Preken

liefde roept liefde op, Marcus 14: 3 – 9

Laten we dat woord van Jezus waarmaken.
Nu we hier het goede nieuws – het evangelie – verkondigen, zullen we ter herinnering vertellen wat deze vrouw gedaan heeft.

Welke vrouw?
We horen geen naam, geen achtergrond.
We horen haar zelf niet spreken. Ze geeft geen toelichting. Ze legt geen verklaring af over haar motieven. Wat we zien gebeuren is alleen haar gebaar, het kruikje met kostbare parfum dat ze over het hoofd van Jezus uitgiet. Wat bezielt haar?

Het is weer zo’n vreemd, onwerkelijk, verhaal, zoals er zoveel in het evangelie worden verteld. Een gebeurtenis die toen – en nu – verbazing oproept. En ook ergernis, bij de leerlingen – zonde van die kostbare olie. Als het gaat om parfum, vinden mannen het al gauw te duur, of niet nodig, of…?
Ze hebben wel een punt. Nog niet zo lang geleden heeft Jezus zelf tegen de rijke jongeling gezegd: verkoop alles wat je bezit en geef het geld aan de armen (10: 21). Nu wordt het geld zomaar verkwist, in wat een zinloze daad lijkt. Wat bezielt haar?

We weten het niet. Van haar zelf horen we het niet.
Iemand zei: ze heeft veel te geven, al haar liefde voor Jezus zit in dit gebaar. Niemand kan liefde geven, als je niet eerst liefde hebt ontvangen. Dat is een psychologische wetmatigheid. je kunt pas liefde geven, als je het ook hebt ontvangen, of kunt ontvangen. Is dat dan wat bij die vrouw meespeelt? Dat ze van Jezus veel liefde heeft ontvangen? Dat ze in Jezus de bron van Gods liefde herkent?
Opnieuw, we mogen er naar raden. Maar zo gek is die gedachte nog niet, dunkt me.

Wat bezielt haar? Jezus lijkt het te weten. ‘Ze heeft iets goeds voor mij gedaan.‘ Hij verklaart dat ze hem gezalfd heeft met het oog op zijn begrafenis. Maar ik vraag me af, zou die vrouw dat werkelijk allemaal al geweten hebben? Voorvoeld misschien? Vrouwelijke intuïtie… Ze spreekt er niet over, ze spreekt het ook niet tegen, maar dat is nog geen bewijs.

Het blijft een verhaal met een betekenis waar je naar raden kunt. Misschien wel met meer dan één betekenis. Het houdt iets mysterieus, iets teders ook. Door dat eenvoudige gebaar waar hoe dan ook een grote liefde uit spreekt. Een diepe genegenheid.

Het is opvallend dat Marcus dit verhaal vertelt aan het begin van Jezus’ lijdensweg. Daarom past het ook vandaag. Het is aan de vooravond van het Pesachfeest. Meteen hierna wordt verteld hoe Judas naar de hogepriesters gaat. Het verraad waarmee het begint.
Aan het begin staat deze vrouw met haar gebaar van liefde en zorg.
Straks, over een paar dagen maar, gaan andere vrouwen naar het graf, ook met geurige olie, om Jezus’ lichaam te balsemen – dat wat zij hier al doet.
Het vreselijke gebeuren van lijden en kruis en sterven, wordt omkranst door vrouwen die hun goede intenties volgen, omkranst door daden van liefde.

Daar tegenover, in fel contrast, het verraad van de mannen. Judas. Petrus. Pilatus en Herodes. Alle andere leerlingen die wegvluchten als het erop aan komt. Diezelfde mannen die hier nog een potje verontwaardigd staan te doen, dat het geld toch beter besteed had kunnen worden, enzovoort. Ze zullen het wel menen, maar toch.

Laten we niet vergeten, waar we net mee begonnen. De laatste zin uit dit verhaal, dat overal waar het goede nieuws wordt verkondigd ter herinnering verteld wordt wat deze vrouw heeft gedaan. Dat betekent dat wij worden uitgenodigd in de spiegel te kijken die deze naamloze en sprakeloze vrouw met haar woordeloze daad ons voorhoudt.
Zij toont haar liefde, haar wederliefde, aan Jezus. Wat doen wij? Wat doe ik?

De armen zijn altijd bij jullie. Ik niet, zegt Jezus. Daarom is het goed wat zij heeft gedaan. Maar dat betekent niet dat je hier een tegenstelling moet zien. Ik zou dat punt graag willen onderstrepen, ook in verband met onze diaconale themadienst.

De tegenstelling ontstaat als we denken dat Jezus bedoelt dat de zorg voor de armen op het tweede plan komt. Juist niet. Armen zijn altijd bij jullie – jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt. Dat is goed en dat is nodig, want daarin doe je het ook voor mij, zegt Jezus als het ware. Wie zorg draagt voor de minsten van mijn broeders of zusters doe dat immers voor mij, zegt de Mensenzoon in Matteüs 25.
De armen zijn altijd bij jullie, dat is ook geen verzuchting in de trant van ‘het houdt nooit op’,  of ‘ons ontwikkelingsgeld is een druppel op een gloeiende plaat’, of vergelijkbare uitspraken. De armen zijn altijd bij jullie, dat betekent juist: er is altijd gelegenheid iets voor een ander te doen, iets voor een ander te betekenen; er is altijd gelegenheid om je liefde aan elkaar en aan de ander te besteden. De liefde voor Jezus komt niet in mindering op die voor de behoeftige medemensen, maar drukt zich daarin uit.

Wat hier gevierd wordt – in het huis van Simon, bij een feestmaal (nota bene) – wat hier gevierd wordt is de overdaad van de liefde; de uitbundigheid die in de buurt van Jezus steeds weer gevestigde kaders doorbreekt – en Jezus laat het gebeuren. Laat haar met rust. Laat haar geworden. Geef haar liefde de ruimte. Schep in jezelf ook veeleer die ruimte voor liefde, en niet de benepenheid die alleen aan geld en efficiency en nut en noodzaak denkt.

Wat hier gevierd wordt is de liefde van God zelf die beantwoord wordt in dat eenvoudige gebaar van die nameloze vrouw. De liefde van God die zich uit in de weg die Jezus gaat. Juist in het lijden ontdekken wij zijn liefde. Daarom weerspiegelt deze daad van de vrouw, de liefde van Jezus zelf, die zich zal geven, in alle uitbundigheid en volheid, zonder reserve, op de kruisweg die hij nu gaat, deze laatste dagen.
Wij ontvangen van Hem daarin en daardoor het leven. Om het zelf met anderen te delen.

AMEN

 

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter