Preken

Vroeger hielpen we elkaar, Luc. 10: 25-37

Als het verhaal van de barmhartige Samaritaan vandaag verteld zou worden, dan zou het heel anders gaan.

Twee weken geleden werd er een jongeman neergestoken in de Warmoesstraat in Amsterdam.
Overdag, tussen alle drukte van toeristen en bezoekers.
Meteen waren de hulpdiensten er om het slachtoffer te reanimeren, maar tevergeefs. Hij overleed aan zijn verwondingen.
Akelig bericht. Helaas gebeuren dit soort incidenten vaker, zeker in de grote stad. En twee weken later zijn we dat meestal al weer vergeten.
Maar wat de politie verbijsterde en wat tot ophef zorgde, was dat omstanders het hevig bloedende slachtoffer filmden met hun mobiel en de beelden deelden op social media.

De hedendaagse priester en leviet lopen niet met een boog om het slachtoffer heen, maar buigen zich over hem heen, om hem met hun mobieltje goed in beeld te krijgen.

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is overbekend. Je ziet het tafereel levendig voor je ogen. Dat is de eigen kracht van Jezus’ gelijkenissen. Daar is niets ingewikkelds aan. Als alle goede verhalen gaat het in drieën.
Het begint allemaal met die arme reiziger, die overvallen wordt en voor dood wordt achtergelaten.
De eerste die passeert is een priester, de tweede een leviet – allebei functionarissen van de tempel, vertegenwoordigers van de religieuze kaste. Bij de derde gebeurt het, want dat is een Samaritaan. En we weten allemaal, in het Israël van toen waren dat de tweederangs burgers. Zeg maar de Palestijnen van toen. En uitgerekend deze Samaritaan doet anders dan die andere twee. Hij doet het enige juist (het enig noodzakelijke). Hij laat zijn hart spreken, hij krijgt medelijden, springt van zijn ezel, gaat naar de gewonde man toe, verzorgt hem en tilt hem op en brengt hem naar de eerste beste gelegenheid waar hij verder verzorgd kan worden.

Het is een ogenschijnlijk eenvoudig verhaal. Het is niet moeilijk om te bedenken wie het goede heeft gedaan. Dat het uitgerekend die Samaritaan is, zal wat pijnlijk zijn geweest voor de omstanders die dit verhaal van Jezus voor het eerst hoorden, vooral voor de wetgeleerde die deze gelijkenis heeft uitgelokt. Met zijn vraag is het allemaal begonnen. Eerst is er nog een tamelijk onschuldig gesprekje, een theologisch debat over hoe je deel kunt krijgen aan het eeuwige leven. De wetgeleerde wijst goed Joods op het dubbelgebod, God liefhebben en de naaste als uzelf. Deze twee…
Maar dan vraagt de wetgeleerde door. Wie is mijn naaste?
Hij vraagt niet: Wie is God? Dat wordt kennelijk als bekend verondersteld?
Hoe dan ook, wie is mijn naaste? En hij vraagt het, staat er dan bij, omdat hij zich wil rechtvaardigen. Wat betekent dat? Dat hij zich er uit wil draaien, door Jezus te proberen tot een onmogelijk antwoord te provoceren? Of wil hij gewoon meer duidelijkheid en is er van boze opzet geen sprake?
Hoe dan ook, zijn vraag doet Jezus antwoorden, zoals hij eigenlijk altijd doet, met een verhaal. Niet met een redenering, maar met een verhaal, een menselijk verhaal.

Dat verhaal kennen we. De uitkomst is dat degene van wie je het het minst had verwacht, doet wat gedaan moet worden. Die andere twee lopen er met een boog omheen.
Waarom doen zij dat, en waarom doet de Samaritaan het anders?
Het mooie van de gelijkenissen van Jezus en van Bijbelverhalen in het algemeen is, dat je op die vraag geen antwoord krijgt. De bedoeling is dat je daar zelf over na gaat denken.
De Bijbel psychologiseert niet. Wat er in de priester en in de leviet omgaat, we weten het niet. Je kunt je daar van alles bij voorstellen. Zeker als je je zelf kent.
De afweging, als ik die man help, loop ik zelf dan niet gevaar? Wie weet zijn die overvallers nog in de buurt…
De gedachte, wat kan ik voor hem doen, ik heb geen BHV of EHBO. Er komt straks vast wel iemand die hem beter kan helpen…
De aarzeling, als ik daar op af ga, dan komt er van alles los, 112 moet gebeld, de politie gaat mij als getuige ondervragen, een hoop gedoe, en ik heb nog zoveel te doen, daar heb ik geen tijd voor, ik bemoei me er niet mee, het zal zich wel oplossen en zo niet, dan is er toch niets meer aan te doen…

Vroeger werd mij uitgelegd dat die priester en leviet met een boog om het slachtoffer heen gingen, omdat zij zich niet wilden verontreinigen voor de tempeldienst. Maar ook dat staat niet in de tekst. Dan daarbij, zij kwamen net als de arme reiziger uit Jeruzalem (ze daalden af, staat er letterlijk) en dan zat hun dienst er blijkbaar op voor die dag. Als je uit de kerk kómt, zou je toch beter moeten weten…

Wat wel in het verhaal wordt verteld, is dat de Samaritaan ‘medelijden’ krijgt, met ontferming bewogen, er wordt in de tekst een krachtige uitdrukking gebruikt, om het contrast des te meer aan te zetten.
Waarom hij wel en die anderen niet?
Of hebben de priester en leviet, als je het hun zou kunnen vragen, ook best wel medelijden met die arme man, maar komen ze er om een of andere reden niet toe om hem te helpen.
Waarom ontfermt de een zich over een ander, een medemens, een familielid in nood, een buurman of buurvrouw die eenzaam is, waarom koopt de een een straatkrant van de dakloze verkoper en loopt de ander aan de andere kant voorbij, zorgvuldig oogcontact vermijdend. Waarom doe ik de ene keer het ene, en de andere keer het andere?

Onlangs kwamen mijn vrouw en ik ’s avonds van Groningen, staat er langs de A-28 ter hoogte van het Noord Willemskanaal een auto in de berm met knipperende lichten. Ik raas voorbij. Zegt Annette, vroeger hielpen we elkaar… Zeg ik, maar die man staat er naast met zijn mobieltje te bellen, die heeft al lang hulp geregeld…

Is het een kwestie van karakter? De één is eerder ingesteld om een ander te helpen dan de ander.
Is het omdat onze samenleving veranderd is?
Vroeger hielpen we elkaar, nu moet iedereen zich zelf maar redden?
Maar als de samenleving veranderd is, dan zijn wij dat ook.

Een intrigerend aspect van dit overbekende verhaal is de wedervraag die Jezus aan het slot aan de wetgeleerde stelt: wie van deze drie (priester, leviet of Samaritaan) is de naaste geworden van het slachtoffer?

Merkt u het, dat Jezus de vraag van het begin heeft omgekeerd. De vraag waarmee het begint is: ‘wie is mijn naaste?’, maar dat is nu omgedraaid: ‘wie is de naaste geworden?’.

Dat is een belangrijk verschil. De vraag van de wetgeleerde gaat er van uit dat de naaste een ander is. De naaste is een object. Object, voorwerp, van mijn zorg, mijn tijd, mijn aandacht, mijn liefde. En dat heb je natuurlijk niet in overvloed, daar moet je zuinig mee omgaan, vandaar dus, de vanuit zijn standpunt terechte vraag, wie is mijn naaste? Alsof het erom gaat dat objectief te bepalen, te begrenzen, te definiëren.
Maar zo blijft de naaste iets buiten mij. Ik kan de afstand daartoe regelen, al naar gelang het mij uitkomt. Dat is het zelfrechtvaardigende in zijn vraag, in elke vraag die uitgaat van de naaste als object.

Jezus keert het om. De naaste word subject, onderwerp. Jij bent een naaste. De naaste is niet de ander, de naaste ben jij, kun jij zijn. Word jij een naaste voor wie jij op jouw weg vindt? Ben jij een naaste voor wie, heel concreet, een gezicht voor jou krijgt, een vraag voor jou wordt, een appèl op jou doet?

De naaste, dat is niet de hele wereld op je nek. Dat is teveel gevraagd, maar dat is ook niet aan de orde. Dat is een theoretisch verhaal, om het op afstand te houden, om je zelf te rechtvaardigen: ‘Ik kan de armoede in de wereld toch niet oplossen’; ‘wij kunnen toch niet alle vluchtelingen opvangen’; en als er geen beginnen aan is, dan is dat de rechtvaardiging om er maar helemaal niet aan te beginnen.

Maar de omgekeerde vraag van Jezus, snijdt dat soort redeneringen de pas af. De naaste is niet de wereld op je nek, maar het is de vraag naar jou zelf. De naaste dat is altijd heel concreet, dat ben ik, voor de mens op je weg, degene die op je pad komt, ongevraagd, onverwacht, ongenodigd, maar waar je niet meer om heen kunt.

Voor wie ben jij een naaste? Dat is de vraag waarmee Jezus de wetgeleerde terug stuurt, het leven in. Dat maakt het ongemakkelijk, maar bij het geloof hoort nu eenmaal een permanent ongemak. Omdat je altijd zelf in het geding bent.

Vorig bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter