Preken

Onverbeterlijke volhouders (Lc. 18: 1-8)

De journalist Fokke Obbema wordt in 2017 getroffen door een hartstilstand. Hij heeft geluk. Hij overleeft het door kordaat ingrijpen van zijn vrouw en de opgetrommelde hulpdiensten. Hij hoort bij de 10% die het overleeft, zonder enige fysieke beschadiging.
Maar van binnen is er wel het nodige veranderd. Hij heeft altijd een druk en turbulent leven gehad. Nu krijgt hij tijd om zich te bezinnen. De confrontatie met de dood waaraan hij op het nippertje ontsnapt is, brengt hem er toe op zoek te gaan naar de zin van het leven. Hij is journalist, dus gaat hij allerlei mensen uit verschillende hoeken van de samenleving daarover bevragen. De veertig interviews zijn het afgelopen jaar in de Volkskrant verschenen en onlangs gebundeld in een boek met die titel: De zin van het leven.
Van veertig verschillende verhalen is niet één gemeenschappelijke deler te maken. Maar wat Obbema opvalt is, hoe veel veerkracht mensen hebben. Hij is niet de enige die met tegenslag te maken heeft gehad. Anderen soms nog veel sterker. Maar bijna altijd komen mensen daar boven op, vinden ze de innerlijke kracht om door te gaan, weigeren ze op te geven. Mensen zijn onverbeterlijke volhouders. Ze omarmen het leven, waarderen het leven vaak meer na het ongeluk dat hen getroffen heeft. Soms zijn ze zelfs ‘dankbaar’ om wat hen overkomen is.

In het evangelie van deze zondag vertelt Jezus een gelijkenis over, zo staat er, ‘de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven’. En zoals voor alle gelijkenissen in de Bijbel geldt, Jezus vertelt dat niet alleen aan de mensen toen en daar, hij vertelt het ook voor ons, misschien wel vooral voor ons.
Niet opgeven. Blijven bidden. Is dat de boodschap?

Er zijn een paar opmerkelijke dingen aan dit verhaal, waar ik eerst iets over wil zeggen. Hoe meer je er naar kijkt, hoe meer je er in ontdekt. Uiteindelijk zal het gaan over de vraag of de mededeling aan het begin, inderdaad de boodschap is. Don’t give up? En als dat zo is, wat dat dan voor ons betekent.

Het eerste opmerkelijke in de tekst is, dat wat we net al aanhaalden, wat nog voor het verhaal zelf verteld wordt. Dat Jezus’ gelijkenis gaat over de noodzaak om te bidden en niet op te geven. Dat is een beetje alsof de clou al wordt verklapt, voordat jij het boek gaat lezen of de film gaat bekijken. Spoiler alert. De boodschap wordt al weggegeven. We weten al wat de moraal is, dus vraag je je af waar het verhaal nog verder voor dient.
Waarom vertelt Jezus überhaupt gelijkenissen, als hij de boodschap ook direct zou kunnen geven? Als hij ons voor wil houden dat het belangrijk is om altijd te bidden en om nooit op te geven, dan kan hij dat toch ook gewoon zeggen en het daarbij laten? Is die gelijkenis niet een onnodige omweg?

We zijn hier bij een kernvraag als je het evangelie wilt verstaan. Waarom vertelt Jezus gelijkenissen?
Vaak wordt gezegd dat de gelijkenissen illustraties zijn bij de leer van Jezus. Hij had nog geen powerpoint, maar je moest ook toen al het wel een beetje beeldend brengen. Het plaatje bij het praatje? Toch is dat te kort door de bocht. OK, veel gelijkenissen zijn uit het leven gegrepen, ook deze van vandaag, maar ze roepen altijd ook veel vragen op. Ze lijken eenvoudig te zijn, maar dat is vaak schijn, als je er dieper in duikt.

Vertelt Jezus gelijkenissen als een soort codetaal die alleen begrepen wordt door mensen die serieus op zoek zijn naar de diepere boodschap? Ook dat wordt soms gesuggereerd, mede op overgeleverde uitspraken van Jezus zelf, waarin hij zegt dat zijn leerlingen het kunnen begrijpen maar de onwetende omstanders niet (Mat. 13: 10 en 11). De gelijkenissen zijn dan een soort geheimtaal voor de dingen van het Koninkrijk, voor dat wat in de nieuwe wereld van God geldt. Om de gelijkenissen te verstaan heb je de ogen van het geloof nodig, zoiets.

Al die antwoorden bevatten een kern van waarheid, maar er blijft wat mij betreft iets ongrijpbaars als het gaat om de gelijkenissen. En misschien is dat precies wel de bedoeling.
Het is eigenlijk goed Joods, zoals Jezus doet, en heel Bijbels daardoor.
Op een vraag, antwoordt hij met …. een verhaal. Niet met een redenering. Niet met een ferme uitspraak: Je moet altijd bidden en nooit opgeven. Nee, Jezus vertelt een verhaal. Niet als een onnodige omweg, maar omdat de Bijbelse waarheid altijd gehuld gaat in het gewaad van het verhaal. Want een verhaal, dat gaat over ons mensen en over menselijke aangelegenheden. Een verhaal, een goed verhaal is nooit uitverteld, is altijd weer iets nieuws, dat altijd ook weer anders klinkt, net naar gelang waar en hoe je het vertelt en afhankelijk van door wie en waar het wordt gehoord… Een verhaal roept een persoonlijke reactie op. Jij bent aan de beurt.

Zo is het toch?
Als je veertig mensen naar zo iets groots vraagt als de zin van het leven, dan krijg je veertig verhalen. Veertig verhalen over wat ze hebben meegemaakt in hun leven, wat ze hebben geleerd, door schade en schande, wat ze hebben ervaren, vanaf hun vroegste jeugd, wat het leven hun heeft geleerd en ga zo maar door. En de eenenveertigste vertelt weer een ander verhaal.
Zo gaat het toch?
Als de boodschap vandaag is dat je altijd moet blijven bidden en nooit moet opgeven, dan heeft ieder van ons daar meteen een eigen gedachte bij, nog voordat het verhaal van de gelijkenis wordt verteld. Je denkt aan iets in je eigen leven, van vroeger of misschien is het wel heel actueel. Een situatie waarin jij het moeilijk had, waarin je de grond onder de voeten werd weggeslagen. Of waar je nu midden in zit? Een gebeurtenis die jou uit het lood sloeg. Niet opgeven? Blijven bidden? En wat is dan precies dat gebed?

Misschien is het goed om nu toch even naar de gelijkenis zelf te gaan.
Het gaat over een rechter die het niet zo nauw neemt, zonder ontzag voor God noch voor mensen, en over een weduwe die zich niet door die onrechtvaardige rechter laat afpoeieren.
Op zichzelf al een verrassend voorbeeld. Ik weet niet of wij dat zo gauw zouden bedenken als we de boodschap dat je nooit moet opgeven duidelijk zouden moeten maken. Een van de uitleggers suggereert daarom dat dit verhaaltje terug gaat op een ware gebeurtenis. Een rechter die zich van niemand iets aantrok, had een blauw oog opgelopen omdat een eenvoudige volksvrouw bij hem verhaal kwam halen. Als er staat dat de rechter bang is dat zij haar aanvliegt, kun je dat ook letterlijk vertalen, dat ze hem een blauw oog slaat. Ja, die vrouw had geen tractor om haar gelijk te gaan halen, dus moest ze het met haar blote vuisten doen…

Hoe dan ook, door de vasthoudendheid van die vrouw gaat de rechter om.
Zoals in elk goed verteld verhaal wordt het nog een beetje aangedikt. Hij zegt bij zichzelf: ‘Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen – waarom zou hij dat zeggen? Tot twee keer toe wordt het vermeld – toch zal ik die weduwe recht verschaffen – hij zegt niet, ik zal haar haar zin geven, of ik zal haar tegemoet komen, nee, recht verschaffen –  omdat ze me last bezorgt – niet: omdat ze eigenlijk gelijk heeft, of omdat ik dit keer me wel aan de mensen gelegen wil laten liggen, nee, hij blijft uitgaan van zichzelf, omdat ze mij last bezorgt, zorg ik dat ik van haar afkom…
Dat alles zegt de onrechtvaardige rechter. Tenminste, zo hebben we hem genoemd en zo staat de gelijkenis ook bekend. Vroeger stond het er boven in ons bijbeltje.
Maar met alle respect, die eenvoudige weduwe is toch eigenlijk de hoofdpersoon van dit korte verhaaltje? Zij is toch de heldin? In ieder geval is zij degene die laat zien wat kennelijk de bedoeling is om duidelijk te maken, dat je altijd moet bidden en nooit moet opgeven. Zij geeft niet op. Ze laat zich niet afpoeieren of met een kluitje in het riet sturen. Zij staat op haar recht. Zij weigert te buigen voor onrecht: doe mij recht!

Maar dan gaat het verder, als de Heer zegt: Let op wat de rechter zegt. En Jezus vergelijkt dan de rechter met God, met een redenering die vaker gebruikt wordt in gelijkenis, van het mindere naar het meerdere. Als deze rechter al omgaat en de vrouw recht verschaft, hoe veel te meer zal God dan niet recht verschaffen aan wie dag en nacht tot hem roepen.
Het is alsof de richting van de gelijkenis een halve slag is gedraaid. Niet de vrouw staat model, voor een niet aflatend volhouden, maar de rechter, hoe krom hij ook rechtspreekt. De rechter blijkt dan het anti-model te zijn voor God, die zijn getrouwen niet laat wachten. Met andere woorden, je gebed blijft niet onverhoord. Soms moet je misschien geduld hebben, maar houd dan vol, zoals die vrouw, laat niet af, zoals die weduwe, blijf bidden, dag en nacht, en God zal op zijn tijd uitkomst geven.
Is dat dan de boodschap?
Het klinkt er vroom genoeg voor, maar is dat het dan?

Er zijn uitleggers die het in deze richting zoeken en daar is het nodige voor te zeggen. Dan wordt gesteld dat deze gelijkenis slaat op de bede uit het Onze Vader, uw Koninkrijk kome. Als je het verhaal ziet in de context van het evangelie, dan wordt duidelijk dat het aansluit op een hoofdstuk waarin Jezus uitgebreid over dat Koninkrijk van God heeft gesproken en over de komst van de Mensenzoon (17: 20 – 35).
Dat verband zou ook verklaren waarom er in het laatste vers van dit gedeelte plotseling sprake is van de Mensenzoon. Eerst wordt nog van God gezegd dat hij hun (de uitverkorenen, de gelovigen) spoedig recht zal doen – een hart onder de riem voor de vervolgde gemeente – en daarna is de vraag, “als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof (of, het geloof) vinden op aarde?”

Ook die laatste vraag zag je niet echt aankomen. Ook dat hoort bij het verrassingseffect van de gelijkenis. Het is een vraag die het hele verhaal aan het slot weer terugbuigt naar onszelf.  Nu gaat het niet over de ‘angstige’ vraag hoe lang God nog op zich laat wachten en of Hij genegen zal zijn om onze gebeden te verhoren. Nu gaat het over de vraag of de Mensenzoon, de gestalte van het koninkrijk dat komende is, dat ‘binnen uw bereik ligt’ (17: 21), nu is de vraag of de Mensenzoon geloof zal vinden.
Wat hier met ‘geloof’ is bedoeld, lijkt mij met het oog op het geheel van deze gelijkenis juist dat te zijn, dat aan het begin met zoveel nadruk wordt gemeld. Geloof is hier: het voortgaande gebed én het niet aflatende volhouden van mensen. Mensen zijn onverbeterlijke volhouders. En in dat volhouden, in dat hangen aan het leven en het omarmen van het leven, in dat steeds maar weer de schouders eronder en doorgaan, voortgaan, daarin schuilt het soort geloof dat de Mensenzoon zoekt. Geloof is gebed, het geloof dat op een eigen wijze gericht staat op het Koninkrijk, het geloof, de overtuiging, dat ten langen leste het recht zal zegevieren, dat niet het onrecht heerst, maar het recht. Doe mij recht…is de bede van de weduwe, in al haar eenvoud, in al haar vastberaden zekerheid, de zekerheid van haar geloof.

De noodzaak om altijd te bidden, is geen oproep tot een kerkelijke praktijk of tot een kwezelachtige vroomheid. Dan had de gelijkenis er heel anders uitgezien. Nu gaat het over een dagelijks tafereel. Het speelt niet in de kerk, maar op straat. Daar waar het geloof moet blijken en het gebed zijn eigenlijke uitwerking heeft. De noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven is een levenshouding, gericht op het recht, Doe mij recht – tegen het grote onrecht in de grote wereld en het grote onrecht in je eigen kleine wereld. Het is de kracht om het vol te houden, om het bij God te houden, om het uit te houden. Want zo spreekt de Heer: “Ik zeg jullie, dat hij hun spoedig recht zal verschaffen”.

PS.
Foto De moeders van Srebrenica in de rechtzaal

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter