Na het succes van de roman Norrlandse aquavit durfde Uitgeverij De Geus het kennelijk aan om weer een boek van de Zweedse schrijver Torgny Lindgren op de Nederlandse markt te brengen. De Bijbel van Doré verscheen al in 2005 maar is nu dus vertaald. Wat de precieze beweegredenen daarvoor zijn geweest, weet ik niet, maar het zou goed kunnen zijn dat men vermoedt dat titel en thematiek geschikt zijn voor de Nederlandse markt. Religie en literatuur gaan goed samen.
De roman is het verhaal van een man die zelf lezen noch schrijven kan (“Er hebben nooit letters tussen mij en de wereld in gestaan”). Hij wordt voor onnozel aangezien en wordt door zijn ouders dan ook naar een tehuis gestuurd. Dat terwijl hij op de andere terreinen van het leven een opmerkelijke intelligentie aan de dag legt. Alleen, de letters blijven voor zijn ogen dansen. Daardoor heeft hij nooit leren lezen.
Wat hij weet, leert hij uit de Bijbel van Doré (“in roodlederen band”). In de gravures die Gustave Doré bij de bijbelverhalen maakte (“de houtsnede als sacrament”) wordt voor hem de hele wereld en het hele leven uitgetekend (“de tijdloze verwikkelingen van een mens met God”). Alle prenten bestudeert hij tot in de kleinste details.
Omdat hij later de bijbel kwijtraakt – aanvankelijk onbereikbaar in de kluis van zijn ouderlijk huis, terwijl hij zelf in een inrichting verblijft en later doordat het ouderlijk huis door een explosie totaal wordt vernield, definitief buiten bereik – tekent hij met uiterste precisie prent voor prent van Doré na. Zo ontwikkelt hij zich tot een Doré-deskundige bij uitstek. Dat wordt opgemerkt door een lokale journalist, waarna hij door een vertegenwoordiger van de Zweedse kerk wordt benaderd om ter gelegenheid van het Doré-jubileum een boek te schrijven. Dat wordt dus een gedicteerd boek, de roman zoals Lindgren die heeft geschreven.
Deze fantastische constructie draagt de roman, maar treedt niet zelf op de voorgrond. Het is de achtergrond waartegen in een bij vlagen surrealistisch verhaal allerlei vragen en kwesties aan worden gesneden die te maken hebben met wat literatuur nu eigenlijk is, wat letters en schrift toevoegen of juist afdoen aan de ervaring van de werkelijkheid, ja, wat werkelijkheid is en wat waan. Het is opmerkelijk dat er één moment is waarop de verteller opeens wel lezen kan, namelijk als hij dronken is:
“Ik had nooit gedacht dat het onmiddellijke en naakte lezen, het lezen uit de eerste hand, zo schokkend en hartverscheurend kon zijn.
Dat was het moment waarop ik besloot om nooit meer sterkedrank te drinken.
Ik zou de letters een voor een kunnen tekenen, ware het niet dat ze, nu ik nuchter ben, hun tomeloze strijdlust hebben herwonnen. Wat ik meemaakte was niet alleen een dodelijk aanval op de gave van het niet-lezen, maar ook op diens tegenhanger: het schrijven, de wereldliteratuur, de schrijver zelf.” (176-177)
Lindgren is geen schrijver die van a naar b gaat. Het leesgenoegen dat je aan zijn boek beleeft, ligt voor een belangrijk deel in de suggestieve stijl en de ironische toon, evenals in Norrlandse aquavit. Voorbeeld van die ironie? Als hij gevraagd wordt een boek over Doré te schrijven, vertrouwt de verteller de vertegenwoordiger van de Zweedse kerk toe dat hij niet schrijven kan: “Dat hindert niets. Nee, dat is geen enkele belemmering. De Kerk kent vele consulenten en voorgangers die kunnen lezen noch schrijven. Toch preken ze. Het is lastig. Maar het vormt geen belemmering.” (60).
De verteller die het boek dicteert, blijft veelbetekenend anoniem, maar is precies één jaar na de schrijver Torgny Lindgren geboren (‘zestien juni negentienhonderdnegenendertig’). Een spel met autobiografie en fictie? Zou zo maar kunnen, ook al vanwege de onderliggende literaire thematiek, die soms haast filosofisch van karakter wordt:
“Wanneer je een boek zegt, voel je je soms bespottelijk en dwaas, ja, bijna dom. Het is een bezigheid die grenst aan de hopeloze onnozelheid.
Neem nou dit boek over de Bijbel.
Het lijkt of achter het eigenlijke zeggen een ergerniswekkende en penibele eenzaamheid schuilgaat. En een borstklopperij.
Maar ik neem aan dat het schrijven van een boek ook iets lachwekkends en beschamends in zich heeft. Het ene na het andere teken op papier te zetten. De hele tijd je eigen tekst, je eigen uitscheiding te moeten aanzien.
(…)
Wat ik zeg, zal iemand anders vervolgens schrijven. Niemand zal met honderd procent zekerheid kunnen uitmaken wat ik werkelijk gezegd heb en wat de ander heeft geschreven. Heeft toegevoegd of verdraaid.” (122-123)
Aan het eind van het verhaal beschrijft (dicteert) hij hoe hij op wonderlijke wijze weer in bezit kwam van de Doré-bijbel. Na verschillende baantjes te hebben gehad, rondleider in het museum, secretaris van een Kamerlid, is hij werkzaam in een vuilverbrandingsoven. Als daar op zekere dag de boeken uit de boedel van de overleden Viktor de Boekenman gebracht worden om in het vuur geworpen te worden (in de opsomming van auteursnamen waarvan de boeken ten prooi aan het vuur vallen, komt ook die van Torgny Lindgren voor!), ontdekt hij plotseling de bijbel daartussen: “Boven op een van de verste stapels glansde en schitterde de roodleren band, vanaf de goudopdruk op de rug en het kaft blonken precies zulke lichtstralen als Doré zo vaak afgebeeld had” (248). Hij grijpt het boek, redt het uit het vuur en rent ermee vandoor.
Anders dan de titel doet vermoeden, gaat deze roman minder over de door Doré vereeuwigde bijbelverhalen, maar vooral over de genoemde thema’s die met het wezen van de literatuur en van de kunst in het algemeen te maken hebben. Maar de vertelkracht van Lindgren is zo groot, dat zijn boek niet in de thematiek opgaat. Want we hebben het nog niet eens gehad over de muzikale moeder, over de vader en diens natuurkundige experimenten, de pijprokende grootvader, de stukjesschrijvende journalist Manfred Marklund en de bewonderde schrijver Erwin Srittmatter, die allemaal de wonderlijke wereld van de analfabete verteller bevolken. Een boek zo rijk aan lijntjes en streepjes als een prent van Doré.
Het boek is versierd met enkele van deze prenten.
Het boek wordt helaas ontsierd door een paar kolossale taalfouten waarvan het onbegrijpelijk is dat ze de redacteur zijn gepasseerd.
Torgny Lindgren, De Bijbel van Doré, uit het Zweeds vertaald, Uitgeverij De Geus Breda 2010, 249 pag., €19,90, isbn9789044513134
