Preken

Je eigen strijd, Ex. 17: 8 – 16 (Joh. 10)

Ieder mens kent het verlangen naar veiligheid en beschutting. Juist in deze onzekere tijden herkennen we dat nog sterker dan normaal. Daarom spreekt het beeld van de goede herder aan, net als dat lied naar Psalm 23, De Heer is mijn herder… Het kan je diep raken en doen terugverlangen naar de tijd, dat je die veilige beschutting dagelijks om je heen ervoer, in je vroegste jeugd, als je tenminste in een liefdevol gezin bent opgegroeid.
Als dat niet zo is, dan is dat gemis vaak iets wat je een leven lang tekent, en wat misschien nog wel sterker het verlangen naar zo iemand als een goede herder aanwakkert. Het kan natuurlijk ook zo zijn, dat je juist op dat punt diepe beschadigingen hebt opgelopen. Dat je je aan mensen hebt toevertrouwd, die geen goede herder bleken te zijn, waar je niet veilig was, en geen beschutting vond. Juist in het meest tere, kun je ook het hardst geraakt worden. Durf je dan ooit nog iemand te vertrouwen, je aan iemand te geven?

Wat één beeld, dat van de goede herder, al niet op kan roepen.
Jezus noemt zichzelf de goede herder, en ook de deur waardoor de schapen vrij en veilig in en uit kunnen lopen en hij breidt het beeld uit als hij zegt: Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij, zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken (10: 18). Het beeld van de goede herder, van de intimiteit tussen de herder en de schapen, wordt ook betrokken op de intieme relatie tussen de Vader en de Zoon. In de goede herder Jezus, zien we de Vader aan het werk, bron van liefde, van vertrouwen, van nabijheid.

Achter die theologische taal, schuilt een werkelijkheid van ervaringen. Zoals de symbolen van de bijbel en van het geloof, altijd een uitdrukking zijn van onze eigen dagelijkse werkelijkheid. In ieders leven is er die behoefte en verlangen naar geborgenheid, naar iemand die jou kent, zoals je bent; naar iemand bij wie het goed is om te zijn, waarbij je geen gevaar loopt.

Het beeld van de goede herder, kom je door de hele Bijbel tegen, als een krachtig symbool. Een symbool heeft altijd meerdere kanten. Dat geldt ook voor de goede herder. Want naast het pastorale, herderlijke, lieflijke, is er ook een politiek aspect aan het beeld van de herder.

Alle grote leiders in de bijbelse geschiedenis, zijn herders. Abraham werd als eerste geroepen. Hij leeft in de grote stad, maar wordt geroepen om als een nomade op weg te gaan, Abraham wordt een herder. Het geldt voor Mozes, weet u nog, opgegroeid aan het koninklijk paleis, moet hij vluchten en wordt een herder in Midjan. Als herder, ontmoet hij de stem van God in een brandende doornstruik, en met zijn herdersstaf moet hij naar de farao en met dezelfde staf slaat hij later op het water om het volk door het droge heen te leiden. Koning David is begonnen als herdersjongen, en zo voort. Er is een lijn in de Bijbel waarbij de herder als het favoriete model wordt gezien, dat begint al bij Kaïn en Abel, waarbij Gods voorkeur uitgaat naar de herder Abel.

Mozes, leider van het volk, wordt opnieuw getekend met zijn herdersattribuut, de staf, in de strijd van het volk tegen de Amalekieten. We hebben het verhaal gehoord. Mozes geeft Jozua de opdracht om ten strijde te trekken en zegt: “Ikzelf zal morgen op de top van de heuvel staan met in mijn hand de staf van God” (Ex. 17: 9b).
We kennen het verhaal, zolang Mozes zijn handen naar de hemel geheven houdt, heeft het volk Israël de overhand. Als zijn krachten het lijken te begeven, Mozes is in de leeftijd van een kwetsbare oudere, ondersteunen Aäron en Chur hem.

Het is een wonderlijk verhaal. Ik begreep het pas beter toen ik leerde om de symboliek ervan te zien (bij Jonathan Sacks, Exodus). Daarvoor moet je iets weten van de structuur van deze verhalen.

In dit gedeelte van het boek Exodus, over de bevrijding, is het centrale verhaal de bevrijdende doortocht door het water – de Paaservaring, dat de Heer het volk bevrijdt en uitleidt uit de slavernij door zijn knecht, de herder (!) Mozes. Dat centrale verhaal wordt omkranst door twee keer de vermelding dat het volk strijd moet leveren. De eerste keer is tegen het leger van de farao. De tweede keer, tegen het volk van de Amalekieten. Beiden, zowel de Egyptenaren als de Amalekieten, gelden in de Bijbel als een soort aartsvijanden, als oermodellen voor alles wat tegen de god van bevrijding ingaat.
Nu, de doortocht wordt beschreven als een strijd. Israël trok uit Egypte weg als een geordend leger, staat er. God leidde hen via een omweg naar de Rietzee, en dan staat daar: ‘God dacht namelijk: Als ze strijd zouden moeten leveren konden ze weleens spijt krijgen en teruggaan naar Egypte’ (vgl. 13: 17 – 18). Wat volgt, is de strijd die op dat moment door God wordt aangegaan. De Heer treedt tegen Egypte op. ‘Paarden en ruiters wierp hij in de zee’.  Kortom, hier is het God die de strijd voert.
In het verhaal van vanmorgen, na de centrale gebeurtenis van de doortocht, is het het volk zelf dat de strijd aangaat.
Mozes staat er wel, met de staf van God, maar het zijn de dappere en weerbare mannen die Jozua heeft uitgekozen en door generaal Jozua worden geleid, die de strijd moeten voeren.
Wat betekent dat?

De uitleg is, dat hiermee wordt uitgedrukt dat dit verhaal laat zien dat er een beroep gedaan wordt op de menselijke verantwoordelijkheid. De woestijntocht is een leerweg. Een veertig jaren lange oefening (let op de symboliek) om te leren leven uit de bevrijding. Daarvoor is het nodig dat je leert om je eigen verantwoordelijkheid te nemen. God wil dat we onze eigen strijd voeren. Dat betekent niet dat hij ons aan ons lot overlaat, integendeel. We staan er niet alleen voor. Zie het symbool van de geheven herdersstaf. God is met ons waar en wanneer we met hem zijn. ‘Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen kwaad, want U bent bij mij, uw stok (!) en uw staf – herdersattributen – geven mij troost en moed’.

We worden in het geloof uitgenodigd om te vertrouwen in God die als een goede herder ons kent bij name, bij ons diepste wezen. Een god bij wie je thuis kunt komen, bij wie je jezelf mag zijn, of misschien wel: bij wie je jezelf kunt worden. Dat laatste is, leren je eigen verantwoordelijkheid te nemen, je eigen stappen te zetten, je eigen strijd te voeren. We worden aangesproken op onze eigen kracht.
Op een bepaalde manier zit dat ook in het beeld van de herder opgesloten. Het is eenzijdig om alleen de passieve kant te benadrukken, de herder die wel voor zijn schaapjes zorgt, waar jij je gerust en stil aan over kunt geven. Dat is te eenzijdig. Het is eerder zo, dat het vertrouwen dat de herder je schenkt, jou de kracht geeft om jouw leven te leven en de uitdagingen daarin aan te gaan. Wij moeten onze eigen strijd voeren. Het geloof geeft je daarvoor de moed.

In deze dagen gedenken van 4 en 5 mei gedenken we en vieren we onze bevrijding.
Wij moesten onze eigen strijd voeren. We gedenken degenen die het offer van hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Dat doen we in de wereld van nu, met de uitdagingen en de problemen van nu. Daarin moeten wij ónze strijd voeren. Het leven is als een woestijnreis. Leren om te leven uit de bevrijding. Om zo te leven dat anderen daarvan opleven. Om voor elkaar als goede herders te zijn.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter