Preken

Schuilplaats of vesting, Psalm 46 (Eeuwigheidszondag)

Twee jaar geleden, in het jaar van de Reformatieherdenking, zijn we met een groep gemeenteleden op reis geweest in de sporen van Maarten Luther. Onderdeel van de reis was een bezoek aan de Wartburg, de burcht, hoog op een rots gebouwd, waar de reformator een tijdlang gedwongen verbleven heeft, voor zijn eigen veiligheid. Om de tijd te doden vertaalde hij in zijn cel het Nieuwe Testament in het Duits. Ook schreef hij geestelijke liederen. Misschien heeft hij hier ook de inspiratie gevonden voor zijn bekendste lied, Ein feste Burg ist unser Gott – Een vaste burcht is onze God. Wie weet? De omgeving roept dat wel op, met die hoge, onaantastbare, vesting – onneembaar voor de vijand, een veilig toevluchtsoord.

Het is ook een beeld uit de Bijbel, uit Psalm 46 zoals we die zojuist gehoord hebben.
Onze burcht is de God van Jakob – God is voor ons een veilige schuilplaats / een betrouwbare hulp in de nood.

Geloofstaal is altijd beeld-taal. Met beelden uit onze eigen werkelijkheid wordt geprobeerd iets weer te geven van wie God is, van hoe mensen God ervaren, of het goddelijke. Beelden waar je moed aan kunt ontlenen, of troost. Het is toch een menselijke behoefte van iedereen, om je veilig te voelen, om beschutting te vinden, rust en troost in een rusteloze wereld. Als je dat kunt zeggen, dat God een veilige schuilplaats is voor jou, is dat een grote rijkdom.

Nu is het met beeldspraak zo, dat er altijd meerdere kanten aan zitten.
Niet alleen omdat niet iedereen het bedoelde in de beeldspraak meteen herkent of voor zichzelf ervaart. Voor heel veel mensen geldt helaas, dat God of het geloof of de kerk, niet de veilige schuilplaats is geweest. Je kunt er ook de grootst mogelijke beschadigingen aan oplopen. Krassen op de ziel, of zelfs erger. In het meest kwetsbare en persoonlijke, kun je ook makkelijk verwondingen opdoen. Misschien zijn er zelf onder ons, mensen voor wie het moeite kost, om alleen al hier te zijn, in een kerk, waar woorden klinken die van alles op kunnen roepen.

Er is ook nog een andere kant.
Want het beeld van de burcht roept geborgenheid en veiligheid op – een schuilplaats in gevaar – een toevlucht voor de zijnen; maar een burcht kan ook een plaats zijn waar jij je verstopt, waar je je afsluit voor de ander, voor de boze buitenwereld – een vesting waarin je je terugtrekt en onbereikbaar maakt voor de ander.
Dan slaat het positieve om in het negatieve.
Een mens kan zich soms zo harnassen, dat er geen ander wordt toegelaten in jouw wereld, in jouw emotionele huishouding. Dan is verdriet iets wat niet gedeeld wordt; dan wordt woede iets wat zichzelf in het zelfgekozen isolement alleen maar versterkt omdat het niet geventileerd kan worden.

Een burcht, als beeld, heeft dus tenminste die twee kanten. Schuilplaats om je te hoeden; maar ook vesting waarin jij je terugtrekt en onbereikbaar maakt. Een gevangene van jezelf?

Die twee kanten van dat beeld, lijken mij vandaag, op deze bijzondere zondag, van belang te zijn om even bij stil te staan en misschien op jezelf te betrekken.

Velen van u zijn in het afgelopen jaar geconfronteerd geweest met verdriet, omdat iemand die voor u belangrijk was, is overleden. Ik formuleer het noodgedwongen wat algemeen – maar zo vlak is het natuurlijk niet als het jezelf betreft.
In zekere zin geldt het voor iedereen. Want ervaringen van verlies, de confrontatie met de dood, wordt niemand bespaard.
Maar, ‘in zekere zin’, dat geldt voor niemand. Want iedereen ervaart het op een eigen manier, hartverscheurend verdriet – het schandaal van de dood – of gelaten aanvaarding – het is goed zo, en alles daar tussen in.
Als het over dit soort persoonlijke ervaringen gaat, kun je eigenlijk nooit goed in algemene zin spreken. Maar ik hoop dat u begrijpt, dat het nu even niet anders gaat.

Geconfronteerd met het verdriet, van de dood, van het gemis, van de spijt, kan het beeld van de burcht gaan spreken. Naar beide kanten.
Wat is het belangrijk dat je plaatsen vindt, mensen vindt, die voor jou veiligheid en geborgenheid uitstralen. Waar je jezelf mag zijn met je verdriet en je vragen. Waar je verhaal gehoord wordt. Waar de naam van je geliefde nog genoemd wordt, hij of zij in het gesprek betrokken wordt. Waar oprechte aandacht is. Misschien vind je troost in het geloof zelf, of in het zijn in deze ruimte, groter dan ons hart. Waar woorden van hoop klinken. Van leven dat sterker is dan de dood.

Wat is het belangrijk dat je niet vastloopt in je verdriet. Dat je jezelf niet opsluit in het gemis of in de herinneringen. Dan dreigt het gevaar dat je je afsluit voor de anderen – die het toch nooit kunnen begrijpen; of boos wordt op de buitenwereld – waarin alles gewoon doorgaat of er niets gebeurd is.
Verdriet kan mensen verharden. Kan zelfs mensen die elkaar nabij zijn, uit elkaar drijven.
Verdriet kan mensen isoleren, ieder opgesloten in de gesloten burcht van zijn eigen onvermogen. Onbereikbaar voor elkaar. Onbereikbaar voor God?

In de voorbeden uit het Dienstboek, die ik bijna altijd gebruik als ik een afscheidsdienst mag leiden, staat een passage die ik zelf altijd heel veelzeggend vind. Raak geformuleerd.
Er is een kans dat u die woorden in het afgelopen jaar eerder hebt gehoord, maar misschien ging er toen veel langs je heen?
In ieder geval wil ik ze hier, op deze zondag, graag herhalen en voor u lezen, als afsluiting van deze korte overdenking:

Wij bidden U voor wie achterblijven,
voor ieder met zijn of haar gemis,

om tijd voor verdriet
om ruimte voor hoop tegen wanhoop

om vertrouwen opnieuw in het leven.
Laat onze droefheid ons de vreugde om uw heil niet ontnemen
laat onze tranen het uitzicht op uw toekomst niet verduisteren
laat onze rouw het geloof in uw liefde niet overwinnen
maar troost ons door uw genade

en richt ons op door de kracht van uw Geest.

Moge het zo zijn.
Amen

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter