Boeken

Karen Armstrong, De verloren kunst van de heilige geschriften

De Mahabharata is de populairste heilige tekst van India. Het verhaal heeft een lengte van acht keer de Illias en de Odyssee en dateert uit de 9e eeuw voor onze jaartelling. Informatie die te vinden is in het nieuwste boek van de wereldvermaarde godsdienstwetenschapper Karen Armstrong, De verloren kunst van de heilige geschriften (p. 188). De Mahabharata wordt in de Indiase traditie gezien als ‘visuele poëzie’, die in allerlei voorstellingen wordt uitgevoerd en zelfs onderwerp van een TV-serie is geworden: “Het is waarschijnlijk onmogelijk om het enorm lange epos van begin tot eind door te lezen – iets wat alleen geprobeerd wordt door westerse wetenschappers”, meldt Armstrong (p. 190).

Een typerend voorbeeld dat illustreert dat we de kunst om de heilige geschriften op een juiste manier te benaderen hebben verleerd. Door haar boek heen, wel niet zo omvangrijk als de Indiase heilige tekst maar niettemin overdadig aan informatie uit diverse tradities, komt ze verschillende malen op dit punt terug. Vroegere generaties waren gewend om op een vrije manier met de teksten om te gaan. Achter de teksten liggen de oerervaringen met het Heilige, in al zijn verschijningsvormen naar gelang de verschillende tradities. Op een gegeven moment werden deze ervaringen aan het papier toevertrouwd, om ze te bewaren en door te geven. Teksten die bedoeld waren om rituele praktijken te ondersteunen waarin alle menselijke zintuigen meedoen en niet alleen het verstand.

Armstrong laat uitgebreid haar licht schijnen over de Bijbelse (Joods en later christelijke) traditie, de Indiase en Chinese tradities. Later verschijnt ook de Arabische traditie op het toneel met de opkomst van de Islam en de bijzondere rol die de Koran daarin speelt. Ze strooit uitbundig met informatie, die het niet altijd makkelijk maakt de aandacht er bij te houden. Tenminste zo verging het mij. Extra belangrijk om de grote lijn in haar betoog vast te houden. Die wordt gevormd door het pleidooi om de oorspronkelijke omgang met de teksten in ere te herstellen. Onze westerse, rationele, letterlijke lezing van de tekst, aangejaagd door het Verlichtingsdenken, verhindert om de geschriften op de juiste waarde te schatten. De letterlijke lezing is een geamputeerde vorm van omgang met geschriften, die juist bedoeld zijn om de eigen creativiteit en spiritualiteit juist aan te wakkeren en op te roepen, in plaats van dood te slaan met een fixatie op een definitieve of gezaghebbende betekenis.

De teksten zijn niet de oorsprong van de religies. Die ligt in rituelen en ethische praktijken die mensen in verschillende tradities ontwikkelden om contact te maken met een diepere (of hogere) waarheid, waarvan ze het bestaan vermoeden door ervaringen in de wereld en met hun eigen menselijkheid. Verschillende namen worden daaraan gegeven (Elohim, Brahman, God, de Tao). In de religieuze tradities wordt dat op een eigen manier uitgewerkt.
Deze studie is geen vergelijkend religiewetenschap, maar concentreert zich op de rol van de geschriften. Daarbij is de focus niet in de eerste plaats op de inhoud van de teksten, maar op de juiste omgang er mee. De mahayana-boeddhisten bijvoorbeeld schrijven voor dat de bestudering van hun heilige schriften (de Pali-canon) alleen onder supervisie kan geschieden en altijd gericht moet zijn op de praktische toepassing. “Er werd van niemand verwacht dat hij al deze geschriften zou lezen (…) Deze teksten worden niet zwijgend doorgelezen maar hardop gereciteerd, en zoals altijd in India kan dat niet zonder de hulp van een leermeester. Ze zijn namelijk alleen te begrijpen als ze vergezeld gaan van meditatie en ethische oefeningen“ (p. 228). Dat de geschriften onderling elkaar tegenspreken, werd nooit als een bezwaar gezien.

Vergelijkbaar geldt dat in de Joodse traditie van de mondelinge Thora, waarbij het ontwikkelen van nieuwe interpretaties, al naar gelang de situatie, wordt aangemoedigd (vgl. p. 424). Ook in het vroege christendom begreep men dat de Bijbel niet slechts letterlijk moet worden gelezen, maar ook allegorisch, om de ethische en spirituele werking van de tekst mogelijk te maken.
Deze inzichten zijn sinds de Reformatie met haar nadruk op Sola Scriptura en sinds de Verlichting met het accent op Sola Ratio, weggedeemsterd uit ons bewustzijn. De mythos is verschoven naar de logos: “In het Westen werden theologie en de schrift daarom in toenemende mate vertaald naar een rationeel idioom dat daaraan vreemd was. De logos kan ons verdriet niet verlichten of ons gevoel voor het transcendente oproepen, en dus kan hij ons er niet van overtuigen dat ons leven zin en waarde heeft ondanks alle rationele bewijzen van het tegendeel” (p. 412).
Door de Westerse dominantie stelt dit denken bovendien de norm, zodat “… de tradities van het Oosten zich genoodzaakt voelen om zichzelf uit te leggen voor het moderne Westen (…) Als niet-westerse teksten bijvoorbeeld agressieve passages bevatten – zoals dat het geval is in alle tradities van heilige geschriften – worden deze geschriften vaak opgevat als gewelddadiger van karakter – of op z’n best ‘primitiever’ – dan de joods-christelijke geschriften van het dominante Westen … “, concludeert Armstrong (p. 511).

De hoofdlijn van haar boek is een behartigenswaardig pleidooi voor een omgang met heilige geschriften die recht doet aan de intenties daarvan. Het is tevens een waarschuwing voor de gevaren van een fundamentalistische, letterlijke lezing, zoals ze die ook in eerdere boeken over religie en geweld heeft ontwikkeld. Dat ze daarbij wel erg vaak terugkomt op het veronderstelde verschil tussen de werking van de menselijke hersenhelften, wekt op een gegeven moment irritatie, maar daar heb ik op Augustijnse wijze – door me te laten leiden door het exegetisch principe van de liefde (zie pag. 291-292) – omheen gelezen.

Een rijk boek, met veel kennis van zaken geschreven. Het is belangrijk om die rode lijn vast te houden en niet te verdrinken in de veelheid aan informatie. Helaas is de verklarende woordenlijst achterin niet compleet, maar helpt het toch enigszins om greep op de materie te krijgen.

In haar Na-schrift laat ze op een verrassende manier aan de hand van het voorbeeld van Thomas Mann’ romancyclus Jozef en zijn broers zien, hoe verhalen uit de traditie van de religie helpen kunnen om de eigen tijd te verstaan. Want, “Anders dan de wetenschap hebben heilige geschriften altijd een morel dimensie gehad en waren ze in essentie een oproep tot meelevende, altruïstische actie. Het doel was niet de lezers of de toehoorders te bevestigen in hun heersende opvattingen, maar om hen volkomen te veranderen” (p. 542).

Of dat haar met dit boek ook lukt, is aan jou.

Karen Armstrong, De verloren kunst van de heilige geschriften, De Bezige Bij Amsterdam 2019, 697 pag., € 34,99

Lees het interview in Trouw

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter