Preken

Stem en tegenstem, Exodus 9: 13 – 35

We lezen in deze periode uit het boek Exodus.
Dat boek gaat over de uittocht. Het volk Israël was slaaf in Egypte. Maar God maakt zich bekend aan Mozes. Hij heeft de ellende van zijn volk gezien en hun jammerklachten gehoord. Hij gaat zijn volk bevrijden en Mozes moet het volk leiden. God geeft hem de opdracht om naar de farao te gaan, om te vragen om het volk te laten gaan.

Deze overdenking kun je ook op film bekijken.

De farao heeft daar natuurlijk geen zin in, dus die weigert.
Dan gaat het verhaal, dat Egypte en de farao worden getroffen door tien plagen.
De ene na de andere ellende komt op Egypte neer. En telkens is het refrein, dat de farao weigert, dat Mozes opnieuw zegt: laat mijn volk gaan, dat de volgende ramp wordt afgekondigd. Tien keer achter elkaar. Totdat farao uiteindelijk buigt, maar zover zijn we nog niet. Het is nog geen Pasen…

Vroeger vond je dat als kind misschien mooie verhalen. Zeker als meester of juf het beeldend kon vertellen. Maar vandaag voel je je er vast wat ongemakkelijker bij. Zeker in deze tijd. God als regisseur van een dodelijk virus?
Wat is dat voor God, die links en rechts de verschrikkelijkste plagen uitdeelt. Een straffende God? Ok, de farao wil niet luisteren, maar moet dat zo? En als God dan zo machtig is, dan had hij toch ook wel meteen het volk uit Egypte kunnen bevrijden?

Zulke vragen – en nog wel meer – komen op als je het verhaal al te letterlijk leest.
Daarom is het goed om een paar dingen aan te stippen, die helpen kunnen om de tien plagen te plaatsen.
Het allerbelangrijkste is, dat deze episode wordt verteld in het grote kader van de bevrijding. God – de Heer – maakt zich bekend als een god die de ellende van zijn volk heeft gezien en hun jammerklachten heeft gehoord, en die daar niet doof voor blijft. Hij heeft besloten zijn volk te bevrijden uit de slavernij. Daar is alles wat hier in deze hoofdstukken van Exodus wordt verteld op gericht. De moed van de vroedvrouwen Sifra en Pua, de wonderlijke geboorte en redding van Mozes, zijn roeping bij de brandende doornstruik, waar God zich bekend maakt – ik zal er zijn voor jou – naam als een belofte. Alles is gericht op de bevrijding. Ook de plagen.
Dat betekent dus, dat God hier niet een willekeurig straffende god is, die doet wat hij wil of wat hem in de zin komt. God is niet een grillig god. De plagen, de slagen, die Egypte worden toegebracht, dat is catechese aan den lijve. God straft niet, hij voedt ons op.

Nou ja, zal de farao er ook zo over denken.

Tien keer daalt een plaag over Egypte en de farao neer. Je kunt het ook zien als een symbolisch tegenbeeld van de tien scheppingswoorden in Genesis. Er zijn allerlei overeenkomsten tussen beide boeken, en dit is daar een voorbeeld van. De tien plagen als een soort anti-schepping, als een liturgie over het verschil van dag en nacht, tussen duisternis en licht, goed en kwaad. Scheppen is scheiden. Dát gebeurt ook hier. Egypte en Israël worden gescheiden. Het angstland, het land van de beklemming, daar moet je vandaan. God leidt je in de ruimte, naar het beloofde land…

Dat het liturgie is, kun je heel mooi zien in het gedeelte van deze zondag. De Heer zei tegen Mozes, ‘wacht de farao morgen in alle vroegte op en zeg tegen hem: “Dit zegt de Heer, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te vereren.
Dit keer treft ik uzelf, uw hovelingen en uw volk met mijn zwaarste plaag, dan zult u beseffen dat er op de hele aarde niemand is als ik.
(ik had je al lang kunnen wegvagen) Maar ik heb u alleen in leven gelaten om u mijn macht te tonen en iedereen op aarde te laten weten wie ik ben…

Het gaat om de rechte eredienst. Het volk moet de woestijn in, om de Heer offers te brengen.
Het is allemaal uiteindelijk een geding om het recht wie Israëls God mag heten.

Die achtergrond moet je er steeds bij bedenken. Dan gaan je andere dingen opvallen in deze verhalen over de tien plagen.
Dat er een bepaalde, symbolische, structuur in zit.
Dat er gaandeweg subtiele veranderingen optreden.
Dat er een opbouw in; er is ook een ontwikkeling in de reactie van de farao. Na de hagelplaag begint er iets bij de farao te wringen.
“Toen ontbood de farao Mozes en Aäron ( zo zijn nog wel de verhoudingen – Mozes moet farao ’s ochtends opwachten – de farao ontbiedt Mozes en zijn broer Aäron) en hij zei: ‘Ditmaal erken ik dat ik gezondigd heb. De Heer staat in zijn recht, de schuld ligt bij mij en mijn volk”.
Het is de eerste keer dat farao schuld belijdt!
En dan zegt hij, heel verrassend, Bid tot de Heer dat hij een eind maakt aan die vreselijke donder en hagel. Dan laat ik jullie gaan.
De farao stelt nog wel voorwaarden aan zijn belofte – een belofte die hij trouwens straks weer vergeten is, want aan het eind van dit gedeelte lezen we: Hij viel terug in zijn zondige houding, lezen we dan.
Zijn weigering is een zonde geworden.
Als je weet dat het verkeerd is en dat je het dan toch doet, dat is immers, zonde?

Maar, en dat is belangrijk, Mozes heeft voor hem gebeden.
Ook dat wordt op een paar andere plaatsen in deze verhalen verteld. Mozes doet voorbede voor de farao. Daar zit iets groots in, daar schuilt een diepe spirituele wijsheid in.

Als dit het verhaal van bevrijding is – van de scheiding – die onontkoombaar is, dan raken Mozes en de farao, Israël en Egypte uiteindelijk gescheiden. Daar is het allemaal om te doen. Bevrijding is uittocht, weg uit het Angstland.
Maar in en door de voorbede blijven ze in relatie.
De wijsheid die daarin schuilt is het besef, dat de één er is ten behoeve van de ander. Mozes voor Egypte. Israël voor de wereld. Wij voor elkaar.
Om het naar de vraag van het begin terug te buigen. God is niet in het virus. God gebeurt daar waar mensen voor elkaar instaan, elkaar helpen en nabij zijn, voor elkaar bidden in de ruimste zin van het woord. Gods naam wordt daar immers waar gemaakt, Ik zal er zijn voor jou…

Want bevrijding is niet alleen het verhaal van de bevrijding van de onderdrukten, maar uiteindelijk ook de bevrijding van de onderdrukkers, die gevangen zitten in hun eigen dwangmatige machtsstructuren.
‘Heb je vijanden lief, en bid voor wie jullie vervolgen’, leert Jezus in de Bergrede (Mat. 5: 44).
Misschien is de voorbede wel de reden van bestaan voor de kerk?
Dat wij bidden voor elkaar, bidden voor de wereld…Het gaat in deze oerverhalen van bevrijding, zoals het gaat in het verhaal van ons leven, om Gods goede schepping, om de scheiding tussen goed en kwaad, licht en duister.
Maar voorbij de scheiding, de noodzakelijke scheiding, wenkt het perspectief van de verzoening.

Met een paar regels van Willem Barnard, uit lied 993, wil ik daarom eindigen:
Israël, Egypte,
stem en tegenstem,
hoogtepunt en diepte –
alles zegent Hem,

want Hij zal verzoenen
wat vijandig is,
nieuwe namen noemen
voor een oud gemis.

Kerk en wereld samen,
vasteland en zee,
worden ja en amen,
ja uit ja en nee.


Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter