Boeken

Søren Kierkegaard, De ziekte tot de dood

In de prachtige serie Kierkegaard Werken is onlangs De ziekte tot de dood opnieuw verschenen. Het is de herziene uitgave van de vertaling die Karl Verstrynge en Frits Florin ook al in 2010 publiceerden, gebaseerd op de wetenschappelijke uitgave van Kierkegaards geschriften in het Deens.

De ziekte tot de dood is de laatste van de werken die Kierkegaard onder pseudoniem schreef (Anti-Climacus). Op het titelblad van de oorspronkelijke uitgave van 1849 liet hij wel zijn eigen naam als uitgever opnemen. Signaal dat we hier met een boek te maken hebben waarin de persoonlijke opvatting van de Kopenhaagse filosoof sterk doorklinkt. Tegelijk met dit filosofische boek liet hij Oefening in christendom verschijnen. Beide boeken rekende hij zelf tot “de meest waardevolle geschriften” van zijn hand. De kritiek op de gevestigde kerkelijkheid en het conventionele christendom in Oefening in christendom vormt de theologische pendant van de filosofische analyse van de vertwijfeling in De ziekte tot de dood. Het gaat Kierkegaard om een authentieke beleving van het mens zijn. Die is volgens hem uiteindelijk te vinden in de erkenning dat de mens bestaat ‘ten overstaan van God’.

In De ziekte tot de dood wordt dit uitgelegd aan de hand van het begrip vertwijfeling. Vertwijfeld is de mens die zichzelf niet op de juiste manier begrijpt. Notoir moeilijk is de openingsparagraaf van het boek, waarin Kierkegaard zijn analytisch begrippenapparaat als het ware uitstalt. “De mens is geest. Maar wat is geest? Geest is het zelf. Maar wat is het zelf? Het zelf is een verhouding die zich tot zichzelf verhoudt, of is in de verhouding het feit dat de verhouding zich tot zichzelf verhoudt. Het zelf is niet de verhouding, maar dat de verhouding zich tot zichzelf verhoudt” (p. 25). Doorlezen loont de moeite.
Voor Kierkegaard is de mens een samengesteld wezen, een synthese van eindigheid en oneindigheid, van vrijheid en noodzaak enzovoort. Deze beide polen worden samengehouden in wat hij een zelf noemt, of de verhouding. Maar dit zelf moet zich vervolgens ervan bewust worden dat het zelf, als verhouding, gesteld is. Vertwijfeling komt voort uit gebrek aan dit inzicht.
Kierkegaard beschrijft als een fenomenoloog avant la lettre de verschillende vormen waarin de vertwijfeling zich uit. De vertwijfeling is opgeheven als het zelf dat zich tot zichzelf verhoudt en zichzelf wil zijn het zelf “op een doorzichtige wijze zijn grond (vindt) in de macht die het stelde”, schrijft hij meteen aan het begin (p. 27). Deze macht wordt later aangeduid als God.

De ziekte tot de dood (overigens luidt de ondertitel: Een christelijk psychologisch betoog tot opbouwing en opwekking) valt in twee delen uiteen. In het eerste vindt de filosofische analyse van de vertwijfeling plaats. Op een bijzondere manier loopt Kierkegaard hierin vooruit op inzichten van de later in de 19e eeuw ontstane wetenschap van de psychologie. Met zijn analyses is hij van invloed geweest op existentiefilosofen als Sartre en Camus. We vinden hier beschouwingen over de vertwijfeling van de fantast, die de feitelijkheid ontvlucht voor een onrealistisch ideaal; maar ook het omgekeerde, de vertwijfeling van de bekrompen ziel die niet verder durft te kijken dan wat voorhanden is (bij Kierkegaard respectievelijk de vertwijfeling van de oneindigheid en van de eindigheid). Zo fileert Kierkegaard allerlei vormen van vertwijfeling. Er zijn drie hoofdvormen: de vertwijfelde mens die niet weet dat hij vertwijfeld is. Wat niet weet, wat niet deert, zou je zeggen, maar feitelijk gaat het hier om de laagste graad van menselijkheid. Beter is het wanneer je besef hebt van de wanverhouding – de vertwijfeling die erin bestaat niet je zelf willen of kunnen zijn – want dan kun je er aan werken om je zelf te ontwikkelen. Het meest belovend is het als de mens tot het inzicht komt dat de diepste vertwijfeling de zonde is die “voor God vertwijfeld niet zichzelf wil zijn of voor God vertwijfeld zichzelf wil zijn” (p. 97), want dat is de eerste stap op weg naar genezing.
In het tweede deel wordt dit nader uitgewerkt. Het is dit – theologische – deel dat nogal wat filosofische lezers van Kierkegaard buikpijn bezorgt, maar dat is precies de “ergernis” die hij zelf al voorzien heeft, van de mens die niet waar wil hebben dat hij uiteindelijk mens voor God is en dat hij afhankelijk is van de “vergeving van de zonden” (p. 142) en van de “oneindige liefde van zijn zich ontfermende genade” (144). “Want de grootst mogelijke menselijke ellende, groter nog dan de zonde, is zich te ergeren aan Christus en in die ergernis te volharden” (ibid.).

Het maakt nogal wat uit hoe je Kierkegaard leest, filosofisch of theologisch. Beter is het beide invalshoeken tegelijk te honoreren, zoals Kierkegaard zelf ook poogde door naar eigen zeggen ‘met zijn linkerhand’ en ‘met zijn rechterhand’ te schrijven. De grote hermeneutische kunst is natuurlijk om dat allemaal dialectisch op elkaar te betrekken. Een operatie die altijd doorgaat en waar je, als je eenmaal met het Kierkegaardvirus bent behept, nooit van af raakt. Simpelweg omdat het nadenken over wat het betekent mens te zijn een nimmer eindigende zoektocht is.

De Deense dwarsdenker blijft daarvoor een inspiratiebron, niet in het minst vanwege de hartstochtelijke eerlijkheid die zijn filosofie typeert. Dat zijn werk tot op de dag van vandaag gelezen wordt, is voldoende bewijs voor zijn blijvende actualiteit.
De zorgvuldige manier waarop de Kierkegaard Werken worden uitgegeven en beschikbaar komen in ons taalgebied, inclusief het deskundig commentaar in het Nawoord van Karl Verstrynge en de uitgebreide verklarende noten van Paul Cruysberghs in dit deel, is daarom iets om dankbaar voor te zijn.

Søren Kierkegaard, De ziekte tot de dood, Damon Eindhoven 2018, 216 pag., isbn 9789463401265, €19,90

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter