9789492183514_front.jpg
Boeken

Peter Rollins, Verslaafd aan God

Onlangs was Peter Rollins in Amsterdam om op een speciaal belegde studiedag een presentatie te geven aan de Protestantse Universiteit. Hij verklaarde daar wat onwennig te zijn omdat hij nooit in een academische setting optreedt, maar daar was eerlijk gezegd weinig van te merken. Met een verbazende overtuigingskracht hield hij een stevig verhaal over de basisideeën die ten grondslag liggen aan zijn nu in het Nederlands vertaalde boek, The Idolatry of God (Verslaafd aan God).

De Noord-Ierse Rollins (1973) is filosoof maar ook actief in een avant-gardistische christelijke voorhoede van experimenterende geloofsgemeenschappen. Hij noemt zichzelf een pyrotheoloog, die de heilige huisjes van kerk en theologie in brand zet. Hij hanteert graag de methode van de rebel, die radicale dingen zegt én doet, en zo een ontregelend effect heeft. De rebel die zich niet laat vangen in de strakke kaders van een academisch discours, konden de deelnemers aan de genoemde studiedag ervaren.

In Verslaafd aan God strijdt Rollins op twee fronten. Tegen conservatieve theologie die blijft steken in een voor-kritische letterlijkheid aan de ene kant en tegen een liberale theologie die met haar over-kritische geest de radicaliteit van de christelijke boodschap ontmantelt. Voor Rollins gaat het er juist om de radicaliteit te bewaren, wat betekent dat de vreemdheid, het paradoxale, het geheim, het ontregelende wordt gekoesterd. In een interview dat de vertaler, Rudolf Kooiman, had met Rollins en dat achterin het boek is opgenomen, zegt hij het zo: “Mijn belangrijkste aandachtspunt is niet te veranderen wat mensen geloven, maar lezers te vragen om zelf na te denken over waarom ze geloven wat ze geloven. Ik nodig mensen uit mee te doen met een soort archeologisch graafwerk met als doel te ontdekken of hun geloofsvoorstellingen hen ervan weerhouden het niet-weten het lijden te omarmen en zo ja, wat ze eraan zouden kunnen doen” ( 214).

Bij dat archeologisch graafwerk hanteert Rollins het instrumentarium dat wordt aangereikt door de psychoanalytische theorie van Freud en Lacan. Aan het begin van de geestelijke ontwikkeling van de mens staat de fundamentele ervaring van de scheiding (moeder – kind) en dus van verlies. Mensen zijn een heel leven bezig om die verlieservaring te verwerken, door iets of iemand te zoeken wat hen (weer) gelukkig zou kunnen maken. Dat kan van alles zijn, geld, roem, macht, liefde. Ook godsdienst vervult vaak deze functie, om ons gelukkig te maken en een gevoel van vervulling te geven.
Volgens Rollins is dat echter net niet de bedoeling. De christelijke traditie is niet het antwoord op onze oer-vraag of oer-behoefte, maar een andere manier om met het fundamentele gevoel van verlies en tekort om te gaan, namelijk door deze in stand te houden, in plaats van weg te drukken. Al het andere is een af-god. God treedt aan het licht waar mensen het vermogen ontwikkelen om het leven te nemen zoals het is. “De boodschap is dat te midden van de overtuiging dat het leven geen zin heeft (het verlies van de afgod), het leven nog steeds kan worden ervaren als zinvol door het omarmen en beamen van het leven zelf: door te eten, te drinken en door ons te verheugen over het leven zoals het is. Dat is een revolutionaire boodschap die ons vertelt dat het verlies van ‘God’ (de religieuze afgod), hoewel traumatisch, een nieuwe ervaring kan ontsluiten van God die in ons midden woont, iets wat juist in de daad van het omarmen van het leven wordt bevestigd” ( 93).

rollinsHet verrassende van Rollins is, dat hij vanuit dit centrale uitgangspunt traditionele begrippen heel anders leest en van een nieuwe inhoud voorziet. Anders dan de vrijzinnige (liberale) theologie die in een stamelende verlegenheid begrippen als werken der wet, afgogderij, erfzonde, kruis en opstanding het liefst links laat liggen, vult Rollins ze op een nieuwe radicale manier in. Erfzonde is bijvoorbeeld een concept dat we niet kunnen missen, ook al zijn liberale christenen daartoe geneigd, omdat het allemaal veel te zwaar klinkt en te negatief en ieder mens wezenlijk het goede in zich draagt, enzovoort. Erfzonde of oerzonde is “een uitdrukking die niet betekent dat er niets goeds in ons is, maar in plaats daarvan  verwijst naar het idee dat er geen deel van ons bestaan is dat niet gekenmerkt en beïnvloed wordt door het effect van deze scheiding en vervreemding” (33).

Rollins schudt de boel behoorlijk op, als een punker in de theologie.
In zijn De orthodoxe ketter, vorig jaar in vertaling verschenen, gaf hij al een aantal zelfgeschreven of bewerkte verhalen, die gebruikt zijn in de meetingachtige vieringen die hij met zijn makkers organiseert. Ook in Verslaafd aan God lezen we in het hoofdstuk ‘Wil je je geloof kwijtraken? Kom dan bij de kerk’, enkele praktijkvoorbeelden. ‘Don’t try this at home’, werd er gegrapt in Amsterdam, en dat is wel een beetje terecht, want het zijn behoorlijk ver doorgevoerde theatrale ensceneringen die niet zomaar in iedere reguliere kerkelijke setting toegepast kunnen worden.

Neemt niet weg dat de basisideeën, door Rollins met overtuiging gebracht, uitdagen om de christelijke traditie te herwaarderen als de kritische stem die altijd nodig blijft om valse vanzelfsprekendheden te ondermijnen.

Peter Rollins, Verslaafd aan God. Skandalon Vught 2017, 216 pag, € 19,50

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter