In zijn roman Walter vertelt Daniël Rovers het verhaal van een Brabantse boerenzoon die naar het seminarie gaat om tot priester opgeleid te worden. Het is dan begin jaren vijftig. De opleidingsperiode beslaat meer dan tien jaar. Midden in de jaren zestig is Walter Cosijn klaar om als priester aan de slag te gaan. Maar de wereld is inmiddels ingrijpend veranderd en ook Walter zelf. Na een korte tijd als kapelaan te hebben gewerkt, besluit hij zich niet tot priester te laten wijden. Hij verruilt de kerk voor een baan in de maatschappij, mede omdat hij een meisje heeft leren kennen waarmee hij zich verloven wil. Maar ook de verloving gaat niet door. Het betreffende meisje laat hem zitten. Ze kan niet om gaan met iemand die zo besluiteloos is in haar ogen: “Het was alsof je nooit echt wist wat je wilde” (226).
Het karakter van Walter is hier mee aardig getypeerd. Geleidelijk aan zie je in de roman, die op een bijzonder rake manier het tijdsbeeld schetst, hoe de wereld van vanzelfsprekendheden waarin Walter opgroeit vergruist. De twijfel sluipt binnen, ten aanzien van het kerkelijk instituut, de gezagsverhoudingen, het geloof zelf, en vooral wat betreft wat Walter nu zelf wil en kan. Walter is wat een slome. Andere jongens op het seminarie zijn sneller, scherper, gevatter. Het zijn de jongens die opeens van het seminarie verdwenen zijn – zij hebben er al eerder de brui aan gegeven. Walter is een beetje een sukkeltje. Hij laat zich makkelijk beet nemen als zijn medestudenten een practical joke uithalen. Hij moet de koster ondervragen of hij soms een crypto-communist is (het zijn de jaren van McCarthy in de VS). Het gesprek wordt stiekem opgenomen en op een feestavond afgedraaid en ook dan weet Walter niet goed welke houding hij aan moet nemen.
Als hij zich later in het gewone leven begeeft, is de onhandigheid die hij in de omgang met vrouwen ten toon spreidt, haast aandoenlijk. Van het echte leven heeft hij, gesocialiseerd in de beslotenheid van het seminarie, weinig meegekregen.
Pas na het lezen van het boek begreep ik uit een interview met de schrijver dat zijn eigen vader in deze periode het seminarie heeft bezocht en kennelijk voor een belangrijk deel model heeft gestaan. Het verklaart waarschijnlijk de trefzekere typering van het seminarieleven en de opmerkelijke foto’s die aan ieder hoofdstuk vooraf gaan. Informatie uit de eerste hand. Ze komen voor een groot deel uit persoonlijke collecties, blijkt uit de verantwoording. Ieder hoofdstukje besluit bovendien met een krantenbericht. De tijdgeest gevangen. Dat neemt niet weg dat het de prestatie van de romancier is, om zijn verhaal geloofwaardig te laten zijn. Bovendien is het allemaal in een mooie, wat meewarig stemmende stijl, geschreven.
De Werdegang van Walter wordt op zo’n manier beschreven dat je een zekere sympathie voor hem op gaat vatten. Tenminste zo verging mij het. Het is geen hard boek, uit het genre afrekenliteratuur. Het afscheid van zijn priesterroeping heeft bij Walter niet het pijnlijk scherpe zoals je dat bij velen uit zijn generatie tegen komt. De gewichtige betogen van een filosofiedocent die de religiecritici behandelt, lijken niet echt aan hem besteed. Zijn worsteling speelt zich af op een ander niveau. Voor hem is ‘geloven een werkwoord’, een parool dat hij van een van zijn biechtvaders heeft opgepikt. Hij wil iets voor mensen betekenen. Met dat enthousiasme gaat hij ook als kapelaan aan de slag. Maar hij loopt stuk op de eenzaamheid die het ambt met zich meebrengt en op zijn twijfel over eigen kennis en kunde.
Meer nog dan over een bepaalde periode in de geschiedenis van de (katholieke) kerk, of over kwalijke kanten van kerkelijke instituties of geloofsartikelen, gaat dit boek over de ontwikkeling van een kwetsbaar maar in wezen goed mens.
Daniël Rovers, Walter, Amsterdam 2011, 236 p., €18,90; isbn9789028424258

