Matthias Beier, Religie zonder angst en geweld (over Eugen Drewermann)

Op je 65e bereik je de pensioengerechtigde leeftijd. Nog wel, want in de komende jaren zal die leeftijdsgrens omhoog gaan.
De priester-theoloog Eugen Drewermann besloot op zijn 65e verjaardag zijn lidmaatschap van de katholieke kerk op te zeggen. Een wat protestantse daad om je bewust uit te laten schrijven, maar gezien de turbulente en problematische relatie die Drewermann jarenlang met de kerk heeft gehad, die hem zijn leerbevoegdheid ontnam en later hem als priester op non-actief stelde, niet geheel onverwacht. Sinds 20 juni 2005 heeft hij daar geen last meer van, zou je denken.

In Religie zonder angst en geweld geeft Matthias Beier, die promoveerde op het werk van Drewermann, een overzichtsboek geschreven waarin de belangrijkste thema’s van zijn theologie worden beschreven. Dat gebeurt met uitvoerige referenties aan de vele werken die Drewermann in de loop der jaren heeft gepubliceerd.
Beier blijkt goed ingevoerd te zijn en is in staat om de ideeën van Drewermann bondig samen te vatten. Hij groepeert ze rond acht thema’s. De rode draad is Drewermanns streven om religie uit te zuiveren van alle sporen van angst en geweld, zoals ook al in de titel tot uitdrukking komt.

Veel mensen zijn geïnspireerd geraakt door Drewermanns aanpak. Dat geldt vooral voor de bijzondere manier waarop hij de bijbel leest. Zelf noemt hij dat de dieptepsychologische benadering. Bijbelverhalen spreken in de vorm van mythen en beelden diepe psychologische ervaringen van mensen aan. Die kom je pas op het spoor als je een letterlijke en historiserende lezing van de bijbel loslaat. Teksten letterlijk nemen, alsof ze onafhankelijk van de eigen persoon vertellen over uiterlijke feiten, vraagt om een uiterlijke leeswijze. Teksten symbolisch lezen, alsof ze vertellen over innerlijke processen van persoonswording in relatie tot andere personen, vraag om een innerlijke leeswijze (p. 69). De verhalen hebben daarom een therapeutische betekenis en het is belangrijk om deze te ontsluiten. Beier weet dat goed duidelijk te maken met enkele sprekende voorbeelden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat je in het werk van Drewermann zelf wel eens verdwaalt in de eindeloze zoektochten die hij aan de hand van de Bijbelteksten onderneemt.

Het bezwaar van breedsprakigheid en wijdlopigheid treft mijns inziens vooral in de wetenschappelijke uitstappen die Drewermann niet schroomt te ondernemen. Ook Beier besteedt daar aandacht aan. Zo verdiept Drewermann zich uitvoerig in biologie, kosmologie en het hersenonderzoek. Het is een wat vervreemdende ervaring om in een theologisch boek te lezen over dissipatieve structuren, Bénard-cellen en auto-katalysatoren (p. 126v), over snaartheorie, de supersnaartheorie en Plancklengte (p. 136v). Op dergelijke pagina’s in het werk van Drewermann ben ik regelmatig verdwaald geraakt. Wie niet?

Wat mij het meeste aanspreekt is het hoofdstuk God tegen de angst (p. 164vv), waarin volgens mij het hart van Drewermanns theologie van de menselijkheid klopt. Bij alles wat we kunnen en moeten leren van de natuurwetenschappen, biologie en neurologie, blijft gelden dat religie en godsdienst geen bewijs van het bestaan van God leveren als iets aanwijsbaars of aantoonbaars in onze fysieke werkelijkheid. Ze zijn er juist om God als psychologische werkelijkheid in de diepste lagen van onze persoonlijkheid aan te boren. Beier citeert Drewermann: Ik geloof dat de religie en het spreken over God noodzakelijk is omdat wij voor de beantwoording van absoluut menselijke vragen een achtergrond nodig hebben die in de natuur niet aanwezig is (op p. 167). Deze noodzakelijkheid wordt beantwoord in en door de liefde, waarin de mens de ervaring opdoet van een onvoorwaardelijk aanvaard zijn. Het gaat om een ‘absolute liefde om onze menselijkheid te behoeden’ en die noemen wij God. God is de oneindigheid van de liefde, zonder enige ambivalentie.
Tegen deze achtergrond worden klassieke theologische thema’s als de theodicee (hoe kan een goede God het kwade toelaten?) en de christologie (wat betekent het als we zeggen dat Jezus de Zoon van God is?) behandeld. Het voert te ver om dat hier uitvoerig na te tekenen. Beier is wat dat betreft een goede gids. Kern is steeds weer Drewermanns streven om angst en geweld uit de christelijke religie te zuiveren en zo de tegenstellingen die diep in de menselijke psyche geworteld zijn, tussen angst en vertrouwen, tussen dood en leven (als geestelijke categorieën) te overwinnen. Pas dan kan geloof een gezonde zaak zijn. omdat het bijdraagt aan de psychische menselijke hygiëne.

Elk hoofdstuk sluit af met een voorbeeld uit de psychotherapeutische praktijk van Drewermann waarin dromen een belangrijke rol spelen Ook daar vind ik zelf de analyse soms moeilijk te volgen en niet geheel vrij van speculatie. Je krijgt de indruk dat met een bepaalde bril op er geen enkel aspect van de werkelijkheid meer is dat niet een sliert van psychologische connotaties met zich meesleept.

Wat me verder opviel is dat de toon van Drewermann (of van zijn leerling Beier?) richting de katholieke kerk en de klassieke theologie tamelijk agressief en scherp is. Alsof het om een stelletje machtsbeluste en moedwillige bedriegers gaat. Misschien ligt dat aan mij. Misschien is het verklaarbaar vanuit de biografische achtergrond van Drewermann. Maar daarover worden we helaas niet ingelicht. Dit – fraaie – boek geeft een overzicht van zijn werk, maar laat opmerkelijk genoeg zijn leven buiten beeld. Ook dat geeft te denken…in het licht van een theologie van de menselijkheid.

Matthias Beier, Religie zonder angst en geweld. Hoofdlijnen van Eugen Drewermanns theologie van de menselijkheid, Vught 2011, isbn: 978-94-90708-32-0; 256 pagina’s, € 22,50

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>