Preken

oprechte belangstelling (Mat. 18: 15 – 20)

Er is de bekende uitspraak: Jezus predikte het Koninkrijk, maar wat er kwam was de kerk.
Als je dat eenmaal hebt gehoord, vergeet je het nooit meer. In één zin wordt het spanningsveld gevangen, tussen ideaal en werkelijkheid. Het ideaal, dat is het Koninkrijk. Hét centrale beeld in de prediking van Jezus. Het koninkrijk als beeld voor de wereld zoals ie bedoeld is, waar vrede is en gerechtigheid heerst, waar ieder mens tot zijn of haar recht komt. Dat is het ideaal. Waard om voor te leven. Waard om voor te sterven, vond Jezus. Maar de werkelijkheid is de kerk – iets waarvan Jezus zelf nog geen weet kon hebben; maar dat is de werkelijkheid die zijn volgelingen, die wij, er van hebben gemaakt. Een kerk, met een organisatie, met regeltjes en structuren, met een kerkorde en wat niet meer. Natuurlijk, het kan niet anders. De kerk is mensenwerk.  Maar toch…

Het kost wat moeite om je voor te stellen dat Jezus, de man van het ideaal, de woorden heeft uitgesproken die we zojuist hebben gehoord. Want die gaan over kerkelijke problemen en dat staat wel erg ver af van het ideaal. Het gaat hier over wat je moet doen als iemand buiten de boot van de gemeente dreigt te vallen, zeg maar tuchtmaatregelen. En het klinkt als een protocol: Eerst de zondaar onder vier ogen aanspreken; als dat niet helpt haal je er een of twee anderen bij; als dat geen oplossing biedt, leg je de kwestie voor aan de gemeente, met als uiterste consequentie een losmakingprocedure… Nou ja, daar zit toch niemand op te wachten. Moet dat in het evangelie staan?

Mijn voorstel is om naar aanleiding van het gelezen gedeelte het thema toe te spitsen op wat ik zou willen noemen: de kracht van de gemeenschap. Want dat is hier aan de orde. Dat is ook de achtergrond van die krachtige uitspraak aan het einde van de lezing: Waar twee of drie in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden. En daar zit een grote bemoediging in.

De kracht van de gemeenschap, doet zich allereerst gelden als er problemen zijn.
Dat geldt op allerlei gebied, en ook in de kerk. Maar het speelt overal, en iedereen van ons weet dat: in je gezin of relatie, in de familie. Als er problemen zijn of conflicten, dan blijkt pas wat de kracht van de onderlinge band is, of die het houdt, of je het uithoudt met elkaar. En dat dus ook in de kerk, de gemeente van de Heer. Daarover gaan die aanwijzingen om de broeder of zuster te vermanen en zo voort. Maar wie doet dat? En wie heeft het recht om de ander te zeggen hoe of wat? Daar zijn we, terecht, toch heel voorzichtig mee geworden, om elkaar de maat te nemen?

De kracht van een christelijke gemeenschap blijkt in dit soort crisissituaties, daar hoef ik u niets over te vertellen. Maar crisissituaties zijn uitzonderingen, gelukkig maar. Wat misschien nog belangrijker is, is dat de kracht van de gemeenschap blijkt in het gewone alledaagse omgaan met elkaar. Is daar ruimte om het over wezenlijke dingen te hebben – of houden we het liever vriendelijk en oppervlakkig (ook niet verkeerd…)? Is er een klimaat van veiligheid, van echte betrokkenheid op elkaar? We hoeven elkaar niet de maat te nemen, maar als we van de weeromstuit ons nauwelijks voor elkaar interesseren, dan is dat het andere uiterste. Vrijheid, blijheid is soms ook een dekmantel voor een vorm van beleefde onverschilligheid.
Het is niet verkeerd om je echt in elkaar te verdiepen, om van tijd tot tijd of bij gelegenheid door te vragen – niet veroordelend, maar belangstellend – om het over échte dingen te hebben, want de wereld is al vol van onechte zaken.

Er is de laatste tijd het nodige te doen over de veranderingen in het sociale verkeer. Het zal u ook wel eens zijn overkomen, op een verjaarsvisite of bij een etentje, dat menigeen meer belangstelling heeft voor het beeldschermpje van zijn telefoon dan voor de tafelgenoten. In China zeggen ze van zulke mensen dat ze horen bij ‘de club van gebogen hoofden’. Je ziet ze overal. En het ergste is, dat je soms je zelf al betrapt op dergelijk gedrag, dat je eigenlijk niet wil.
Ik las een artikel over de zogenaamde iGen – de jongste generatie die is opgegroeid met smartphones en niet anders weet dan dat er overal draadloos internet is. Jongeren zitten zo veel online, dat ze verleren om met elkaar te spelen; dat ze verlegen zijn in het sociale verkeer. Ik citeer uit het artikel: “Ze hebben duidelijk minder direct contact met vrienden en familie. En uit elk onderzoek blijkt, hoe langer jongeren online zitten, hoe ongelukkiger ze zich voelen. Ze weten niet hoe ze met direct contact moeten omgaan, zijn banger, verlegener, eenzamer, vaker depressief. Er dreigt een generatie op te groeien van mensen die niet weten hoe ze een analoog vlees-en-bloed-mens moeten zijn” (De Groene Amsterdammer, 24 augustus).

Dat is een algemene zorg en de werkelijkheid is natuurlijk altijd genuanceerder en verschillend van geval tot geval. Ik wil ook geen onheilsprofeet zijn, en in elk tijdsgewricht wordt er zorgelijk geklaagd over de jeugd van tegenwoordig, maar toch…

Gemeenschap begint waar twee mensen bij elkaar zijn met oprechte belangstelling voor de ander. Dat is de kracht van gemeenschap, van het sociale, van alles wat ons menselijk maakt, mensen van vlees en bloed.
En datzelfde, menselijke, principe is het fundament waarop de kerk als christelijke gemeenschap, als gemeente van onze Heer Jezus Christus, is gebaseerd.
Gemeenschap begint waar twee mensen bezig zijn met hun idealen te vertalen naar de werkelijkheid, het koninkrijk en de kerk en de wereld en al het andere…
En die twee halen er dan een derde bij, en zo gaat het verder…
Dat is precies de strekking van die bekende uitspraak in dit gedeelte:
‘Waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden.’

Nog één opmerking over deze uitspraak. Wij zijn geneigd deze oneliner van Jezus aan te halen, als we het hebben over de verminderde kerkgang. Als het dun wordt in de kerk, of als de opkomst op een gemeenteavond tegenvalt, dan zeggen we: waar twee of drie, alsof daar de bemoediging in zou zitten. Maar is dat wel zo?
Misschien is het wel juist andersom. Waar twee of drie bijeen zijn, … daar begint het mee.
Het is geen conclusie, maar een principe.
Het is een uitspraak die ons wil leren hoe het begint, en hoe het telkens weer begint met dat ideaal van het koninkrijk. Als er maar twee mensen zijn, die dat goede nieuws met elkaar delen, en ze halen er een derde bij, dan is er al kerk, dan ontstaat al gemeente. Dan is er een patroon gevormd, dat zich eindeloos kan herhalen, delen en vermenigvuldigen. Dat is het mechanisme van de kerk, van de uitdijende gemeenschap, en dat is wereldwijd gaande tot op vandaag. De kerk groeit.

Wanneer twee mensen samen zijn en er komt een derde bij, dan zien we de methodiek van het evangelie aan het werk. De boodschap van leven, van vrijheid, van Gods genadige liefde, wordt gedeeld en vermenigvuldigd. Aanstekelijk. Het lopend vuurtje van de Geest. Dát is de bemoediging die er van deze uitspraak uitgaat. Ik ben er bij… zegt Jezus.

In een voor-vorige gemeente van mij, waren we gewend om het avondmaal te vieren, staande in een kring door de hele kerkzaal – het is een modern kerkgebouw. Iemand zei toen eens tegen mij: ‘Elke keer als ik in die kring sta, dan kijk ik om me heen, en dan bedenk ik: dit zijn allemaal mensen die net als ik geloven in het Koninkrijk. Daar hoor ik ook bij’.

U merkt het, dat heb ik onthouden.
Want als je zoiets eenmaal hebt gehoord, vergeet ik het nooit weer.

 

 

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter