Philip Roth, Nemesis

Het verhaal dat Roth in zijn nieuwste roman Nemesis vertelt, speelt zich af in de warme zomer van 1944 waar in de stad Newark (bij New York) een polio-epidemie heerst. De een na de andere jongere wordt het slachtoffer. Je voelt de hitte van de zomer, de groeiende ongerustheid onder de bevolking, de ontreddering van ouders en slachtoffers. Er is nog geen vaccin tegen polio ontdekt. De ziekte is niet voor iedereen fataal, maar wie geneest houdt er meestal levenlange verminkingen aan over. Onder leiding van het bekendste slachtoffer van polio, F.D. Roosevelt, voert Amerika oorlog tegen Hitler en tegen Japan. Op de achtergrond speelt dat allemaal mee. Zo biedt de roman ook een portret van die tijd.nemesis

De verteller, Arnie Mesnikoff, die pas halverwege de roman terloops zich als zodanig introduceert, vertelt het verhaal van Bucky Cantor, in die tijd een jonge energieke man, die in deze zomer als speelplaatsopzichter is aangesteld. Hij is mateloos populair bij de jongeren, die elke dag komen om honkbal te spelen (de jongens) of touwtje te springen (de meisjes). Ze bewonderen hem om zijn atletisch vermogen, om zijn durf – als hij een stelletje opdringerige Italianen wegstuurt, kan hij niet meer stuk; de ouders waarderen hem om zijn beleefdheid en belangstelling voor de kinderen. Bucky voelt zich verantwoordelijk voor ‘zijn’ kinderen. Die hoge morele standaard heeft hij meegekregen van zijn opa. Bucky is, toen zijn moeder bij zijn geboorte overleed en zijn vader, een crimineel, uit zijn leven verdween, opgevoed door zijn grootouders. Opa leeft niet meer, maar geldt nog steeds als zijn grote voorbeeld.
Tegelijk gaat hij gebukt onder schuldgevoelens. Hij is vanwege een zware oogafwijking afgekeurd voor militaire dienst. Terwijl zijn kameraden in Europa vechten, heeft hij een baantje in de luwte.
Als de polio-epidemie zijn stadsdeel Weequahic bereikt en als steeds meer kinderen van de speelplaats waar hij toezicht houdt, het slachtoffer worden, dringt zijn vriendinnetje Marcia, die elders een vakantiekamp leidt, erop aan dat hij zich bij haar voegt. Er is daar een baantje als zweminstructeur. Bucky worstelt met die vraag. Kan hij zijn jongens in de steek laten?
Uiteindelijk doet hij het toch. De speelplaats wordt vanwege de epidemie toch gesloten. Maar als de polio ook het vakantiekamp Indian Hill, honderd kilometer verderop bereikt, beseft hij dat hijzelf de bron van de infectie moet zijn. Nu stort zijn hele wereld in. Als hijzelf ook nog ziek wordt, is het drama compleet.

In het derde deel van het boek, doet de verteller uit de doeken hoe hij de geschiedenis van die dramatische zomer uit de mond van Bucky Cantor heeft opgetekend, toen hij hem jaren later in 1971 min of meer toevallig tegenkwam. Hij was in die zomer één van de kinderen op zijn speelplaats. Achtentwintig jaar later is meneer Cantor een meelijwekkend figuur geworden, die nooit heeft kunnen verwerken wat gebeurd is en in verbittering en wrok is blijven steken. Hoewel Marcia haar onvoorwaardelijke liefde voor hem bleef uiten, ook toen hij zelf slachtoffer van polio was geworden en blijvend invalide zou zijn, heeft hij haar afgewezen, omdat hij niet verantwoordelijk wilde zijn voor haar ongeluk.

Deze roman, met de van Roth bekende zwierige vaart geschreven, roert verschillende thema’s aan. Eén daarvan is Bucky’s worsteling met God.
Het verhaal speelt zich af in de joodse gemeenschap, zoals vaker in de romans van Roth.
Als Cantor aanwezig is bij de begrafenis van één van de eerste slachtoffertjes en er kaddisj wordt gezegd, spelen de volgende gedachten door zijn hoofd:

“Tussen de dood van Alan Michaels en het gezamenlijk zeggen van de God-verheerlijkende kaddisj had Alans familie een tussenpauze van ruim vierentwintig uur gehad om God te haten en te verafschuwen vanwege wat Hij ze had aangedaan – al was het natuurlijk niet bij ze opgekomen om zo op Alans dood te reageren, en zeker niet zonder de vrees Gods toorn over zich af te roepen en Hem ertoe te brengen straks ook Larry en Lenny Michaels (die in Europa vechten, BA) nog van hen weg te rukken.
Maar wat bij de familie Michaels dan niet mocht zijn opgekomen, was meneer Cantor niet ontgaan. Zeker, hij had het zelf niet gewaagd God te verwijten dat Hij zijn grootvader had weggenomen, toen de oude man daarvoor de leeftijd had bereikt. Maar dat Hij Alan op zijn twaalfde met polio had geslagen? Dat er alleen al polio bestond? Hoe kon er sprake zijn van vergiffenis – laat staan van halleluja’s – tegenover zo’n krankzinnige wreedheid?”
(76).
Hij weigert zich te “… schikken in de gesanctioneerde leugen dat God goed is en (te) kruipen voor een koudbloedige kindermoordenaar” (77).

De woede tegenover God,  komt nog een aantal malen naar voren. In een ruzie tussen Bucky en Marcia, waarin hij haar min of meer verwijt dat zij voor zijn gezondheid tot God gebeden heeft (‘waarom heeft God de gebeden van Alan Michaels’ ouders niet verhoord?’- 162), blijkt opnieuw hoe diep zijn wrok zit (‘hoe kan een jood bidden tot een god die zo’n vloek heeft gelegd op een buurt waar honderdduizenden joden wonen?’) terwijl Marcia niet begrijpen kan waarom hij zich met dit soort vragen kwelt.

In het derde en laatste deel, waarin de verteller nadrukkelijker naar voren treedt, blijkt dat de woede tegen God een rode draad geworden is in het leven van Bucky Cantor. Waar de verteller zelf, ondanks zijn handicap, iets van het leven heeft weten te maken, heeft Cantor min of meer besloten om in zijn verdriet, zijn wrok en zijn kwaadheid te blijven hangen. Op deze manier, zo wordt gesuggereerd, is hij zijn eigen slachtoffer geworden.

“Toen hij zijn verhaal van de laatste ontmoeting met Marcia gedaan had, vroeg ik: ‘Hoe bitter ben je door dit alles geworden?
‘’God heeft mijn moeder gedood in het kraambed. God heeft me een dief tot vader gegeven. Als jonge twintiger heeft God me polio gegeven (…) Hoe bitter moet ik zijn? Zeg jij het maar’ (…)
‘Ik voel me niet geroepen,’ antwoordde ik, ‘om kritiek te leveren op poliopatiënten, jong of oud, die de pijn van een kwaal die nooit overgaat niet helemaal te boven kunnen komen. Natuurlijk leidt het besef dat het blijvend is tot somberheid. Maar op den duur moet er toch meer zijn. Je hebt het over God. Geloof je nog steeds in die God op wie je afgeeft?
‘ Ja. Iemand moet dit hier toch gemaakt hebben.’
‘God de grote misdadiger,’ zei ik. ‘Maar als God de misdadiger is, dan kun jij het niet ook zijn.’ ” (247-248).

andrew wyeth, christina's world (1948)

andrew wyeth, christina's world (1948)

Vanuit zijn ‘atheïstische optiek’ verbaast de verteller zich over diens houding:
“Bucky’s verzet tegen Hem (God als oppermachtig wezen, BA) vond ik alleen absurd omdat het nergens voor nodig was. Dat de polio-epidemie onder de kinderen van Weequahic en de kinderen van kamp Indian Hill een tragedie was kon hij niet aanvaarden. Hij moet en zal tragedie omzetten in schuld. Hij moet en zal de logica ontdekken van wat er gebeurt. (…) Hij zoekt vertwijfeld naar een diepere oorzaak, deze martelaar, deze maniak van het waarom, en hij vindt het waarom ofwel in God of in hemzelf of, hoe mystiek, hoe mysterieus, in hun gruwelijke verbinding tot enige ware vernietiger. Ik moet zeggen dat dit, hoezeer ik ook mag meevoelen met de opeenstapeling van rampen die zijn leven had vergiftigd, niets anders dan domme hubris is, niet de hubris van de wil of het verlangen, maar de hubris van een groteske, kinderlijke opvatting van religie.” (249-250).

(Nemesis is de naam van de Griekse godin van de wraak. Ze komt in actie, als mensen zich teveel door hun hoogmoed (=hubris) laten leiden.)

Voor meer recensies klik hier (Cobra.be) of hier (Trouw).

Philip Roth, Nemesis, Amsterdam 2010, 263 pag., €19.90, isbn 9789023459293

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>