Artikelen

leven uit de genade – christelijke levenskunst

Toen Desiderius Erasmus, één van de grootste geleerden die ons land heeft voortgebracht, nog maar aan het begin van zijn carrière stond, verzuchtte hij in een brief aan zijn studievriend Servatius: “Ik overweeg steeds weer, hoe ik wat mij van het leven rest (hoeveel het zal zijn, weet ik niet) geheel aan de vroomheid, geheel aan Christus zal geven. Ik zie het leven, ook als het lang is, als een vluchtig en verdwijnend ding (…) Ik zie, dat er in de studiën geen uitkomst is, en dat het ermee gaat, alsof wij iedere dag van voren af aan moeten beginnen. Daarom heb ik besloten, met mijn middelmatigheid tevreden, mij toe te leggen op het mediteren over de dood en het vormen van mijn gemoed.”

Artikel geschreven op uitnodiging van studievereniging Emèt Qenee voor hun jubileumbundel

Dit is ruim 500 jaar geleden geschreven. Vele jaren langer geleden dan dat de geschiedenis van de eerbiedwaardige studievereniging Emèt Qenee terugreikt. Geschreven door een man die “behoorde tot hen die zich vroeg oud voelen” volgens historicus Johan Huizinga, in zijn boekje over Erasmus, waarin ook bovenstaande citaat te vinden is.
Het ademt een ander levensgevoel en tegelijk heeft het ook de kleur van het karakter van Erasmus: bedachtzaam, vroom, melancholisch. Al valt, volgens dezelfde Huizinga, ook niet uit te sluiten dat hij in deze passage zijn toon bewust aanpast aan de geadresseerde. Zijn studievriend Servatius verbleef immers in het klooster, waaruit Erasmus inmiddels was uitgetreden.

Hoe dan ook, het ‘mediteren over de dood’ in de laatste regel uit het briefcitaat van Erasmus, is de klassieke christelijke invulling van wat vandaag de levenskunst heet. De meditatio mortis is bedoeld om je bewust te zijn van je eindigheid en kwetsbaarheid. Het leven is een broos geschenk. Dat was dagelijkse ervaring in de Middeleeuwen, waarin de dood (door bv. de pest) nooit ver weg was. Door je voor te bereiden op de dood, zorg je voor het welzijn van je ziel, en ben je gereed om na het sterven het laatste oordeel te ondergaan en daarna het eeuwige leven in te gaan (in de meeste gevallen na wat reparatiewerk in het vagevuur). Over dat laatmiddeleeuwse levensgevoel en de door de kerk aangewakkerde angst voor de dood en het oordeel, zou veel te zeggen zijn, zeker in het jaar van de Reformatieherdenking. Voor Erasmus en zijn tijdgenoten lag de focus niet op dit leven, maar op het leven dat komt; niet op de aarde, maar op de hemel.

Dat is in onze huidige cultuur 180º omgedraaid. In de loop van de tijd zijn we het levensgevoel waarin de dood de belangrijkste gebeurtenis is, omdat het de doorgang naar het eeuwige leven markeert, grondig kwijtgeraakt. Voor moderne mensen ligt de focus op dit leven. Je leeft maar één keer (YOLO) is de leus en onder dat motto proberen we met de nodige krampachtigheid eruit te halen wat er in zit. Het leven is eenmalig en houdt op bij de dood. Er is geen hiernamaals, louter een hiernumaals (of de reïncarnatie variant: het hiernogmaals…).

Op deze manier komen we van de ene eenzijdigheid in de andere terecht, en dat schiet niet op. Het is een misverstand dat het in de Bijbel en in het christelijk geloof vooral om het leven na dit leven zou gaan. Ook al is dat in de traditie vaak zo beweerd, de Bijbel zelf spreekt opvallend weinig over het leven na de dood. In het Oude Testament is dat perspectief zelfs zo goed als afwezig. Het is veel meer Bijbels (en dus christelijk) om de waarde van het aardse leven te benadrukken. Maar dan niet op de manier waarop dat in de hedendaagse cultuur gebeurt, waarbij het niveau van het oppervlakkig genieten vaak nauwelijks wordt overstegen. Want waar staat geschreven dat het leven vooral een feestje moet zijn?

Christelijke levenskunst is het vermogen het juiste evenwicht te bewaren. Dat betekent niet dat de waarheid in het midden ligt – dat is te gemakkelijk en ook statisch uitgedrukt -, maar de waarheid beweegt zich wel in het middenveld tussen de uitersten van wereldmijding en levensverachting aan de ene, en het hedonisme van onze genots- en feestcultuur aan de andere kant.

Levenskunst is al een aantal decennia een trending topic in de filosofie, sinds met name Michel Foucault (1926-1984) de oude traditie van de zelfzorg in ere heeft hersteld. In de filosofie gaat het in deze opvatting niet zozeer om zwaarwichtige theoretische beschouwingen over de zin van het leven, maar over de praktische vraag hoe je leven op een goede manier vorm te geven. De klassieke idealen van het schone, goede en ware (pulchrum, bonum, verum) spelen daarbij een centrale rol. Een geslaagd leven is een leven dat aan deze waarden beantwoordt. Wie dat bereikt is een gelukkig mens. Daarom moet je werken aan zelfkennis (‘ken u zelve’) en je deugden als soberheid, moed, matigheid en rechtvaardigheid eigen maken. Veel van deze oude adviezen keren in moderne levenskunsttrainingen terug.

De klassieke filosofische levenskunst is vandaag populair omdat het idee om zelf je leven vorm te geven aansluit bij een modern levensgevoel. In vroegere tijden werd voor jou bepaald hoe je diende te leven. De patronen (arbeid, huwelijk, geloof) lagen voor je klaar. Een mens voegde zich in het vertrouwde. Nu wordt je verteld dat je het leven zelf kunt maken, je kunt worden wat je wilt, doen wat je bevalt. Jongeren vandaag werken aan hun eigen profiel, zowel op Internet (Facebook) als in de opleiding (portfolio). Wie echt wil kan slagen en als je dat niet doet ben je (dus?!) een mislukkeling. Dat laatste is de keerzijde van de hedendaagse nadruk op levenskunst en zelfverwerkelijking.

In een christelijke levenskunst gaat het ook om de vraag hoe een mens een geslaagde leven leidt, maar daar worden accenten toch iets anders gelegd. Aan de klassieke deugden voegt de traditie de drie theologische deugden, geloof, hoop en liefde toe. Zij wijzen naar de echte kunst van het leven. Christelijke levenskunst bestaat uit het vermogen het leven voor alles te kunnen ontvangen, als een geschenk uit Gods hand. Het leven is niet jouw bezit, of jouw project, het is je gegeven om er vervolgens op een goede manier gebruik van te maken.

Het leven leven als een geschenk, kan ook helpen het goede evenwicht te vinden tussen je eigen verlangens en de eisen die aan je worden gesteld, en die vaak voor een deel weer zelfopgelegd zijn. Daarvoor is het nodig ons te blijven bezinnen op wat leven uit genade inhoudt.

Genade is een oud woord, maar we kunnen het niet missen. Wij zuchten niet meer onder het machtsinstituut van een kerk, maar we hebben ons uitgeleverd aan andere machten. Machten die we zelf hebben gecreëerd en die ons een vergelijkbare druk opleggen, om te presteren, om jezelf op te poetsen, om je te laten gelden. De druk die je ervaart om te voldoen aan de normen, om jezelf telkens te verbeteren, op je werk, perfectiedrang. Het gevoel het nooit goed genoeg te doen. We zijn vaak ongenadig voor elkaar en voor ons zelf. Het gevoel tekort te schieten en jezelf daardoor te zien als een minderwaardig persoon, zit soms heel diep. De ironie is dat dit gevoel in kerkelijke kring vaak werd versterkt.

De jonge schrijver Maarten van der Graaff groeide op in Flakkee, in een zwaar gelovig milieu. Dat geldt ook voor de hoofdpersoon van zijn recente debuutroman Wormen en Engelen. Een roman is geen autobiografie, maar er zullen ongetwijfeld raakvlakken zijn tussen de schrijver en zijn personages. De hoofdpersoon van de roman Bram Korteweg, gaat in de stad studeren en krijgt dan een heel ander leven. In de kerk van zijn jeugd kan hij niet meer aarden. Hij zet zich niet af tegen zijn achtergrond, maar gaat juist op zoek naar wat geloven voor hem wel zou kunnen betekenen.
Treffend is een passage waarin hij schrijft over het geloof van zijn jeugd: “De gereformeerde mens moet zich buigen over zijn hopeloze, zondige staat, zodat hij ervan doordrongen wordt hoe erg hij de verlossende genade van God nodig heeft, zonder wie hij niets kan en niets is.” Maar als het zo wordt beleefd, dan is dat precies in de kern een fatale omkering van wat genade is. Want genade is: Gods liefde, zonder voorwaarden vooraf. Ook niet de voorwaarde van een doorleefd zondebesef. Het is niet zo dat ik eerst moet beseffen dat ik Gods genade nodig heb, voordat ik daar toegang toe heb. Nee, die genade is er al, zomaar, in het leven dat je wordt geschonken, in het licht dat over de wereld schijnt, in de zorg en liefde waarmee een mens wordt ontvangen en geboren en omringd en groeien mag. Als ik dat geloof, als ik daar begin, dan besef ik pas hoe ik dat nodig heb, altijd al en telkens weer.

Voor een christelijke levenskunst is er geen handboek en geen kant en klaar recept. Het krijgt gestalte in de beoefening, zoals het leven zelf is, daar raak je nooit op uitgestudeerd.

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter