Artikelen

Predikant in de praktijk. Over preken en preekvoorbereiding.

Wat is uw drijfveer om een preek voor te bereiden en te houden?

Preken hoort bij de kerntaken van een predikant. Dat is natuurlijk een geweldige open deur, maar ik vind het belangrijk om met die nuchtere constatering te beginnen. Preken is in de eerste plaats een ambacht. Het hoort bij het corvee van een dominee.
Zelf hou ik ervan om te preken. Dat geldt voor veel collega’s blijkt regelmatig uit onderzoek. Het heeft ook wel wat om een stief kwartier te kunnen spreken, ononderbroken en onweersproken. En dat voor een in de regel aandachtig en welwillend gezelschap. Menig leraar zou jaloers zijn.
Preken gaat over communicatie en dat is, hoe langer je het doet en hoe meer je erover nadenkt in de kern iets wonderlijks. Dat door gewone woorden van een preek iets bij mensen gebeurt, en dan bij ieder van de toehoorders op een eigen en verschillende manier. Ik weet inmiddels dat het zo werkt, maar het verbaast me toch telkens weer.
Tegelijk doet het preken iets met je zelf. Dat ik graag preek heeft er ook mee te maken dat je in een preek met wezenlijke dingen bezig bent. Het gaat over je eigen geloof en je eigen drijfveren. In een preek ben je persoonlijk betrokken.
Ik heb weleens gekscherend gezegd dat ik mij zelf er elke zondag weer boven op preek. In elke grap zit een waarheid verborgen, en dat geldt hier ook.

 

Hoe zou u uw visie op de preek omschrijven? Welk woord vat die visie voor u het beste samen: preek, verkondiging, uitleg en verkondiging, Woord van God vandaag, overdenking, etc.?

Ik vind overdenking een mooi woord. Vaak denk ik dat dat het ook zo’n beetje is, wat mijmeren bij de tekst, een voorzichtig cirkelen om het verhaal, een wat losse manier van associëren tussen tekst en werkelijkheid.
Ik ben allergisch geworden voor het woord uitleg. Dat pretendeert mij teveel. Alsof ik als prediker de uitleg kom brengen. Natuurlijk geef je vanuit je kennis achtergrondinformatie waar dat nodig is, of waar jij dat nodig acht (een verschil!). Maar dat is niet waar het in een preek om gaat. De tekst moet niet zozeer worden uitgelegd, maar worden opengelegd. Ontvouwd, productief gemaakt, zodat de mensen in de kerk zelf hun eigen verbindingen kunnen gaan maken met wat er in de preek wordt gezegd en wat er voor hen in de Bijbeltekst klinkt. Als predikant ben je dienstbaar aan dat proces. Dat doe je niet als een neutrale aangever. Dat kan niet eens, maar is ook niet wenselijk. Je stimuleert het productieve proces van de preek het best door je eigen visie in te brengen, dat wat jou raakt, frappeert, irriteert enzovoort.
Vandaar dat het woord ‘verkondiging’ mij momenteel wel aanspreekt. Je biedt meer dan informatie. Je hebt iets te vertellen. Daarom draag je ook een toga.

 

Ligt u wel eens wakker in de nachten van zaterdag op zondag of op zondag op maandag? Waarom?

Ik lig nooit wakker van de preek, maar ik lig wel eens wakker en denk dan aan de preek. Voor mij is preken geen worsteling. Ik word altijd een beetje argwanend als collega’s dat zeggen. Het klinkt wel heroïsch, maar volgens mij is dat vaak valse romantiek. Alsof iets alleen maar goed kan zijn, als je er ontzettend mee geworsteld hebt. Het maken van een preek is gewoon handwerk. Er is een heldere deadline en overschrijden daarvan is niet aan de orde.
Het helpt natuurlijk als je veel ervaring hebt. Dat geeft een zeker zorgeloosheid in de voorbereiding, ook als je nog helemaal niet weet waar het naar toe moet – dat is het wakker liggen en denken aan de preek. Gelukkig weet je dan uit ervaring dat die preek er wel komt. Anders zou er van slapen niets meer komen en een goede preek heeft ook een goede nachtrust nodig.
Zorgeloosheid is uiteraard wat anders dan onverschilligheid. Bij de preek doet alles er toe. Daarom kun je achteraf nog wel eens bedenken dat een zin toch anders uitgesproken had moeten worden, of ontdekken dat een bepaalde gedachtegang die je bij het maken van de preek volkomen logisch leek, onder het houden van de preek opeens geforceerd klinkt. Maar dan helpt het weer om te bedenken: volgende zondag, nieuw ronde nieuwe kansen.

 

Welk proces doorloopt u bij de preekvoorbereiding?

Ik volg het oecumenisch leesrooster dus de tekst waarover het zondag gaat is al ver van te voren bekend. Al jarenlang kies ik voor één lezing. Ik geloof niet zo in het jongleren met allerlei teksten. Dat levert vaak exegetische en homiletische acrobatiek op die de meeste gemeenteleden helemaal niet interesseert.
Meestal heb je voor de rubriek in het kerkblad al geruime tijd van te voren een paar zinnen over de zondagslezing geschreven. Maar dan moet de ontmoeting met de tekst nog beginnen. Soms gaat het in de preek dan een andere kant op dan in het kerkblad vermeld. Ik maak het zelden tot nooit mee dat mensen daar op reageren of hun teleurstelling uiten.
De preek wordt geboren op het moment dat je in de tekst of naar aanleiding van de tekst, het haakje vindt waardoor je er dit keer naar binnen gaat. Met het haakje bedoel ik: de ingeving, de rode lijn, de dragende gedachte, datgene waar je het dit keer over wilt hebben. Datgene waar je je preek aan ophangt. Het haakje dus. Als je dat eenmaal hebt gevonden dan is de rest uitwerking.
Het maken van een preek is ook een creatief proces. Juist bij de ingeving ervaar ik zelf dat het sterkst. En ook dat het creatieve moment iets is wat je gegeven wordt.

 

Welke bronnen spelen een rol bij uw preekvoorbereiding?
Als je al over de heilige Geest wilt spreken in verband met de preek, dan hier. De preekvoorbereiding begint met de heilige Geest. Zoals de Dienst van het Woord begint met het gebed om de heilige Geest. Ik denk  niet dat predikanten toegang hebben tot een geheimzinnige bron die voor anderen gesloten blijft. Ook niet dat in de preek eigenlijk de Geest spreekt en niet de predikant. Dat is boerenbedrog (en slechte theologie). Je kunt je niet achter de Geest verschuilen. Maar je kunt je er ook niet voor verschuilen. Zij weet je te vinden, of zij zorgt ervoor dat ze gevonden wordt. Dat is het wonder van de ingeving en met de ingeving begint elke preek.
Voor mij is die voorbereidende fase van het creatieve proces dat het maken en houden van een preek is steeds belangrijker geworden. Schoolse exegese slaat dit proces dood. Van commentaren word je wel wijzer maar het helpt je zelden bij de preek. Homiletische exegese leest de tekst (in de vertaling die de gemeenteleden zondag ook horen!) met het oog op de preek. Wat je dus nodig hebt zijn goede invallen. Die krijg je niet automatisch, daar moet je naar op zoek door schaamteloos te grazen in de krant, in film en op TV, in literatuur en in gesprekken, en heel soms in preken van collega’s.

 

Welke personen spelen een rol bij uw preekvoorbereiding?

In het verleden heb ik in verschillende steden deel uitgemaakt van een exegesegroep met collega’s. Dat waren altijd leuke sessies, ook vanwege het collegiale contact en het uitwisselen van ervaringen. Voor de preekvoorbereiding leverde het soms wat op. In ieder geval vond ik het stimulerend om samen over tekst en preek na te denken.
In de loop der jaren heb ik ook wel met gemeenteleden aan preekvoorbereiding gedaan. Dat is leerzaam op een heel andere manier. Het is goed om uit je theologische dwangstand gehaald te worden. Gemeenteleden formuleren vaak heel ander vragen of opmerkingen bij de tekst. Wat theologen interessant vinden (tekstuele verbanden, woordafleidingen, symboliek e.d.) interesseert gewone mensen vaak minder.
Hoe waardevol dit soort sessies ook zijn, toch is in mijn praktijk de preekvoorbereiding een solo-avontuur. Dat hoeft niet verkeerd te zijn. Je wilt toch ook niet dat de theatermakers door de week een sessie met het publiek organiseren om gezamenlijk de voorstelling voor te bereiden van dit weekend? Ik kom wel naar het theater en laat me graag verrassen. Ieder zijn vak.
Toch ben ik geen solist. Je laat je zeker gelegen liggen aan opmerkingen en andere feedback. Maar dat is achteraf. Wat echter allemaal achteraf is gezegd, gaat de volgende keer weer vooraf mee. Want zoals een homileet (Jur Thomas) het ooit heel pregnant verwoordde: preken is volgende week zondag preken.

Hoe komt u tot de keuze van perikoop en/of thema?

Omdat ik in de regel het oecumenisch leesrooster volg, is de tekstkeuze voorgegeven. Dat verlost je van problemen (wat lezen we vandaag?), maar schept ook eigen problemen (hoe maak ik hier chocola van?). Die laatste zijn te verkiezen, want productief voor de preek.
Soms volgen we de alternatieve lezing die het leesrooster aanbiedt. Met name in zomer en najaar, de feestloze periode van het kerkelijk jaar. Soms gebruik ik de zomer ook voor een korte serie semicontinue lezingen, waar dan bijvoorbeeld een prekenserie over Job of over Prediker uitrolt.
Natuurlijk zijn er bijzondere zondagen of feestdagen waarop een thema leidend is. Als er een thema moet worden gezocht, is mijn ervaring dat je daarvoor vaak goed terecht kunt bij de reguliere lezingen. De Bijbel voegt zich naar het leven. Als het echt niet lukt, dan vind ik het geen bezwaar om een lezing bij het thema te zoeken. Maar als je dat doet ervaar je ook weer wat de zegeningen van het rooster zijn. De Schrift gaat vóór en wijst je de weg. Het lijkt mij een grote last om iedere keer weer te moeten bedenken waar het deze zondag over zal gaan in de preek. Dan wordt de inspiratie te veel gebonden en beperkt door mijn eigen perspectief. Het rooster disciplineert en juist dat geeft vrijheid. Vrije tekstkeuze zou mij eerder verlammen.

 

Heeft u bij het schrijven/voorbereiden van een preek een (denkbeeldig) gemeentelid in gedachten?

Je schrijft een preek allereerst voor je zelf. Er is daarom altijd tenminste één hoorder die er plezier aan beleeft. Meestal, want je kunt je zelf ook wel eens teleurstellen, maar dat merk je dan vaak pas bij het houden van de preek.
Als ik mijn preek schrijf dan zijn er natuurlijk ook andere mensen in mijn gedachten. Je schrijft je preek niet alleen voor je zelf, maar vooral voor anderen. De ontmoetingen in het pastoraat en bij andere gelegenheden werken door in de preek. Hoe dat gebeurt is niet in het algemeen te zeggen.
Het is de ervaring van iedere prediker dat mensen soms heel andere dingen horen dan jij hebt gezegd. Of dat wat jij hebt gezegd heel anders wordt opgevat, soms zelfs op een manier die jij nooit had vermoed. Net zoals een schrijver verbaasd kan zijn over wat lezers in zijn boeken lezen.
Die ervaringen hebben mij geholpen om het gewicht van de preek te relativeren en tegelijk nooit hoog genoeg te schatten. Ook van die ene keer toen ik een preek zo nadrukkelijk geschreven had voor één iemand, die er die zondag juist niet bleek te zijn, heb ik veel geleerd. Alsof ik niet hoefde te preken voor al die anderen?
Preken is dikwijls: schieten met hagel. Je raakt altijd wel wat. Maar net als jagen met hagel kan het lelijke wonden veroorzaken.

 

Welke rol spelen structurerende elementen zoals introductie, ‘preekillustraties’, anekdotes en een samenvattende afsluiter in het geheel van uw verkondiging?

Een preek schrijven is ook een kwestie van retoriek. Daar hoort een zorgvuldige opbouw bij. Er is een hele theorie over het begin van de preek. Essentieel, want aan het begin is de aandachtscurve het hoogst, de welwillendheid van de hoorders het grootst en hun spanningsboog nog niet uitgeput.
Ik besteed veel aandacht aan het begin van de preek, in het bijzonder aan de openingszin. Als ik de eerste zin ‘heb’, ben ik voor mijn gevoel al een heel eind. Omdat in een goede openingszin de rest van de preek al in zit.
Anekdotes en voorbeelden worden het best onthouden. Dat is niet altijd een aanbeveling, vind ik, want het gaat er niet per se om dat de preek onthouden wordt. Het is veel belangrijker dat een preek mensen stimuleert om hun eigen gedachten en associaties te maken. Daar zijn al te expliciete verhalen en voorbeelden soms een hindernis voor.
Retorisch is het belangrijk om te zorgen voor kleine momenten van ontspanning. Een goed getimede grap doet wonderen. Als het tenminste een goede grap is. Ik hou daar wel van, maar heb ook gemerkt dat zoiets het beste werkt als ze jouw preekstijl kennen.
Ik vat aan het einde de preek niet samen, maar rondt het wel af. Als de organist bij de laatste zinnen alvast op zijn plek gaat zitten, weet ik hoe laat het is.

 

Hoe gaat u om met preekvoorzieners en verzoeken voor preekbeurten?

Preekvoorziening is een vak apart. Iedere keer als ik een preekvoorziener aan de lijn heb, ben ik geneigd hem of haar sterkte te wensen.
Ik heb naast het fulltime predikantschap altijd ook op een aantal vrije zondagen gepreekt. Ik vind het leuk om te doen, maar het is ook een vorm van vanzelfsprekende collegialiteit. Als jij vrij bent in eigen gemeente, is het toch ook fijn als er collega’s zijn die daar dan dienst doen.
Na een aantal jaren op een vaste standplaats groeit vanzelf een kring van gemeenten waar je vaker komt. Omdat je gevraagd wordt en dus kennelijk niet al te veel bent tegengevallen. Of omdat het een gemeente is waar je zelf graag komt om allerlei redenen. Een keer per jaar voorgaan in een gemeente waar je gestaan hebt, is altijd leuk om te doen.
Ik vind elders preken ook verrijkend. Het verbreedt je beeld van de kerk. Je leert er van. Het gaat overal hetzelfde maar altijd net even iets anders.
Vervelende misverstanden heb ik zelden meegemaakt. Een keer stonden we met zijn tweeën als gastpredikant in een consistorie op het Friese platteland. De daar gestationeerde collega had wel een heel ingewikkelde driehoeksruil gemaakt. Ik was overbodig en kon weer naar huis. Er heeft tot mijn verbazing nooit iemand gebeld om te vragen waar ik bleef. Kennelijk kon ik gemist worden. Een belangrijke les….

 

Hoe denkt u over de aanwezigheid van het ‘ik’ in de preek?

Het bijzondere van de preek als communicatievorm is dat het ondanks de collectiviteit van het groepsgebeuren persoonlijker kan zijn dan een gesprek onder vier ogen. Maar daarvoor is het wel nodig dat de prediker m/v zich persoonlijk engageert. De hoorder heeft recht op het ‘ik’ van de predikant, om te horen, voelen, ervaren waar hij/zij door wordt geraakt, geïntrigeerd, geërgerd. De predikant is geen neutraal doorgeefluik, zoals sommige preekopvattingen lijken te suggereren. Niets communiceert zo sterk als de persoonlijkheid van de prediker is een oude homiletische wet.
In mijn preekvisie is die persoonlijkheid van de predikant een krachtig middel om de werking van de preek te vergroten. Door zijn persoonlijke geraaktheid te tonen, helpt de predikant met zijn preek een vergelijkbaar proces bij de hoorders op gang te brengen. De preek wil immers mensen bewegen en raken op een emotioneel en motivationeel niveau. Het gaat niet om overdracht van informatie maar van inspiratie.
Natuurlijk zijn er ook predikanten met een te groot ego die tussen de gemeente en God zelf in gaan staan. Hun ik verstikt het ik van de hoorder. Maar dat zijn uitzonderingsgevallen die bij een goede screening er wel uitgehaald kunnen worden. Preekbekwaam hoeft nog niet preekbevoegd te zijn, wat mij betreft.
Gun jonge predikanten tijd en ruimte om hun eigen stem te ontdekken. Hoe persoonlijker de preek hoe sterker de werking.

 

Op welke wijze onderhoudt u contact met de hoorder tijdens preek en dienst?

De preek is onderdeel van de dienst die samen zorgt voor een totaalbeleving. In onze traditie is de preek een belangrijk, misschien wel het belangrijkste element van de viering. Ze bepaalt voor een groot deel het oordeel over het geheel.
Voor de totale beleving is het van belang dat er vanaf het begin een goed contact is tussen jou als voorganger en de hoorders. Ook de ruimte, licht en geluid, kwaliteit van de stoelen en de stand van de verwarming speelt mee en bepaalt mede de waardering voor het uurtje godsdienstoefening op zondagmorgen.
Ik hou van een verzorgde liturgie en preek, in een ontspannen en persoonlijke setting. Een kwinkslag aan het begin van de dienst kan de toon al zetten.
Hetzelfde geldt voor de preek en dan met name het begin. De lengte van de preek stem ik af op de gelegenheid. Bij bijzondere diensten (doop, bevestiging ambtsdragers) kan het wat korter. Als het te lang duurt, de preek maar ook de gehele dienst, worden mensen onrustig en verslapt de aandacht.
Een bekende retorische truc is de grap op driekwart van de preek. Werkt bijna altijd.
Stemverheffing of het kunstmatig laten vallen van (te lange) stiltes om de aandacht van afgedwaalde hoorders terug te winnen, vind ik een zwaktebod. Als zij niet meer luisteren, moet jij als predikant je afvragen wat je fout doet.

 

In hoeverre maakt u weleens gebruik van vrije vormen/experimenten voor de verkondiging?

Toen een aantal jaren geleden de beamer zijn intrede deed, heb ik daar in het begin enthousiast gebruikt van gemaakt voor de preek. Regelmatig liet ik een of meer afbeeldingen zien uit de kunstgeschiedenis om het verhaal van de zondag te belichten. Nu doe ik dat maar spaarzaam meer. Toch denk ik dat hier een belangrijke mogelijkheid ligt voor de toekomst van de preek.
Dat ik er zelf terughoudend in ben geworden, heeft te maken met dat ik toch wel erg geschoold ben in de verbale communicatie. Het is een vak apart om op een goede manier met beelden te communiceren. Maar belangrijker vind ik dat de communicatievorm preek een eigen bijzondere kracht heeft. Met teveel beelden in de preek dreigt genrevervaging.
De preek is iets anders dan een presentatie die veel mensen door de week meemaken op hun werk of in de klas. De preek is ook iets anders dan de lezing in het leerhuis of in het dorpshuis. Ik geloof dat de klassieke vorm van één spreker voor een zaal met mensen, die gewoon een goed verhaal houdt zonder technische foefjes en strapatsen en zonder hinderlijk onderbroken te worden door vragen vanuit het publiek, nog steeds krachtig is. Als je echt wat te vertellen hebt, zijn mensen bereid je aan te horen. Iedere predikant krijgt de aandacht die hij verdient.

 

Welke ruimte is er in uw preekproces voor improvisatie?

Mijn preken staan letterlijk op papier. Bij de uitvoering wijzigt er weleens een zinnetje of woordje hier en daar, maar in de regel draag ik mijn preek voor zoals ik die heb opgesteld. Dankzij de ervaring schrijf ik de preek al in spreekstijl. Ik weet bij het schrijven dat ik deze tekst moet gaan uitspreken en dat bepaalt niet alleen de woordkeus, maar ook de zinslengte, de accentuering en soms de herhaling.
Preken aan de hand van aantekeningen of een preekschema heb ik ook wel gedaan. Dat is niet zo moeilijk als sommige kerkgangers denken, die vol bewondering spreken over de dominee die uit zijn hoofd preekt. Dat laatste heb ik ook wel gedaan, zij het noodgedwongen omdat ik de preek thuis had laten liggen. Je merkt dan dat dankzij de voorbereiding de preek aardig in je hoofd zit zodat je deze makkelijk kunt reproduceren.
Ondanks een gedegen voorbereiding gebeurt het soms dat je tijdens het houden van de preek ontdekt dat een bepaalde gedachtegang niet klopt, niet logisch aansluit, of onvoldoende het punt dat je wilt maken duidelijk maakt. Je kunt dat opvangen door op dat moment nog wat aan je tekst toe te voegen of een passage over te slaan. Ik weet niet goed of dat improvisatietalent is, of gewoon de technische handigheid die je door de jaren heen hebt ontwikkeld.

 

‘Het liefst preek ik tijdens een Kerstnachtdienst’; ‘ik zie het meest op tegen preken tijdens de Kerstnachtdienst’. Waar zit u ergens in het spectrum van deze twee uitersten? Licht uw antwoord toe.

Preken in de Kerstnachtdienst hoort tot de hoogtepunten van het jaar. De kerk is dan meestal bomvol. Er zijn veel mensen die anders niet komen. Ik vind het een bijzondere uitdaging om de Kerstboodschap op een begrijpelijke en toegankelijke manier uit te dragen. Het blijkt telkens weer een onuitputtelijk verhaal te zijn, waar je homiletisch niet op uitgekeken raakt.
De preek in de Kerstnachtdienst moet kort en bondig zijn, puntig en licht. Het is belangrijk om aan te haken bij de actualiteit. Het thema ontleen ik meestal aan de Kerstglossy die de landelijke kerk uitgeeft.
De verwachtingen van het publiek dat op zoek is naar een authentieke Kerstbeleving zijn nog meer dan anders leidend. Geen al te kerkelijke liturgie, niet teveel ingewikkelde melodieën, maar wel Stille Nacht laten zingen.
Het schimpen op degenen die er de rest van het jaar niet zijn of op mensen die alleen maar een oppervlakkig Kerstgevoel zoeken, vind ik onheus en goedkoop. Het is een teken van binnenkerkelijke arrogantie waarvan we nu toch wel genezen zijn?
Homiletisch is het so wie so bedenkelijk om hoorders te kritiseren. Zij kunnen immers niks terug zeggen. Kritische noties kun je prima kwijt in de voorbeden.
De blijde boodschap van Kerst is dat iedereen erbij hoort (er is plaats in de herberg), dus dat is reden te meer om ruimhartig en gastvrij te preken.

 

Welke reacties ontvangt u op uw preken en wat doet dat met u?

Toen ik een paar jaar predikant was, zei een oudere collega tegen mij dat als de mensen zondags zeggen dat je zo mooi gepreekt hebt, je bij jezelf na moet gaan wat je verkeerd hebt gedaan. Dat is wel erg streng, maar er zit een kern van waarheid in, waardoor ik het altijd onthouden heb.
Toch ben ik blij als mensen positief reageren op mijn preek of op het geheel van de dienst. Dat begint al bij het handen schudden en goede zondag wensen bij het verlaten van de kerk. Ik neem die complimentjes ook dankbaar in ontvangst. Ieder mens gedijt van positieve respons, dat geldt ook voor mij. Als er helemaal geen respons is, dan kan dat een soort somberheid veroorzaken, de post-sermonale triestheid, die alleen predikanten kennen. Je hebt je toch heel kwetsbaar gemaakt en jezelf in de ziel laten kijken en als dan de koffie en de dorpsroddels interessanter zijn  kan dat een krasje op de predikantenziel veroorzaken.
Het helpt om te relativeren, vooral jezelf.
De preek is ook een ritueel, ingebed in het rituele kader van de zondagse viering, met een eigen werking die niet geheel samenvalt met de inhoud van de preek of met de persoon van de prediker. Dat geeft ook ruimte om eventuele kritiek op de preek (of de kerkdienst) los te koppelen van kritiek op jouw persoon.

 

Welke homiletische ontwikkeling herkent u bij uzelf? Welke ontwikkelingen ziet u bij collega’s?

Okke Jager merkte ooit op dat predikanten die bij hun 25jarig-ambtsjubileum met lichte ironie opbiechten dat ze zich schamen voor de preken waarmee ze begonnen, daarmee impliceren dat ze zich niet meer schamen voor hun huidige preken.
Het zou niet goed zijn als je preekstijl na meer dan een kwart eeuw niet veranderd zou zijn. Maar volgens mij zijn het bij mij graduele veranderingen, geen schokkende breuken. Al ben ik niet de meest aangewezene om dat te beoordelen. Een beetje zoals de slager die zijn eigen vlees keurt?
In de beginjaren ben je vaker onzeker over de preek. Het kostte toen ook meer moeite dan tegenwoordig om een preek te maken. Alles heeft een keerzijde. Als het al te gemakkelijk wordt, moeten de homiletische alarmbellen gaan rinkelen. Preken kan nooit een maniertje worden. Routine helpt maar kan ook hinderen.
Door de jaren heb ik wel geleerd één preek per keer te schrijven. Je wilt gauw teveel tegelijk vertellen of als beginnend predikant je theologische kennis etaleren. Kill your darlings, is ook een wijze tip uit de masterclass creatief preekschrijven. De concentratie op één Bijbeltekst helpt daarbij.
Een andere verandering is dat exegetische wijsneuzigheden steeds minder een rol spelen in mijn preken.
Van mijn promotieonderzoek in de homiletiek heb ik veel geleerd, vooral om mijn eigen stijl van preken door te ontwikkelen. Het heeft mijn homiletisch zelfbewustzijn versterkt.

 

Wat is volgens u het doel van ‘missionaire prediking’? Op welke wijze geeft u praktisch invulling aan dat doel?

Eén van de stellingen bij mijn proefschrift was dat de term missionaire prediking een pleonasme is. Daar sta ik nog steeds achter.
De preek is een preek als ze wervend is, als ze mensen in beweging zet. De preek is een preek als ze grensverleggend is, als ze verbindingen maakt die mensen in staat stelt hun eigen grenzen te verleggen of verbindingen te maken.
Het mooie aan een preek is dat je communiceert in direct contact met je publiek. Je dingt naar hun aandacht. Je komt bij hen aan boord. Je wilt doordringen in harten en hoofden van mensen. Omdat je meent ze iets te zeggen te hebben. In alle bescheidenheid, ben ik dan meteen geneigd er achter aan te zeggen, maar waarom eigenlijk? De preek is een missionaire preek omdat elke preek ook iets onbescheidens heeft.
Elke keer weer hoop ik dat door de preek en het geheel van de kerkelijke viering een vonkje overspringt. Daar bid je toch ook voor? Dat er iets met mensen gebeurt, in en door en onder de preek, ubi et quando visum est Deo. Hoe dat gebeurt, daar ga ik niet over, maar daar ben ik wel bij en zelfs op aan te spreken.
Ik geloof niet zo in speciale diensten voor zoekers. Het impliceert dat wij het al gevonden hebben en dat lijkt mij een theologisch bedenkelijk conclusie.
 Welk homiletisch advies wilt u graag als tip meegeven aan uw collega’s?

Met een variant op een bekende Loesje:
Preek je zelf.
Er preken al genoeg anderen…
© Bert Altena

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter