Preken

Schild ende betrouwen, I Samuël 16

Onze koning en onze koningin maken niet direct de indruk dat ze lijden onder hun taak. Toch denk ik dat de meesten van ons niet graag met hen zouden willen ruilen. Koning zijn, zeker in deze tijden waarin het koningschap slechts een ceremoniële functie heeft, is als leven in een gouden kooi. Je moet je bewegen binnen de regels van het protocol; er wordt altijd op je gelet; je woorden worden op goudschaaltjes gewogen; je privéleven zorgvuldig afgeschermd. Nee, koning zijn, het lijkt misschien mooi, maar het zal vast geen pretje zijn.

Als de profeet Samuël Betlehem binnenkomt om een nieuwe koning te zalven, komen de bestuurders van de stad hem ongerust tegemoet: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’ Alsof ze de bui al zien hangen. Eén van hun is de pineut.
Het is een klein, en volgens mij, humoristisch detail in het verhaal van deze zondag (I Sam. 16: 1 – 13). Zoals er meer humor in zit. Het verhaal over hoe een herdersjongen gezalfd wordt om straks de nieuwe koning te worden.

Nu is er een levensgroot verschil tussen de koning van Israël in die tijd en ons moderne koningschap. Bijna onvergelijkbaar. De overeenkomst is dat aan beide nogal wat verplichtingen hangen, ceremoniële voor onze huidige koning, maar aan de koning in Israël worden ook nog andere eisen gesteld. En dat speelt op de achtergrond van deze verhalen mee. Daar zal ik op ingaan, niet alleen om uitleg te geven, maar ook om juist op dat punt, de bijzondere verantwoordelijkheid van de koning, een brug te slaan naar onze situatie nu. Want wat van de koning wordt gevraagd, heeft te maken met hoe God het koningschap ziet. Er loopt een lijn van het koningschap in het Oude Testament naar de prediking van Jezus over het koninkrijk van God in het Nieuwe Testament.

Eerst een paar achtergrondopmerkingen bij het verhaal.
De eerste gaat over de vraag, hoe lees je nu zulke verhalen?
We zijn misschien geneigd om te denken: dit zijn verhalen uit een ver verleden, uit de tijd van koning Saul en koning David, dit is: Bijbelse geschiedenis. Zo heette vroeger dat vak bij ons op de christelijke school, waarmee we de dag begonnen.
Maar in de Hebreeuwse bijbel hoort dit bij de profetische verhalen. Het boek Samuël staat bij de afdeling profetische literatuur. Het gaat hier niet zozeer om geschiedenis, maar het verhaal wordt verteld uit profetische, gelovig, perspectief.

Dat betekent ten tweede dat het niet zozeer gaat om wat er precies gebeurd is, maar hoe het verteld wordt. Het is een verhaal met een profetische boodschap, niet slechts een informatieve mededeling. In en door het verhaal wordt ons iets meegedeeld, dat verder gaat dan de oppervlakkige wederwaardigheden van ooit lang geleden, maar dat iets duidelijk maakt over een diepere bedoeling, over wat koning zijn in Israël betekent, maar ook over hoe God oordeelt, hoe God kijkt.
Een centrale zin in de tekst, dat hebt u ook vast wel aangevoeld, is als God tegen de profeet Samuël zegt: ‘Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens ziet naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart’ (I Sam. 16: 7).

Als je er op let hoe het verhaal wordt verteld, dan vallen er vervolgens een paar dingen op.
– Aan het begin krijgt Samuël de opdracht om naar Betlehem te gaan en één van de zonen van Isaï als koning te zalven, die door God is uitgekozen om koning te worden. Er is al een koning, dat is Saul, maar die bevalt niet.
Dat is een heel verhaal dat we nu maar laten zitten. Het koningschap in Israël is er niet zonder slag of stoot gekomen. Het volk wilde het – ze wilden net als andere volken zijn; Samuël was er op tegen, maar God haalde hem over om het volk toch maar zijn zin te geven. Op zich is dat al tamelijk humoristisch zoals het verteld wordt.
Maar goed, Saul is een mislukte greep. Ook daar valt nog wel wat meer over te zeggen, ten faveure van Saul, maar ook dat moeten we vandaag laten rusten.
Het gaat er nu om dat Samuël met een heel gerichte opdracht op pad wordt gestuurd. God weet al wie het gaat worden.

– Maar, als God al weet wie het wordt, waarom dan dat rare toneelstukje ten huize van Isaï? Je zou denken dat als de keuze al is gemaakt, God Samuël linea recta naar de beoogde nieuwe koning toe leidt, maar dat gebeurt dus niet. Eerst worden de zeven zonen voorgesteld, die het allemaal niet blijken te zijn. Tenslotte moet de jongste, die toevallig (?) niet thuis is maar de schapen en de geiten aan het hoeden is, erbij komen. En die is het dan.
Dat is natuurlijk om de spanning er een beetje in te houden. Het is een verhaal. En verhalen moeten niet al te logisch zijn, dan is er niks aan. Maar het is ook om iets inhoudelijks duidelijk te maken.

– We worden op die manier als het ware uitgenodigd om mee te kijken met Samuël en ons te spiegelen aan zijn / onze gangbare manier van denken.
Die flinkerd, die zal het wel zijn. Koninklijke uitstraling. Goede keuze van God, denkt Samuël bij de eerste, de oudste zoon. Maar dat denkt hij / denken wij dus verkeerd. Je moet niet naar de buitenkant kijken, zegt God. ‘De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart’ (vers 7).
Hoe vaak gaan wij niet af op de uiterlijke schijn.
Het hoort bij de wijsheid, die je gaandeweg het leven verwerft, om je niet blind te staren op buitenkant en uiterlijk vertoon. Dat wordt hier met zoveel woorden duidelijk gemaakt.

