Preken

licht en schaduw, Marcus 9: 2 – 10

Als u al langer gewend bent om naar de kerk te gaan, zal het u opgevallen zijn dat we ieder jaar in deze periode dezelfde Bijbelverhalen lezen. Op de eerste zondag van de 40dagentijd, het verhaal van Jezus’ verzoeking in de woestijn. Op de tweede zondag wordt altijd het verhaal van de verheerlijking op de berg gelezen. Iedere zondag in de 40dagen heeft zijn vaste lezing, tot en met de laatste, de zondag voor Pasen, waarop we uiteraard het verhaal van Jezus’ intocht horen, Palmpasen. Vaste lezingen in een vaste volgorde. Het ene jaar in de versie van Matteüs, het andere Lucas en dit jaar Marcus. Variatie genoeg dus.

Deze verhalen horen bij deze bijzondere tijd. Daar komt nog iets bij. Want de opeenvolgende zondagen volgen ook nog een patroon, zo is mij altijd geleerd. Ze wisselen elkaar af qua karakter, donker en licht. Het eerste verhaal over de verzoeking is ‘donker’.  Vandaag horen we een ‘licht’ verhaal, letterlijk en figuurlijk. Het stralende licht boven op de berg. Daarna weer een meer donker verhaal, de tempelreiniging, en zo wisselen de zondagen elkaar af, waarbij de laatste in de reeks, het Palmpasenverhaal weer een lichte kant laat zien. Jezus die enthousiast wordt toegejuicht door het volk.

Vandaag dus een licht verhaal. Maar is dat wel zo? Klopt dat schema van licht en donker wel? Het is misschien wat eigenwijs, wanneer alle geleerde Bijbeluitleggers en liturgen dat zeggen, dat dan een eenvoudige dorpsdominee in Vries dat tegen durft te spreken. Maar ik zal u zeggen waarom ik aarzel bij dat keurige schema. En ik denk zelfs, dat die aarzelingen ons vandaag met elkaar wat dichter bij de betekenis van het wonderlijke verhaal kunnen brengen.

Ogenschijnlijk is het een licht verhaal. Letterlijk straalt het hemelse licht ons tegemoet. Als Jezus met zijn drie beste vrienden de berg op is gegaan, verandert hij voor hun ogen van gedaante. Een stralend wit, witter dan wit, van onaardse helderheid. Het is de hemel op aarde… En in dat visioen, moet je het zo noemen?, verschijnen dan twee van de grootste gestalten uit de geschiedenis van het volk, Mozes en Elia, de Wet en de Profeten, die met Jezus praten.
Het is een wonderlijk verhaal. Zoiets zie je op aarde niet. Maar wat moet je daar nou van vinden?

Traditioneel wordt het verhaal van de verheerlijking gezien als een voorafschaduwing van Pasen. De stralende hemelse heerlijkheid die op Jezus neerdaalt, laat alvast iets zien wat straks met Pasen volledige werkelijkheid is. Het is een verhaal dat verteld wordt om nu al een glimp te laten zien waar het straks allemaal op uit loopt. Een voorproefje.
Je zou ook kunnen zeggen, dat het verhaal een reactie is op het voorafgaande. Dat hebben we niet gelezen, maar daarin staat hoe Jezus voor het eerst met zijn leerlingen spreekt over het lijden en sterven dat hem wacht. Vervolgens reageert Petrus daar fel op: dat nooit! Waarop Jezus even fel op Petrus reageert: je loopt me in de weg. Satan. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen (8: 33). Na die harde botsing is de daarop volgende ervaring op de berg zoiets als zalf op de wonde, een soort bemoediging. Na het lijden wacht het licht.

Dus toch, een licht verhaal?
Ja… maar er mengt zich toch ook al iets anders in, donkere tonen. Hoe prachtig die hemelse lichtheid ons ook toeschijnt, er is rondom dit wonderlijk verhaal ook sprake van lijden – waar zou Jezus met Mozes en Elia anders over spreken? Hij heeft het er kort hiervoor over gehad met zijn leerlingen.
Het hemelse visioen op de berg is niet meer dan een momentopname. Als de donkere schaduw van de wolk er over valt, zijn de leerlingen weer met Jezus alleen. De piekervaring op de berg kan niet duren. Ze moeten er weer van af, zoals er staat. En naast dat alles is er ook in dit verhaal sprake van onbegrip van de leerlingen. Het is weer Petrus die voorop gaat. Hij wil het moment vasthouden, laten we drie tenten bouwen, stelt Petrus voor.

Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, schrijft Marcus een beetje vergoelijkend.

Een licht verhaal? Ja, maar wel dus met wat donkere trekjes.
Ik denk dat dit motief, van het onbegrip van Petrus en van de leerlingen, belangrijk is om het verhaal te begrijpen en om het verhaal te lezen als iets dat ook ons aangaat. Dat laatste is van belang. Het heeft te maken met de vertelstrategie van het evangelie van Marcus.

Marcus doet geen mededelingen, maar hij wil zijn lezers betrekken in het verhaal van Jezus, het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God, zoals het in de titel van zijn boekje staat. Hij vertelt geen rechttoe rechtaan verhaal, maar wil ons overtuigen dat het waard is om de weg van Jezus te volgen, om met Jezus mee te gaan, om gehoor te geven aan zijn boodschap van het koninkrijk van God in al zijn kracht (9:1), het goede leven, aan dat wat God wil (8:33).

En wat blijkt nu steeds?
Die weg is een andere dan wij ons voorstellen bij een goed en geslaagd leven.
Die weg volgt een andere route dan het pad van succes en voorspoed en macht.
“Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. Want een ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden” (8: 34-35).
Dát heeft Jezus hiervoor gezegd, tegen het onbegrip van Petrus en van de andere leerlingen in.
Dat is het onderricht dat hij in deze gedeelten van het evangelie telkens moet herhalen, iedere keer als hij zijn aanstaande lijden en sterven aankondigt.
De weg van zijn leven, de weg naar het volle leven – het Koninkrijk – loopt dan misschien wel langs de berg van de verheerlijking, maar daar kan het voorlopig niet blijven. Ze moeten weer afdalen, de wereld in, de werkelijkheid in. Aan hemelse visioenen heb je feitelijk niet zoveel. De echte berg van de verheerlijking, blijkt straks een heuvel buiten de stad te zijn. Golgotha. Schedelplaats. Vader, moeder, wereld, knekelhuis.

Dat is het mysterie van het evangelie.
De goddelijke omkering van waarden. Wie zijn leven wil behoeden, verliest het, en omgekeerd. Die paradoxen van het evangelie zijn bedoeld om onze gangbare manier van denken en doen te doorbreken. Alsof leven lijfsbehoud is en de strijd om de eerste plaats, de race naar de top, alsof het gaat om de vooraanstaande plaatsen, de eerste zijn, de belangrijkste enzovoort. We kennen allemaal die dwarse woorden van Jezus door het evangelie heen die dat denken doorkruizen. We volgen iedere jaar weer zijn weg, zijn leven en lijden, die demonstreren hoezeer dat machtsdenken wordt doorbroken, doorkruist, letterlijk en figuurlijk.
De ontmoeting met Jezus is telkens ook de ervaring dat het leven heel anders kan en heel anders is bedoeld, dan wij vaak om ons heen zien. Het is iedere keer weer de verwondering dat Gods macht in zwakheid wordt volbracht, dat het kruis dat het einde markeert, het nieuwe begin vormt, dat het echte leven voortkomt uit de dood.

Hij wist niet goed wat hij moest zeggen.

Als de drie vrienden, Petrus, Jakobus en Johannes met Jezus de berg afdalen, zegt Jezus dat ze er  pas over mogen praten nadat ‘de Mensenzoon uit de dood is opgestaan’. Het zijn deze drie leerlingen die straks ook genoemd worden als Jezus de hof van Getsemané ingaat om te bidden; de drie die dan in slaap zullen vallen, opnieuw een bewijs van hun onbegrip. Ze houden zich hier aan Jezus’ opdracht, maar ze praten er met elkaar wel over: wat zou hij toch bedoelen met deze opstanding uit de doden?
Laten wij niet te snel menen dat wij wél weten wat dat is…

De opdracht om er niet over te spreken, op zich al een paradox want wij horen dat in alle openheid, maar toch, die opdracht om het voor je te houden, is net zoals de opdracht die genezen mensen in dit evangelie van Marcus krijgen om te zwijgen, een motief dat dit evangelie stempelt. We worden daardoor uitgenodigd om de echte vervulling te blijven verwachten. Om wat we om ons heen zien als licht en als leven, te begroeten en te genieten, maar tegelijk te ervaren als een voorproef van wat nog komen moet. De hemel die op de berg even open gaat, is een teken van een toekomst die de wereld wacht. En wij mogen aan die toekomst het onze bijdragen. Daarom moeten we ook weer de berg af. Het is nog geen Pasen. De hemelse berg is geen eindbestemming, hooguit een tussenstation.

Uiteindelijk zijn al deze verhalen daarvoor bedoeld, om ons vandaag en hier en in de wereld van vandaag te raken, in beweging te brengen. Er is een weg die naar het leven leidt. En die weg vinden we in het spoor van Jezus, in zijn leven, zijn lijden, zijn sterven en zijn opstaan. De stem uit de wolk uit het verhaal bevestigt dat met zoveel woorden: Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar Hem. Dezelfde woorden die vorige week klonken bij de doop, klinken vandaag op de berg. Maar we kunnen niet op die berg blijven. Die hemelse stem spreekt, een stem van licht uit een wolk van schaduw, de stem echoot door tussen de bergen, neer in het dal. Het dal van de levenden. Het dal waar wij zijn.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter