Preken

Nooit te oud, Lucas 2, 25-35 (Simeon)

Het is kort na de Kerstdagen, dus dikke kans dat bij u thuis de Kerststal nog staat. Of is de Kerststal bij u taboe?
Als kind vond ik het altijd een beetje vreemd, bij ons thuis was een kerstboom geen probleem, maar een kerststal dat was te katholiek – terwijl die toch meer met het bijbelse verhaal te maken heeft dan zo’n dennenboom.

Hoe het ook zij, in de Kerststal staan alle figuren die in de bijbelse kerstverhalen een rol spelen. Een mooi voorbeeld van vrome fantasie, waarin de verhalen van Lucas en van Matteüs zijn gecombineerd. Er staan ook nog een os en een ezel bij, voor het plaatje, onder een vage verwijzing naar een oude tekst van Jesaja. Maar … Simeon en Hanna staan er niet bij.

Nee, die kwamen ook niet naar de stal, zult u zeggen. Toch zouden ze niet misstaan, want ook deze twee bijbelse figuren uit het evangelie van Lucas zijn mensen die het Kerstkind begroeten, ieder op een eigen manier.
Beiden houden zich op in de tempel. We zijn inmiddels niet meer in Betlehem, maar in Jeruzalem. Het kind dat de naam Jezus heeft gekregen, is daar door zijn ouders naar toegebracht om in de tempel de voorgeschreven rituelen te ondergaan.
In de tempel zijn Simeon en Hanna. Zij begroeten het kind en spreken veelbetekenende woorden. Het is een zorgvuldig gecomponeerde scène, die we vandaag wat nauwkeuriger bekijken, waarbij we ons vooral richten op de figuur van Simeon. Het wordt een preek met de nodige uitleg – ik waarschuw alvast.

Wat betekent dit verhaal?
Er is een uitleg die benadrukt dat Simeon en Hanna daar staan als vertegenwoordigers van het oude verbond, van het Oude Testament, van de tijd van de belofte. Hanna wordt profetes genoemd en van Simeon wordt gezegd dat hij “uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken” – een typische uitdrukking die ook in de richting van de profetische verwachting wijst. Iemand heeft ze eens getypeerd als de ‘wachtposten van Israël’ (Karl Barth) die de verwachting van de profeten vertegenwoordigen. De gedachte is dan, dat met de komst van het kind dat de Messias is, de tijd van verwachting en belofte voorbij is en dat nu de tijd van de vervulling is aangebroken.

Dit is één uitleg. Tegenwoordig zijn we daar wat aarzelend over, omdat je op deze manier deze verhalen in een door ons bedacht schema perst. Het schema van belofte – vervulling. Waarbij het Oude Testament de belofte is en het Nieuwe de vervulling. Hoe logisch dat misschien ook lijkt, op die manier wordt het eerste testament niet meer dan een soort voorbereiding op het tweede en ligt de gedachte op de loer dat met het nieuwe het oude heeft afgedaan; en dat schema heeft in kerk en theologiegeschiedenis veel onheil gesticht.

De woorden van Simeon zijn meer dan alleen de bevestiging van zijn verwachting. Dat ook, maar ze bezitten een overschot aan verwachting en belofte. Het is belangrijk om dat te ontdekken, want alleen dan kan hij over al die eeuwen ons vandaag ook aan gaan spreken. Als een mens die bij ons de verwachting wakker roept. Het is dodelijk als de bijbel en de bijbelse figuren opgesloten blijven in het verleden. De Bijbel gaat pas leven, als we in staat zijn om die oude woorden en verhalen naar onze eigen situatie over te zetten.

Dat is lastig bij Simeon, omdat we van hem het beeld hebben van een oude profeet die op het laatst van zijn leven nog de genade ontvangt dat hij de messias met eigen ogen mag aanschouwen.
Dat beeld is tamelijk hardnekkig.
Het lijkt aan de tekst ontleend, maar als je nauwkeurig kijkt dan heeft dat misschien meer te maken met de manier waarop wij de teksten altijd hebben ingekleurd.
Van Hanna wordt gezegd dat ze een hoogbejaarde weduwe is. Dus is al gauw geconcludeerd dat ook Simeon een bejaarde man is, maar in de tekst vinden we niets over zijn leeftijd.
Er staat wel dat hem geopenbaard is dat hij niet zou sterven voordat hij de messias zou zien – maar ook dat betekent nog niet per se dat hij nu ook oud is, laat staan terminaal.
En zijn beroemde lofzang, ‘Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan’, is in de traditie ook opgevat als een soort zwanenzang. Het lied kwam in de avondliturgie van de kloostervieringen terecht – maar ‘in vrede heengaan’ betekent niet onmiddellijk dat je op het punt van overlijden staat.
Daar komt nog bij dat er een woord wordt gebruikt dat letterlijk betekent: losmaken. U hebt, o Heer, uw dienaar losgemaakt…? Hetzelfde woord wordt in het evangelie van Lucas gebruikt in twee genezingsverhalen: een kreupele vrouw wordt losgemaakt en kan weer lopen (13: 12); een man met waterzucht wordt losgemaakt en hij geneest (14: 4). Dus, dat woord – losmaken – betekent zoveel als: genezen, bevrijden, verlossen.
Simeon zingt, omdat hij zich bevrijd voelt. U hebt, o Heer, uw dienaar bevrijd, zoals u hebt beloofd. Met eigen ogen heb ik de redding gezien, enzovoort.

Dus, het is niet zozeer de bedoeling dat we bij Simeon ons een oude, afgeleefde man voorstellen, die zoiets zegt als: nu kan ik eindelijk sterven, laat mij maar heengaan, ik heb het nog mogen meemaken…
Het is niet: laat mij nu maar sterven, maar veel meer: nu kan ik pas leven!
Hij neemt het kind in de armen en looft God, niet omdat hij nu klaar is om te sterven, maar omdat hij nu pas voluit als een bevrijd mens kan leven. Hij is niet de wachtpost van het verleden, maar wordt een bode van de toekomst. Zijn verwachting is niet vervuld, maar wordt juist geactiveerd. Voelt u het? Dat is echt een ander accent.

Waarom zouden we ons Simeon niet voorstellen als een jonge kerel, een man in de kracht van zijn leven, als een springlevend en levenslustig mens, in plaats van als een afgeleefde en uitgebluste oude man?

Ik zoom nog even wat verder in.
Wat wordt er van Simeon gezegd? Vier kwaliteiten worden opgesomd. Hij is een rechtvaardig en vroom man, die uitziet naar de tijd dat God Israël vertroosting zal schenken, en de heilige Geest rust op hem (25). Vier kwaliteiten, competenties zo u wilt, die een bijbelse klank hebben:
Rechtvaardig – de tsaddik; de mens die blijft op de wegen van Gods wet; vroom – dat is wat anders dan kwezelachtig, maar vroom in de betekenis van stoer, onverzettelijk. Bergen op Zoom – houdt u vroom, kent u dat nog?
Een mens die uitziet naar de tijd dat God Israël zal vertroosten – een echo van het profetische woord Troost, troost, mijn volk (Jesaja 40).
En iemand waar de heilige Geest op rust – dat zou je kunnen omschrijven als iemand met een krachtig geloof, met een creatieve onrust, met een ontwapenende openheid. Dat is wat de Geest doet. In het portret dat de evangelist van Simeon schetst, speelt de Geest een belangrijke rol: De Geest heeft hem geopenbaard over dit kind. De Geest drijft hem naar de tempel toe, op het juiste moment op de juiste plaats. In heel het evangelie is het steeds de Geest die het perspectief openbreekt.

In dat licht kun je ook de profetische woorden van Simeon in de tempel zien.
Alles in dit verhaal heeft een diepere betekenis. Simeon zegent de beide ouders en spreekt dan tot Maria over haar kind. ‘Hij zal een teken zijn dat betwist wordt – de één zal erover vallen, de ander erdoor opstaan; zelf zul je – moeder Maria- als door een zwaard doorstoken worden. De gezindheid van velen zal aan het licht treden’.
Het zijn geladen woorden, die natuurlijk vooruit wijzen naar hoe de weg van dit kind zal gaan, het onderwerp van het evangelie. Simeon heeft profetische allure. Niet omdat hij zover vooruit kan kijken, maar omdat hij in de diepte schouwt. In de Kerstkring komt Goede Vrijdag al in zicht en daarachter Pasen.

Studie voor Simeon in de tempel, Rembrandt

Er zitten allerlei verbindingen en verborgen verwijzingen in de structuur van het evangelie. Ik noem er een paar:
Aan het begin zijn, als Jezus nog maar een kind is, zijn we in Jeruzalem, in de tempel.
Straks aan het einde zal hij opnieuw in Jeruzalem zijn, in de tempel, in gesprek met de religieuze leiders van zijn volk en dan zal de twist uitbreken en de gezindheid van velen aan de dag treden. Het hele evangelie overigens begint en eindigt in de tempel. Het begint met Zacharias in de tempel en eindigt met de leerlingen die na Pasen terugkeren naar Jeruzalem en ‘voortdurend in de tempel waren en God loofden’ (24: 53).
Hier, aan het begin, wordt er met nadruk op gewezen dat de ouders handelen overeenkomstig de regels van de wet. Maar gaandeweg blijkt die wet een struikelblok te worden. De beide genezingsverhalen waar we over spraken, waarin dat woord losmaken – bevrijden wordt gebruikt, spelen zich af op de sabbat en leiden tot een conflict over de interpretatie van de wet. Aan het eind van het evangelie, als het betwiste teken, Jezus, aan het kruis hangt, scheurt het voorhangsel in de tempel – symbool van de wet die doorbroken wordt.

In de Galatenbrief schrijft Paulus, als hij op zijn manier de gemeente wil onderwijzen over de betekenis van het geloof in Christus Jezus, messias Jezus:
Toen de tijd gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij zijn kinderen zouden worden  (Gal. 4: 4).

Wat duidelijk wordt, is dat een groot deel van het totale verhaal van het evangelie al in deze ene scène als in een notendop vervat is. De geschiedenis van Simeon is als een miniatuur, waarin je het geheel al kunt vermoeden.
Belangrijk daarbij lijkt mij te zijn om de figuur van Simeon te zien als iemand die ons het zicht op de toekomst opent. Hij is vol van verwachting, van openheid en ontvankelijkheid. Dat maakt het mogelijk dat hij in dit kind ziet wat hij ziet. Dat maakt dat hij de woorden spreekt die hij spreekt. Het is geen treurzang, geen onheilsprofetie, nee, hij looft God – staat er – en als hij de ouders en in het bijzonder Maria toespreekt, begint dat er mee dat hij hen zegent. En zegenen doe je altijd met het oog op de toekomst, met het oog op dat wat voor je ligt, het leven, de tijd, de wereld.

Zo komt God in onze wereld.
In de gestalte van een kind, dat het teken is van onschuld en van nieuw begin; van ontvankelijkheid en afhankelijkheid.
Dit teken wordt betwist.
Want niet iedereen wil daaraan. Niet iedereen durft zich te openen voor de toekomst. Want die is onzeker. Daarom klampen veel mensen zich vast aan het verleden, waar ze nostalgisch naar terugverlangen – een voor altijd verloren paradijs; of waar ze hardnekkig aan vasthouden omdat ze daar hun gekwelde en gekwetste identiteit aan ontlenen. Aan het verleden weet je wat je hebt, dat moet je bij de toekomst nog maar afwachten. Kun je je verleden loslaten? U hebt, o Heer, uw dienstknecht losgemaakt…

Geloven is, je openstellen voor de toekomst, leven van de verwachting, omdat het God zelf is die naar ons toe komt – dat wordt zichtbaar in het kind; omdat God zelf de garant is van de toekomst van de wereld, de verlossing, de redding, de bevrijding (van Jeruzalem, vers 38). Ook dat is in dit kind belichaamd, en je hebt er ogen voor nodig als die van Simeon, die dieper kunnen peilen om het te kunnen zien. Dit kind is onze verlosser, onze redder, onze bevrijder.
Dat zien wij vandaag door de ogen van Simeon; door de ogen van een rechtvaardige en van een vroom mens, vol van verwachting en uitgerust met de heilige Geest. De ogen van een mens die, hoe oud hij misschien ook mag zijn geweest, altijd jong is gebleven. Want je bent nooit te oud om te verwachten.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter