In een handzaam boekje en een lucide stijl analyseert historicus Johan Snel hoe de vrijheid van meningsuiting in het eerste decennium van de 21e eeuw zo’n prominente plaats in het politieke debat heeft kunnen innemen.
Sinds 9/11 is de wereld veranderd. Het is een open deur. Maar in dit verband is het opmerkelijk dat niemand in de dagen van de aanslag op de Twin Towers spreekt over een aanval op de vrijheid van meningsuiting. Wel komt het debat over de rol van religie in politiek en maatschappij opnieuw op de westerse agenda te staan.
In Nederland krijgen we vervolgens te maken met de moord op Pim Fortuyn en op Theo van Gogh. Vooral de laatste wordt in het felle debat dat daarop volgt, gezien als een ‘aanslag op de vrijheid van meningsuiting’.
In de afgelopen jaren worden die beide publieke discussies, over de religie (vooral Islam) en de vrijheid van meningsuiting, op een bijzondere manier vermengd. Tot die tijd was de vrijheid van meningsuiting vooral een topic voor rechtsgeleerden. Nu is het “een sjibbolet, een seculier credo. De rituele aanroeping van deze vrijheid dient als bevestiging van de sacrale waarden van de samenleving. Het grondrecht zelf is nauwelijks aan de orde.” (72).
Snel laat zien hoe het debat in Nederland een specifieke kleur krijgt. De verdediging van de vrijheid van meningsuiting lijkt vooral een aanval op religie in te houden. Want religie staat volgens velen haaks op de kernwaarden van de moderne westerse beschaving.
Dat is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk te noemen. Wie naar de ontwikkeling van het begrip kijkt, ontdekt dat de vrijheid van meningsuiting een betrekkelijk jong begrip is. In juridische zin is het pas sinds de jaren vijftig in Nederland gangbaar. De vrijheid van godsdienst is veel fundamenteler. De moderne rechtstaat is daaruit ontstaan, als verwerking van de godsdienstoorlogen in de 17e eeuw. Grondrechten zijn in eerste instantie bedoeld om burgers te vrijwaren van het geweld van de staat. Ze zijn er om de vrije ruimte van het publieke debat te waarborgen. Vrijheid van godsdienst als grondrecht, impliceert het recht om die godsdienst in de publieke ruimte te beleven en dus de vrijheid van expressie. Dat hier verschillende grondrechten in het geding zijn en dat die kunnen botsen, spreekt vanzelf. In een gezonde democratie kan dat zonder geweld gebeuren, omdat de rechtstaat de democratie corrigeert. “Waar in de democratie de macht vooral wordt uitgeoefend in naam van meerderheden, daar staat de rechtstaat in het bijzonder voor de rechten van minderheden” (74).
Wat Snel laat zien is dat de rechtstaat onder druk is komen staan. Vanuit populistische hoek waarin democratie het recht van de meerderheid is geworden die aan de minderheid opgelegd kan worden. Vanuit het politiek-culturele debat, waarin de vrijheid van meningsuiting vooral gebruikt lijkt te worden om religie aan te vallen en anderen (in het bijzonder moslims) het recht op hun godsdienst te ontzeggen. Ook de pleidooien om religie achter de voordeur te laten, horen hiertoe.
Voor Snel zijn dit uitingen van een nieuw agressief secularisme, met een eigen retoriek. Het secularisme vertoont de trekken van een ideologie, met alle onverdraagzaamheid die daarbij hoort. Als je met een beroep op de vrijheid van meningsuiting meent anderen in hun diepste religieuze overtuigingen te mogen beledigen, met een gelijktijdig beroep op een recht om te kwetsen, dan zijn we ergens een grens overgestoken. In ieder geval is de oorspronkelijke intentie van het grondrecht, namelijk om te beschermen, dan verlaten. Grondrechten staan in een verticale relatie, tussen staat en burgers. Maar volgens Snel worden ze in toenemende mate in een horizontale relatie gebruikt, namelijk normatief in het verkeer tussen burgers onderling. Het hele, wat potsierlijke idee om nieuwe landgenoten sinds 2006 trouw te laten beloven aan de Nederlandse grondwet, komt hieruit voort. De grondwet als seculier credo.
Met instemming haalt Snel Joseph Ratzinger aan (de huidige paus) die in 2005 pleit om in de nieuwe rechtsgemeenschap die in Europa wordt gevormd ook ‘de eerbied voor wat de ander heilig is’ op te nemen: “De grens van de vrijheid van meningsuiting ligt daar, waar de eer en de waardigheid van de ander vernietigd wordt” (gecit. op p. 94). Vrijheid van meningsuiting is niet een vrijbrief om maar van alles te roepen. Het krijgt pas betekenis als het een bijdrage aan het publieke debat levert.
Met zijn heldere analyse draagt Snel bij aan dat debat. Het is te hopen dat zijn geluid gehoord wordt, te midden van het verbale geweld waarmee sommige verdedigers van de vrijheid van meningsuiting dit grondrecht dreigen te overschreeuwen.
Johan Snel, Recht van spreken. Het geloof in de vrijheid van meningsuiting, Zoetermeer 2010, 112 p., €11,90, isbn 9789023925606

