Heel vaak verwarren wij de kaart met het gebied. Op die manier kan zelfs het geloof een soort theoretische waarheid worden – als een kaart, waar alles precies op ingetekend en aangegeven staat, alles klopt, maar waar je niks aan hebt, als je er niet zelf op uittrekt.

Jezus zegt: Ik ben de weg. Dat is geen streep op een kaart, maar een pad dat je gáát.

Vaak is deze tekst gebruikt om mensen uit te sluiten. Er is maar één weg, en dat is Jezus, wisten wij dan, wij van de ware kerk, natuurlijk, niet die oplichters van hiernaast..
Maar Jezus sluit niet uit, nooit, hij nodigt juist uit. Ik ben de weg. En een weg is er om te gaan, om te volgen, om je eigen voetsporen op te plaatsen, om de richting voor je eigen pad te bepalen. En mijn weg is dan weer een andere dan jij moet gaan, of die ander. En soms, we zagen het in het fraaie beeld aan het begin, is die weg niet recht. Sterker, dat is hij bijna nooit. De meeste wegen in het leven zijn krom en bochtig en soms word je door het leven gedwongen om op je paden terug te keren, als je pad een doodlopende weg blijkt te zijn, en zo voort.

Jezus nodigt uit. Ik ben de weg. Mijn leven, mijn manier van leven, mijn liefde, mijn woorden, zij vormen de weg waarop je het ware leven vinden kunt. Op die weg woont God, trekt Hij met je mee – immers, Ik zal er zijn voor jou…

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter