Het verhaal van de torenbouw te Babel (Genesis 11) is traditioneel zo gelezen, dat God de volken verstrooit en hun talen verwart als straf voor de hoogmoedige gedachte om een toren tot in zijn hemel te willen bouwen. Die uitleg wordt tegenwoordig vaak omgedraaid. Het is geen straf, maar juist een zegen dat de volken over de aarde zijn verspreid. Dat beantwoordt immers aan Gods intentie, dat de aarde die Hij geschapen heeft bewoond en vruchtbaar gemaakt moet worden.
Deze laatste interpretatie speelt een sleutelrol in het boekje van Marianne Moyaert over de noodzaak van een interreligieuze dialoog. De titel Leven in Babelse tijden verwijst daarnaar, maar speelt ook in op de verwarring die momenteel heerst over die door haar voorgestane interreligieuze dialoog.
Helder en scherp onderscheidt ze een aantal posities in de dialoog. Achtereenvolgens zijn dat het exclusivisme, het inclusivisme en het pluralisme. Het eerste houdt de eigen religie voor de enige waarheid en sluit daarmee anderen uit. Ze worden slechts gezien als mogelijke objecten van bekering. Dat er van een andere religie ook iets te leren valt, valt buiten het gezichtsveld van het exclusivisme. Het inclusivistische perspectief gaat mank aan het tegendeel. De ander wordt niet uitgesloten, maar ingesloten. Let wel, dat gebeurt onder de erkenning dat de andere religie een andere traditie vertegenwoordigt, maar vanuit een soort metaperspectief worden de anderen religies in de eigen, als hoogste waarheid ervaren religie ingevoegd. Er is feitelijk sprake van annexatie in plaats van een dialogische uitwisseling. In het pluralisme is deze onderschikking opgeheven en worden religies aan elkaar nevengeschikt. Er is niet één religie die aanspraak op het bezit van de waarheid kan maken. Ze zijn alle even zovele verschillende wegen naar dezelfde ultieme goddelijke werkelijkheid die aan alles ontsnapt.
Op het eerste gezicht lijkt deze laatste positie de beste uitgangspunten te bieden voor een interreligieuze dialoog. Moyaert laat echter zien hoe achter het pluralisme dikwijls een beleefde onverschilligheid schuilgaat. De ander wordt niet werkelijk op zijn of haar eigen merites gezien, vanwege de neiging verschillen te snel glad te strijken. Ze spreekt van de onverschilligheid voor het verschil. Feitelijk gebeurt er hetzelfde als in de exclusivistische benadering, al gaat het wat subtieler. Maar als het erop aan komt wordt de ander in zijn andersheid niet erkend. Er is geen ruimte voor het zelfverstaan van de ander. Vaak gaat er een zekere druk uit van het pluralisme om het vasthouden aan de eigenheid los te laten ter wille van de dialoog. Maar dialoog betekent niet het opheffen van het verschil, maar het uithouden met het verschil. De diversiteit is geen vloek, maar een zegen. En dan komt de hedendaagse interpretatie van het Babelverhaal om de hoek kijken (p. 71vv). De boodschap daarvan is dat diversiteit vruchtbaar is, dat eenheid daarentegen verstikt. In het verhaal zelf is er geen sprake van dat God gekweld zou zijn door veronderstelde menselijke hoogmoed. Wat God zorgen baart (in de leefwereld van het verhaal) is niet dat ze hem naar de kroon steken, maar dat ze op een kluitje blijven. Dat zou zijn scheppingsdroom pas echt in gevaar brengen.
In navolging van de Franse filosoof Paul Ricoeur pleit Moyaert daarom om te zoeken naar een theologie van interreligieuze gastvrijheid (p. 84). De taal is daarvoor het aangewezen instrument. Ricoeur spreekt van een talige gastvrijheid, waarmee hij bedoelt dat mensen uitgenodigd worden de ander te leren kennen in zijn andersheid. Dat die ander een andere (geloofs)taal spreekt, vormt daarbij een hindernis maar geen grens. Wel is het van belang te erkennen dat in elke vertaling, die nodig is om elkaar in de dialoog te bereiken, de vreemdheid van de ander niet wordt opgeheven. Er is altijd een betekenisrest die zich verzet tegen de vertaling (p. 88).
Juist op dit punt zou een verdere doordenking van het thema van de alteriteit, meer in het spoor van de postmodernen, het betoog verder hebben kunnen brengen. Belangrijk in deze filosofische benadering is dat het andere ook in het eigene wordt onderkend en omgekeerd. Moyaert schrijft in het spoor van Ricoeur: Tussen het eigene en het vreemde zal altijd een onophefbaar verschil blijven bestaan. Het vreemde zal nooit helemaal eigen worden (p. 88). Hoe waar dit ook is, dit is tegelijkertijd te statisch. Want de posities bewegen, zeker in de dialoog. Het wordt nog spannender als we in het eigene het vreemde leren onderkennen en in het vreemde het eigene herkennen.
De interreligieuze dialoog vraagt om een specifiek soort openheid voor de ander, om een interreligieuze gastvrijheid. In het laatste hoofdstuk van haar boekje, werkt ze dat nader uit aan de hand van een beschouwing over het feest als ontmoetingsruimte (p. 97vv). Waar haar betoog tot op dit moment uitblinkt in helderheid en bijeengehouden wordt door een strakke structuur, wordt dat in deze laatste pagina’s losgelaten. Het wekt de indruk alsof haar ideeën hieromtrent nog meer uitgekristalliseerd moeten worden. De op de achterflap gewekte verwachting dat we met dit boek te lezen krijgen hoe we precies de interreligieuze dialoog moeten vormgeven, wordt daardoor wat mij betreft nog niet ingelost. Dat neemt niet weg dat Marianne Moyaert een belangrijke bijdrage levert aan de bezinning op de voorwaarden voor de dialoog, die meer dan ooit nodig en gewenst is.
Marianne Moyaert, Leven in Babelse tijden. De noodzaak van een interreligieuze dialoog, Kalmthout/Zoetermeer 2011, 125 pg., isbn 9789086870905, € 14,95