En het hart, dat hoef ik u niet uit te leggen, het hart is in de bijbel niet zozeer de plaats van romantische en sentimentele gevoelens – dat is het in onze cultuur geworden, zeker sinds de Romantiek. Nee, het hart is, zeker in de symbooltaal van de Bijbel, dat waar jij met jouw leven op gericht bent, het is zoiets als de kern van je wezen, van je persoonlijkheid. Je hart is je zelf.
God zoekt iemand met hart, met lef.
God zoekt iemand naar zijn hart.

In dit profetische verhaal blijkt dat dan juist de jongste te zijn. Geen van de zeven oudsten is het, maar de achtste, degene die vergeten is, die ze buiten hebben gesloten terwijl ze nota bene een offermaal aan het vieren zijn; hij mocht niet mee aan het avondmaal? Degene die de schapen hoedt, is degene die God op het oog heeft, de herder. ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’

Ook dat is niet toevallig, ook dat krijgt in zo’n verhaal en in zo’n setting een diepere lading, een meer-betekenis. Een koning in Israël, dat is in de eerste plaats een herder, een hoeder, het is de jongste, de zwakste – die juist daarom weet dat de belangrijkste taak van een koning in Israël is, stut en steun te zijn, voor de zwaksten, voor het kleine, voor de verdrukten; schild ende betrouwen voor wees, weduw en vluchteling. De koning in Israël is geen heerser, maar een herder. Het is geen ceremoniële functie, maar een sociale.
En daaraan worden dan ook later in de profetische boeken de koningen gemeten naar de profetische maat. Telkens weer zal zich de profetische kritiek verheffen, ook later in het leven van deze herder-koning als hij zijn plicht verzaakt. Als hij zijn macht gebruikt voor eigen gewin en genot.

De herder, de hoeder – man naar Gods hart. Niemand had aan hem gedacht. Maar God had hem al lang gezien.
‘Vanaf toen was David doordrongen van de geest van de Heer’, wordt ons medegedeeld. Alsof we David, van wie de naam hier voor het eerst valt, al lang kennen. En eigenlijk is dat ook zo.

David, man naar Gods hart en dat zal hij blijven. Ook al haalt hij straks de ene ellende naar de andere uit en haalt hij zich de nodige ellende op zijn hals. Man naar Gods hart. Waarom dat is, dat heeft ook iets raadselachtigs. We kunnen Gods voorkeuren nooit helemaal narekenen.

Misschien heeft het er mee te maken dat David bij al zijn menselijke fouten, ook het koninklijke vermogen heeft om berouw te tonen en om zich te verdeemoedigen, om dat mooie woord te gebruiken, voor Gods aangezicht. Omdat hij hoe dan ook uiteindelijk gehoorzaam wil zijn, omdat hij in zijn kern, op God is gericht. Als dat wegvalt, en dat gebeurt aan het einde van zijn leven, dan verandert alles voor David.

Van koning David naar koning Jezus, de Zoon van David, is het bijbelse lijntje snel gelegd.
Maar er is dus ook die verbinding tussen het koningschap, zoals dat in de profetische literatuur wordt geschetst en de prediking van het Koninkrijk zoals Jezus die belichaamt. En dan komen wij ook opeens in beeld.
Wil je zijn leerling zijn, zoals in het evangelie staat (Luc. 14: 25 – 33), wil je Jezus volgen op de weg van het Koninkrijk, dan vraagt dat het nodige. Breken met je familiebanden; je kruis op je nemen; zelfs afstand nemen van al je bezit – het staat er allemaal met zoveel woorden. Een radicale keuze. Een keuze die ten diepste te maken heeft met je grondoriëntatie, met waar je hart op staat gericht, om in de beeldtaal van de Bijbel te blijven. Een keuze die te maken heeft met een andere manier van kijken.

Het zit diep in ons, om ons blind te staren op de macht van het geld, de macht van het kapitaal en van het succes – alsof daar de waarde van het leven te vinden is.
Dan kijken we met afgunst naar de mensen die lijken te slagen in het leven, die het ogenschijnlijk voor de wind gaat, alsof daar het geluk van het leven van afhankelijk is.
Het zit diep in ons, om vast te klampen aan alles waar we houvast van verwachten, familie, bezit, eigen kracht en vermogen.
Maar in het geloof word je telkens weer uitgedaagd om te vertrouwen op de kracht van het zwakke, op de macht van het hoeden en niet van het heersen (of beheersen).
De jongste, de kleinste, de laatste, het herdertje, die moet Hij hebben, als God zich een koning zoekt voor Israël. Zo leert hij Samuël – en ons – kijken, anders kijken.
De herder is de koning; de gekruisigde is de levende. Die Bijbelse omkering is ook hier aan de orde. Gods kracht blijkt in zwakheid. Dat is de grondwet van zijn koninkrijk, dat immers niet van deze wereld is – niet volgens onze wereldse normen is.

We worden uitgenodigd, in de manier waarop deze Bijbelse, profetische verhalen worden verteld, te leren kijken met andere ogen. Noem het, de profetische blik. Misschien is dat wel iets heel wezenlijks van wat geloven is. Niet zozeer andere dingen zien, maar de dingen helemaal anders.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter