Preken

Kerk in de stad

Deze week was ik bij een vergadering waar ik iemand hoorde zeggen dat “bepaalde plekken in de organisatie nog niet door de vernieuwingen zijn bereikt”.
Dat is managers taal. Misschien herken je het? Misschien krijg je er jeuk van, van dat jargon. Maar ik noteerde het ijverig, want ik zit meestal in vergaderingen waarin kerkelijk jargon wordt gebruikt, en dan is het leerzaam om ook eens in een andere omgeving te verkeren.

Themadienst als stadspredikant Assen.
Gelezen gedeelten: Jeremia 29: 4 – 7 en Lucas 5: 1 – 11

‘Bepaalde plekken in de organisatie zijn nog niet door de vernieuwingen bereikt’. Het zou zomaar een zin kunnen zijn die van toepassing is op de kerk. Dé kerk? Dat is wel heel breed. Maar bepaalde plekken in de kerkelijke organisatie dan? Of onze eigen protestantse gemeente Assen misschien? Of wie weet, wel uw eigen wijkgemeente?

Er is vandaag de dag veel te doen om de kerk. Landelijk en regionaal en ook in onze eigen stad. Als je erbij betrokken bent, dan weet je ook dat het nooit anders is geweest. De kerk is in beweging, zoals wij mensen in beweging zijn en de hele maatschappij verandert. Soms in een tempo dat je nauwelijks kunt bijbenen. Soms op een manier die je doet verlangen naar hoe het vroeger was. Waarbij we de neiging hebben om in terugblik het verleden te idealiseren, alsof het toen zoveel beter was.

Misschien is het een kwestie van instelling en karakter, maar ik denk dat je met nostalgisch terugkijken niet zoveel verder komt. En dat dat ook niet de weg is die ons vanuit het geloof en de Bijbel gewezen wordt. Natuurlijk, je moet weten waar je vandaan komt; de traditie is er om te koesteren en op waarde te schatten, maar dat doe je niet door haar onveranderd in stand te houden, maar door haar actief verder te ontwikkelen. Dat is het verschil tussen folklore – waarin oude gebruiken worden herhaald op een mechanische manier, gewoon omdat we het altijd zo deden, maar waar het leven is uitgelopen. Oude ambachten, ja zo ging dat vroeger, maar zo werkt dat vandaag niet meer, en eigenlijk zou ook niemand dat meer willen. Folklore is gestolde vormen, dode traditie. Een traditie houd je levend door haar actief om te vormen en aan te passen aan nieuwe tijden en nieuwe omstandigheden. Ook in de kerk.

Als Jeremia een boodschap heeft voor de ballingen in Babel, als Jeremia hun het woord van God voorhoudt, dan zegt hij met zoveel woorden, dat ze zich daar in Babel, in den vreemde, moeten vestigen en mee moeten doen. Ze moeten zich niet isoleren of terugtrekken, maar zich juist actief bemoeien met de stad en met de stedelijke economie. Ze moeten zich inzetten voor de stad – let wel, het heidense Babel – bid voor haar en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei.

Het is een bekende tekst en het ligt misschien net iets te veel voor de hand om deze te gebruiken bij een thema-dienst als vandaag, Kerk in de stad, maar toch. De raad die Jeremia aan zijn volksgenoten in den vreemde geeft, is een woord dat wij vandaag de dag ondanks alle verschil in tijd en cultuur, ook ter harte kunnen nemen: God vraagt niet van ons, om ons van de wereld en de omgeving waarin wij leven, af te keren. God verlangt niet dat de gelovige gemeenschap zich terugtrekt op een veilig eiland van eigen gelijk, zich ver houdt van alles wat er rondom haar heen gebeurt, hoe bedenkelijk dat ook mag zijn. Ook niet dat we krampachtig blijven doen wat we altijd deden, omdat dat nu eenmaal zo hoort.
Wat nodig is, is dat mensen zich met hart en ziel geven aan de wereld en de tijd en in dit geval, de stad, waarin ze nu leven, wonen en werken. Om daar bij te dragen aan haar bloei. Aan de ontwikkeling van mensen, aan tekenen van het goede leven, aan alles wat mensen goed doet en bijdraagt aan menselijk geluk en welzijn. Want daarin is God zelf gediend.

De profetie van Jeremia zegt namens God toe dat de ballingen mogen hopen op terugkeer naar hun eigen stad, Jeruzalem, maar dat zal gebeuren op Gods tijd. Tot het zover is, moeten ze zich inzetten voor het goede leven in de stad waar ze verblijven. Want verwachten betekent niet lijdzaam afwachten, maar nu al bezig zijn met wat goed is en mensen tot hun recht laat komen.

Niet in het isolement ligt onze kracht, maar in de verbinding, zouden we dat misschien vandaag zeggen. Al zijn er ook mensen die dat – verbinding – een jeukwoord vinden. Te soft, te liefelijk, te politiek correct. Ik wil graag rekening houden met ieders gevoeligheden, maar wat is het alternatief? Als het alternatief van verbinden, polarisatie en populisme is, dan kies ik toch liever voor het eerste.

We leven in een tijd waarin de tegenstellingen eerder worden aangezet en beklemtoond, dan overbrugd. Een tijd waarin men overal liever muren bouwt, dan bruggen slaat.
Zo’n sfeer heeft heel lang ook in de kerk geheerst, als het ging om onze verhouding met de buitenwereld. Binnen- en buiten. Kerk en wereld, als tegenstelling.
Veel maatschappelijk debat vandaag de dag, ook over de kerk, focust op de tegenstellingen. Denk aan de Nashville-verklaring, aan de discussie over hedendaags racisme of het klimaat. De media zet dat nog eens aan, want polarisatie is mediageniek. Ophef is interessant. We zijn snel met een oordeel, maar is er nog ruimte voor zelfkritiek en reflectie?

Vrijdag was ik op een oecumenische studiebijeenkomst waar o.a. de recente pauselijke brief over de christelijke roeping tot heiligheid aan de orde kwam. Daarin staat:
Ook wanneer men zijn eigen geloof en overtuigingen verdedigt, dient men dit te doen met zachtmoedigheid (vgl. 1 Petr. 3, 16), en zelfs tegenstanders moeten met zachtmoedigheid behandeld worden (vgl. 2 Tim. 2, 25). In de Kerk hebben wij zeer vaak fouten gemaakt, omdat wij deze oproep van het goddelijk Woord niet hebben aanvaard” (Gaudete et exsultate, Ned. vert., p. 69).

Dus, om het samen te vatten:
1. Zet je in voor de stad waar je woont en 2. Doe dat in een geest van zachtmoedigheid, zonder te oordelen, maar met de wil om te verbinden.

Daar komt nog iets bij, het derde punt, want het blijft natuurlijk wel een klassieke preek.
Dat derde punt heeft te maken met het evangelie van deze zondag, dat we ook hebben gehoord. Jezus belooft aan zijn eerste leerlingen – en dat is altijd ook: de kerk, dat zijn wij – Jezus belooft: Ik zal jullie vissers van mensen maken. Zo staat het bij Matteüs. Wij horen vandaag bij Lucas: Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.

Nu kun je zeggen: dat lijkt er niet echt op. Alles wat we al jarenlang horen over de kerk is, dalende ledentallen, sluiting van kerkgebouwen, samenvoegingen van gemeenten, vergrijzing en ontgroening en zo voort. Dat is niet te ontkennen, al is er wel wat te relativeren – de kerk heeft in haar lange geschiedenis perioden van bloei afgewisseld met verval. De vraag is echter of dit een tijd van verval is? Mag je dat wel zeggen? Is dat wel eerlijk, als je ziet hoeveel er op allerlei plaatsen in ons land gebeurt, in gewone kerkelijke gemeenten, maar ook in pioniersplekken en in allerlei initiatieven en projecten waar christenen bij betrokken zijn?

Jezus zegt: ik zal jullie vissers van mensen maken, en wat Hij belooft dat doet hij gestand. Van belang is wat daarvoor wordt verteld. Als ze een nacht lang vergeefs hebben gewerkt, symbolisch voor onze menselijke onmacht – de nacht zonder licht en de lege netten zonder vangst – dan zegt de Heer: Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit.

Nou zou je kunnen denken dat Simon reageert: Maar beste Jezus, we hebben de hele nacht al gevist op het meer; wat u vraagt hebben we de hele tijd gedaan, in diep water onze netten uitgegooid. Maar we hebben dit keer niks gevangen. Vissen is ook een beetje geluk hebben, en dat hadden we vannacht nu eenmaal niet. De natuur laat zich niet regelen.
Zoiets had hij kunnen zeggen, maar dat horen we niet.

Simon reageert: “.. als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen”. En dat zegt hij van harte! Daar ligt de kern van wat dit evangelie ons wil zeggen. En dat is de symbolische boodschap in het verhaal van de wonderbare visvangst. Het punt is, dat er pas effect optreedt, als ze het Woord van Jezus gehoorzamen. Niet rekenen op eigen kracht of gezag, hoe kundig vissers ze ook geweest mogen zijn, dat is niet aan de orde. Niet varen op eigen kompas, of om eigen glorie, maar omdat de Heer het van ons vraagt. De kerk is er om mensen te vangen, in de goede zin natuurlijk, niet gevangen te houden, maar te winnen voor het Koninkrijk. Dáár is het om begonnen.

De kerk is missionair, niet om eigen gewin, of eigen voortbestaan krampachtig te verzekeren, zelfs niet om leden te werven, of om complimentjes te ontvangen, maar omdat de Heer van de kerk verlangt, dat wij mensen worden van zijn Koninkrijk. Zo zijn we onder de mensen en in onze stad, en daar rust zegen op, omdat Hij het belooft, en … het waarmaakt.

Als ik het goed begrijp, dan is dit evangelieverhaal overgeleverd, niet om ons onrustig en overactief te maken, maar om ons te bemoedigen en de juiste ontspanning te geven, zonder welke het christelijk leven niet mogelijk is. Ik zal jullie laten terugkeren naar Jeruzalem, Woord van de Heer, voor de ballingen in Babel bij monde van Jeremia. Wees niet bang, zegt Jezus zelf, ik zal jullie vissers van mensen maken, voortaan zul je mensen vangen.

In het verhaal van de wonderbare visvangst speelt dat element mee, dat Jezus uitdaagt tot creativiteit en tot nieuwe durf, tot vertrouwen,– gewoon doen wat Hij van ons vraagt, met alle vaardigheden die ons eigen zijn, en die passen bij nieuwe tijden en nieuwe omstandigheden, en dan maar zien waar ons vissersschip strandt.

Heeft zijn vernieuwing ons deel van de organisatie al bereikt?

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter