Preken

sola gratia (500 Jaar Reformatie)

Zoals in de inleiding op deze viering gezegd, het gaat vandaag over 500 Jaar Reformatie, in dit weekend vooraf aan 31 oktober. En dan vooral over de geestelijke betekenis daarvan. Waarbij het natuurlijk ook gaat over wat wij daar vandaag nog (let op het woordje nog) mee kunnen of moeten…

Vorige week ging ik elders voor, en had ik ook een andere preek. Na afloop bij de deur zei iemand tegen mij: ‘bedankt voor het college’. Ik heb het nagevraagd, hij bedoelde het als compliment, maar ik was er wat ongelukkig mee.
Een preek is geen college, moet dat niet zijn tenminste. Ook al wordt er informatie gegeven, een preek wil mensen in het hart raken. We zullen zien…

We hebben niet voor niets twee gedeelten gelezen uit de brief aan de Romeinen. Want hier staan zinnen, die voor Luther van levensbelang zijn geworden. Kort gezegd: ‘de rechtvaardige zal leven door geloof’ (1: 17) en ‘iedereen wordt uit genade door God als een rechtvaardige aangenomen’ (3: 23).
Dat klinkt voor ons heel erg als kerktaal, Bijbeltaal. Rechtvaardig. Genade. Aangenomen worden. Maar Luther klonk dat als muziek in de oren.
Het gaat in het geloof niet om wat je allemaal moet weten en presteren en doen, de zogenaamde goede werken – daar was Luther mee opgegroeid; en hij leed eronder of hij wel genoeg deed, hard genoeg geloofde, trouw genoeg zijn gebeden opzegde enzovoort. Hij dacht voortdurend dat hij te min was in Gods ogen. Maar deze teksten uit de brief van Paulus hielpen hem om het helemaal andersom te zien. Het gaat niet om goede werken, om wat wij presteren, maar Gods liefde, zijn genade, gaat voorop. Daar moet alle nadruk op vallen. Je bent van meet af aan een kind van God, geliefd en gewild. Het enige wat jij, als mens moet doen, is dat in dankbaarheid te geloven en te aanvaarden, want alleen zo kun je het ook werkelijk laten gelden.

Dat is de ontdekking die Luther deed, toen hij deze teksten nieuw leerde lezen.
Geloven is geen prestatie, geen intellectuele krachttoer, en ook niet iets wat je pas kunt verwerven door allerlei goede dingen te doen – waar op zichzelf niks mis mee is. Maar het gaat om de goede volgorde. Geloven is allereerst aanvaarden dat je aanvaard bent. Vertrouwen dat jij leeft van Gods goedheid, zijn genade. Daar begint het mee. En al het andere komt daar achteraan.

Nu kun je je afvragen, waarom is dat zo’n ontdekking? Dat stond in Luther’s tijd toch ook al 1500 jaar in de Bijbel. Wat is daar nieuw aan?

Om dat te begrijpen moet je weten dat in die tijd de Bijbel een heel andere plek had in de kerk dan wij gewend zijn. Het ging in de kerk om de mis, de liturgie, om de heilige handelingen. De Bijbel, die was er alleen in het Latijn, de kerktaal. Die werd alleen gelezen, als dat al gebeurde, door de geestelijkheid en de geleerden.
Toen Luther monnik werd en dus ook bij die geestelijkheid ging horen, leerde hij de Bijbel eigenlijk pas goed kennen. Hij had een talenknobbel en een goed verstand, daarom stimuleerde zijn orde hem om door te leren, in de Bijbelvakken. Hij werd jong professor op de nieuwe universiteit van Wittenberg, een provinciestadje, maar met een vorst die ambities had, dus daarom zijn eigen universiteit oprichtte. Zo’n jonge, energieke professor paste daar goed. Luther ging toen pas de Bijbelse teksten goed lezen, en ontdekte dus ook dat daarin heel andere dingen stonden dan de kerk en de traditie vaak leerde.

Nou goed, dat is een heel verhaal, wat belangrijk is dat voor Luther de Schrift – de Bijbel – belangrijk wordt als bron van het geloof. Die Bijbel moet iedereen kunnen lezen, dus vertaalde hij de bijbel in het Duits, zoals in die tijd overal bijbelvertalingen ontstonden. De Bijbel is niet het boek van de kerk, of van de geestelijkheid, maar van het gewone volk. En in de kerk moet stevig gepreekt worden. Want geloven leer je door het te horen, steeds maar weer. De goede boodschap van het evangelie, dat God jou liefheeft en genadig is; dat je aanvaard bent, ook al blijf je een mens van vlees en bloed, moet je steeds weer opnieuw horen. Het moet je aangezegd worden. Je bent, zo zegt Luther dat, tegelijk gerechtvaardigd en toch ook altijd een zondaar.

Die belangrijke slogans van de Reformatie komen daar vandaan.
Sola scriptura, alleen de Schrift – en niet alle heiligenlevens en legenden en vrome vertellingen die er in de loop van de tijd bijgekomen zijn
Sola gratia, alleen de genade – en niet dat hele bouwwerk van goede werken en verdienbare verdiensten en die koehandel met de aflaten en zo voort
Sola fide, alleen door geloof – dat is het enige dat je hoeft te doen, geloven, vertrouwen, dat wat in de Schrift wordt verkondigd waar is, ook voor jou: iedereen wordt uit genade door God aangenomen die gelooft dat Hij ons in Jezus Christus heeft verlost.

Die ontdekking deed Luther niet als enige en niet als eerste, maar door allerlei factoren werd de hervormingsbeweging die hij op gang bracht, een revolutionair succes. Vandaar 1517 als begin van de Reformatie, die sindsdien de geschiedenis van ons deel van Europa heeft gekleurd, die gezorgd heeft voor een protestantse stroming los van de katholieke moederkerk. En protestanten, zoals wij, die zijn er in soorten en maten – in bonte verscheidenheid. Maar die nadruk op de Bijbel en de preek; die nadruk op de individuele geloofsbeslissing; die speelt nog steeds mee. Hoe meer je je in de geschiedenis verdiept, hoe beter je jezelf leert begrijpen.

Maar nu moet het beslissende aan de orde komen.
Want wat hebben wij daar vandaag de dag nog aan? Of wat hebben wij daar nog mee?
De wereld van 2017 is toch totaal anders dan Luther’s wereld van 1517.

Je kunt een hele boom opzetten over de actualiteit van de Reformatie.
Ik ben geen profeet en voor ons allemaal is de toekomst ongewis. Maar ik heb zo het idee dat die Schrift – de oude Bijbel – nog wel een tijdje meegaat. Sola Scriptura. Het grote verhalenboek van God en de mensen heeft in alle tijden en culturen mensen geïnspireerd, getroost, bemoedigd, richting gegeven, en dat blijft ze doen.
En ook het geloof, sola fide, ook dat gaat door. Natuurlijk anders, want niets blijft hetzelfde, maar bij alle veranderingen in het kerkelijk leven en in de cultuur, merk je hoe belangrijk het is dat mensen ergens in kunnen geloven, dat je houvast en oriëntatie vindt, dat je ruimte hebt en neemt om bezig te zijn met de dingen die er echt toe doen. Er is veel meer geloof, ook buiten de kerk en de traditie, dat merk je in gesprek met mensen, met je eigen kinderen. Verlangen naar geloof, misschien wel.
Maar wat misschien nog wel het belangrijkste van die drie is voor onze tijd, sola gratia.
En dan zijn we weer terug bij de kern van Luther’s ontdekking.

Beseffen we wel hoe bevrijdend dat is?
Genade is een oud woord, maar we kunnen het niet missen. Wij zuchten niet meer onder het machtsinstituut van een kerk, maar we hebben ons uitgeleverd aan andere machten. Machten die we zelf hebben gecreëerd, en die ons een vergelijkbare druk op leggen, om te presteren, om jezelf op te poetsen, om je te laten gelden. De druk die je ervaart om te voldoen aan de normen, om jezelf telkens te verbeteren, op je werk, perfectiedrang – zelfs het sporten als ontspanning wordt soms een verbeten bezig zijn om je maar te verbeteren. Het gevoel het nooit goed genoeg te doen, de combinatie van zorg en werk, alle ballen in de lucht. Nou u weet het zelf wel. We zijn vaak ongenadig voor elkaar en voor ons zelf.
Het gevoel tekort te schieten en jezelf daardoor te zien als een minder persoon, zit soms heel diep. Vroeger werd dat zelfs nog versterkt in de kerk, als je het vooral over de zonde en schuld ging, en hoe erg we er allemaal aan toe zijn — dat is misschien ook een erfenis van de Reformatie, maar juist dan is het van belang weer te beginnen bij waar Luther zelf ook begon. Bij Gods genade die voor alles uit gaat en boven alles uitsteekt.

Onlangs verscheen de roman Wormen en Engelen, van de jonge schrijver Maarten van der Graaff. Hij groeide op in Flakkee, in een zwaar gelovig milieu, gereformeerde bond hervormde kerk. Dat geldt ook voor de hoofdpersoon van zijn roman. Een roman is geen autobiografie, maar er zullen ongetwijfeld veel raakvlakken zijn. Hoe dan ook, die hoofdpersoon gaat in de stad studeren en krijgt dan een heel ander leven. In de kerk van zijn jeugd kan hij niet meer aarden. Hij zet zich niet af tegen zijn achtergrond, maar gaat juist op zoek naar wat geloven voor hem wel zou kunnen betekenen.
Het is om meerdere redenen een interessante boek. Maar wat me in dit verband trof was een passage waarin hij schrijft over het geloof van zijn jeugd: ‘De gereformeerde mens moet zich buigen over zijn hopeloze, zondige staat, zodat hij ervan doordrongen wordt hoe erg hij de verlossende genade van God nodig heeft, zonder wie hij niets kan en niets is’ (p. 174).

Ook al kom je niet uit zo’n milieu, misschien herken je er iets van.
Maar als het zo wordt beleefd, dan is dat precies in de kern een fatale omkering van wat genade is. Het betekent: Gods liefde, zonder voorwaarden vooraf. Ook niet de voorwaarde van een doorleefd zondebesef. Het is niet zo dat ik eerst moet beseffen dat ik Gods genade nodig heb, voordat ik daar toegang toe heb. Nee, die genade is er al, zomaar, in het leven dat je wordt geschonken, in het licht dat over de wereld schijnt, in de zorg en liefde waarmee een mens wordt ontvangen en geboren en omringd en groeien mag. Als ik dat geloof, als ik daar begin, dan besef ik pas hoe ik dat nodig heb, altijd al en telkens weer.

Ik wil eindigen met een enigszins ingekort fragment uit een preek van Paul Tillich, lutheraan, waarin hij ingaat op dat woord ‘genade’.

“De genade komt over ons, wanneer we in angst en onrust leven. Ze komt over ons, wanneer we wandelen door het donkere dal van een betekenisloos en leeg leven. Ze komt over ons, wanneer we voelen dat onze gescheidenheid nog dieper is dan gewoonlijk, omdat we een ander leven geweld hebben aangedaan. Ze komt over ons, wanneer ons gebrek aan innerlijke rust voor ons ondraaglijk zijn geworden. Ze komt over ons, wanneer de wanhoop alle vreugde en levensmoed doodt.
Soms dringt op zo’n moment een vloed van licht onze duisternis binnen, en het is of een stem zegt: ‘Je bent aanvaard.’ Je bent aanvaard, door iets dat groter is dan jijzelf en waarvan jij de naam niet kent. Vraag nu niet naar die naam: misschien vind je hem later. Probeer nu niets te doen. Ga nergens naar op zoek; doe niets, neem je niets voor. Aanvaard eenvoudig, dat je bent aanvaard!’

AMEN

 

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter