Blog

Stille Week met Rilke donderdag

In deze Stille Week geef ik iedere dag een gedicht van Rainer Maria Rilke door, uit zijn bundel Nieuwe Gedichten, in de vertaling van Peter Versteegen.

De Olijvenhof

Hij liep omhoog onder het grauwe loof,
zelf grauw, opgaand in ’t land van de olijven,
waarna hij zijn met stof bedekte hoofd
in zijn bestofte, hete handen vlijde.

Na alles dit nog. En dit was het einde.
Nu moet ik gaan, terwijl ik word verblind;
en waarom wilt Gij dat ‘ik U als de Zijnde
verkondig als ik zelf U niet meer vind.

Ik vind U niet meer. Niet in mij, o neen.
Ook in geen ander. Niet in deze steen.
Ik vind U nergens meer. Ik ben alleen.

Ik ben alleen met al het leed der mensen
dat ik door U te lenigen mij wenst,
Gij die niet zijt. O schaamte zonder naam…

Men zegt dat toen een engel is gekomen -.

Waarom een engel? ’t Was de nacht die kwam
en die verstrooid bladerde door de bomen.
Discipelen roerden zich in hun dromen.
Waarom een engel? ’t Was de nacht die kwam.

De nacht die kwam was geen buitengemene;
zo zijn er vele gepasseerd.
Er slapen honden en er liggen stenen.
Een droeve nacht, gewoon een van degene
die wachten tot het daglicht wederkeert.

Want zulk gebed lokt engelen niet aan
en zulk gebed maakt ook de nacht niet groot.
Wie zich verliezen: alles laat hen gaan,
ze hebben voor de vader afgedaan
en zijn verstoten uit de moederschoot.


Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter