Preken

Van je familie moet je het hebben, Genesis 50, 12 – 21

Van je familie moet je het hebben.
U kent allemaal die zin, maar het maakt nogal uit hoe die wordt uitgesproken en hoe die klinkt.
Ik hoor het dikwijls zeggen op een toon, nou dan weet je het wel. Je hoort de teleurstelling erin door klinken, de verbittering soms. Mensen die zich in de steek gelaten voelen, terecht of niet, door juist hun familie, hun naasten.
Als u mot hebt in de familie, denk dan niet dat je de enige bent. Is misschien een schrale troost, maar het komt vaker wel dan niet voor, is mijn ervaring. Of klink ik nu ook verbitterd?

Van je familie moet je het hebben.
Gelukkig kan het ook oprecht en dankbaar klinken. Ook dat gebeurt. Mensen die juist bij de familie, in het gezin, bij je meest nabije verwanten, warmte vinden, steun, troost en nabijheid.
In het afgelopen jaar hebben velen van hen die hier vandaag gekomen zijn, dat ieder op een eigen manier ervaren. Misschien wel beide kanten van het verhaal.
Van je familie, moet je het hebben.

In de afgelopen weken hebben wij hier in de kerk gelezen uit de verhalen van Jakob en met name Jozef. Jozef en zijn broers. Dat gaan we nu niet allemaal herhalen, maar ik wil er toch wat van zeggen, juist ook bij de gelegenheid van deze zondag.
Want die uitspraak past helemaal bij het bijzondere verhaal van Jozef en zijn broers, van de broers en hun vader, Jakob. Van je familie moet je het hebben.

Voor mensen die het gemist hebben, even in kort bestek:
Jozef is het jongste broertje, maar hij wordt door zijn vader Jakob zwaar voorgetrokken. Natuurlijk zijn de andere broers jaloers.
Jozef maakt het met zijn verwaandheid alleen maar erger. Hij droomt dat alle broers zich voor hem zullen buigen. Nu zijn de broers niet alleen jaloers, maar ook nog eens pislink op die kleine fantast die ze van grootheidswaanzin verdenken.

Als ze de kans krijgen, nemen ze Jozef te grazen. Ze gooien hem in een put en verscheuren zijn mooie mantel.
Jozef wordt verkocht aan slavenhandelaren. Zo komt hij in Egypte terecht. Daar werkt hij zich op. Omdat hij goed dromen kan uitleggen, komt hij zelfs aan het hof van de Farao terecht. Jozef legt uit van de zeven vette en de zeven magere jaren. Hij mag zelf, als onderkoning, zorgen dat er maatregelen genomen worden om de crisis van de magere jaren door te komen.

Als dan overal in de wereld honger is, komen de broers uit Kanaän naar Egypte om graan te kopen. Ze kloppen bij Jozef aan, maar herkennen hem niet. Jozef wel, maar hij maakt zich nog niet bekend. Want, en dat is de clou, eerst leert hij de broers een lesje.
Eerst moet één van hen achterblijven, totdat de anderen terugkeren met de jongste, de Benjamin, die nog bij vader Jakob is.
Als dat gebeurt, stopt Jozef stiekem niet alleen graan in hun zakken, maar ook een kostbare zilveren beker. Die wordt gevonden door de soldaten, nota bene in de bagage van Benjamin. Voor straf moet hij als slaaf achterblijven.

Maar dan treden de broers gezamenlijk op. Eén voor allen en allen voor één. Juda stelt zich persoonlijk borg voor de jongste.
Als Jozef de bewijzen ziet van hun verandering, hun bekering zou je misschien kunnen zeggen, barst hij in tranen uit en maakt hij zich als hun broer bekend.

Waarom die omweg? Hij had zich toch meteen kunnen bekendmaken, de familie herenigd, eind goed al goed?
Maar dat is nu precies de clou. De omweg is nodig om echt verder te komen. Zoals het zo vaak is in het leven.

sacksIn een interessante beschouwing over dit verhaal zegt rabbi Jonathan Sacks in zijn pas verschenen boek Niet in Gods naam, het volgende: ‘Geen beproeving kan zo je leven veranderen als de ontdekking dat je ineens aan de andere kant staat. In essentie is dat waar Jozef zijn broers hier toe dwingt’ en hij noemt dat ‘de moreel transformerende beproeving van rolomkering’.
Ze verdachten Jozef van grootheidswaanzin, nu voelen ze wat het is om zelf onder verdenking te staan.
Ze wilden hem als slaaf verkopen, nu zien ze zelf de slavernij onder ogen.
Ze hebben hun vader Jakob het verlies van een zoon aangedaan. Nu moeten ze dat verdriet onder ogen zien, buiten hun schuld om.
Ze hebben hun broer Jozef behandeld als een vreemde, nu moeten ze ontdekken dat de vreemde Egyptische heerser die zo’n wonderlijk spel met hen speelt, in werkelijkheid hun broer is.

Het is niet zo dat Jozef wraak neemt. Hij laat hen een louterende, transformerende ervaring ondergaan. En de broers bewijzen, door hun gedrag, door hun veranderde opstelling en houding, dat zij hebben geleerd. Al die jaren drukte het schuldgevoel om wat ze met Jozef hadden gedaan zwaar op hun hart. Al die jaren droegen ze een geheim mee tegenover hun vader over de ware toedracht, waar ze nooit open over konden zijn. Het is ook een opluchting, als alles uit komt en uiteindelijk goed komt.

Vader Jakob wordt met de rest van de familie overgebracht. Gezinshereniging.
Alles in harmonie.
Totdat het moment komt, dat de oude Jakob sterft. Zijn zonen bezorgen hem een goede begrafenis, hij wordt naar zijn thuisland overgebracht.
Terug zijn ze opeens weer bang. Zal Jozef zich alsnog wreken, nu vader er niet meer is?
Als Jozef dat hoort, is hij opnieuw ontroerd. Voor de derde maal in het lange verhaal barst hij in tranen uit. En hij zegt:
‘Ben je mal. Wat denk je wel niet. “Wees maar niet bang” – die echt bijbelse oproep. Wees niet bevreesd…
Jullie hadden weliswaar kwaad in de zin, maar God heeft dat ten goede gekeerd…’
Dat is Jozefs troost. En daarmee eindigt het verhaal.

God heeft het ten goede gekeerd.
Kunnen wij dat ten slotte ook zeggen, is dat de slotconclusie, van ons verhaal, van ons leven?

Dat gaat wat al te snel. Maar misschien wijst het ons wel in een bepaalde richting.

Eén van de opvallende aspecten van de Bijbelverhalen over Jozef en zijn broers is dat het zo’n oprecht menselijk verhaal is. De spanningen en emoties tussen de broers, binnen het gezin, tussen de verwanten, ze zijn eigenlijk van alle tijden. Van je familie moet je het hebben.
Het hele verhaal, met al zijn wendingen, is een verhaal van mensen en van menselijke omgang.
Een actueel verhaal, over slavernij, over vreemdelingschap, over jaloezie, – ieder herkent iets van zichzelf in de veelkleurigheid van het verhaal, van Jozefs mantel.
De troost van dit verhaal is dan, dat menselijke verhoudingen niet voor altijd vastliggen, maar dat we kunnen veranderen, kunnen groeien in relatie tot elkaar. Dat is de menselijke vrijheid. We kunnen veranderen, we kunnen onszelf bevrijden van de gewelddadige dynamiek van wraak en vergelding, van haat en nijd.
Het ene zowel als het andere, is mensenwerk.
De eerdergenoemde rabbijn Jonathan Sacks zegt daarover: “Vrijheid gaat ook over de mogelijkheid om onze opvatting van het verleden zelf vorm te geven en voor een deel de pijnlijke erfenis daaruit te helen. De toekomst wordt niet gedicteerd door het verleden” (p. 186).

Tot slot.
In andere verhalen speelt God soms de hoofdrol, grijpt hij in, geeft hij aanwijzingen of spreekt hij bij monde van boodschappers – profeten. Hier niet.
God komt alleen in het verhaal voor doordat mensen, zoals Jozef, hem ter sprake brengen. Zo is het immers. Alle spreken van boven komt van beneden.
Geloven is mensenwerk.
Maar het is wel het mooiste en hoogste wat een mens kan doen. Waarin onze menselijkheid een eigen vervulling vindt.

‘God heeft het ten goede gekeerd’.
God, dat vreemde en ongrijpbare woord, wordt zichtbaar, tastbaar, ervaarbaar, als mensen elkaar terugvinden, als wij verzoening leren en niet de haat prediken, als wij durven te geloven dat ‘de toekomst niet wordt gedicteerd door het verleden’, als we vertrouwen dat het leven altijd overwint.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter