Boeken

J.M. Coetzee, De dood van Jezus

Met De dood van Jezus voltooit Coetzee zijn wonderlijke trilogie Jezusboeken. Eerder verschenen De kinderjaren van Jezus (2013) en De schooldagen van Jezus (2016), waarin net als in dit boek, ondanks de titel, de naam Jezus niet voorkomt. De hoofdpersoon is David, inmiddels een beginnende puber, die verzorgd wordt door Simon – niet zijn echte vader – die een wat problematische band onderhoudt met Inés – niet zijn echte moeder – die in hetzelfde appartementencomplex woont. Je zou hem als een adoptiezoon kunnen beschouwen, maar zo ziet David dat zelf niet. Hij eist juist zijn vrijheid op, als hij de keuze maakt om in een weeshuis te gaan wonen, waar hij zijn voetbalcapaciteiten verder kan ontwikkelen in het kampioensteam van het tehuis.

Net zoals de eerste twee boeken, kun je ook De dood van Jezus op verschillende niveaus lezen. Het lopende verhaal is zoiets als de ontwikkeling van een vroegwijze puber richting zelfstandigheid. Hij maakt zich los van zijn ‘ouders’, is nukkig en brutaal als hij zijn zin niet krijgt. Net een gewone puber. Maar als David op de verwijtende vraag van ‘moeder’ Inés ‘En wie denk je dan dat je bent?’ antwoordt: ‘Ik ben die ik ben!’ (p. 43), dan heb je met deze bijbelse verwijzing (naar God die zich met deze woorden aan Mozes bekend maakt) door dat er meer aan de hand is in dit verhaal. David is toch wel een bijzonder kind.
Hij blijkt een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op mensen in zijn omgeving. Zelfs op dieren heeft hij een sterke uitwerking.
Het verhaal neemt een wending, als David ziek wordt. Er is iets mysterieus aan de hand met zijn knieën, hij kan niet meer lopen, waardoor hij in het ziekenhuis belandt. Ondanks de vage belofte van een bloedinjectie die soelaas moet bieden – David heeft een heel uitzonderlijke bloedgroep waarvan niet zomaar donorbloed voorhanden is – verslechtert zijn situatie en wordt duidelijk dat hij aan zijn kwaal zal doodgaan.

Ook in het ziekenhuis trekt David mensen aan. Zo is er Dmitri die zich liefdevol over hem ontfermt en zich als een persoonlijke beschermer van David ontpopt. Nu is Dmitri het personage dat in de vorige roman van de cyclus de charismatische docente van David heeft vermoord. Hij is daarvoor veroordeeld, maar in plaats van naar de gevangenis als verpleeghulp in het ziekenhuis te werk gesteld. Als Simon dat ontdekt, wordt hij kwaad, maar Dmitri pareert: “.. denk goed na voordat u een overhaast oordeel velt. Waarom denkt u dat de rechtbank, in haar wijsheid, mij niet naar een van haar vele gevangenissen heeft verwezen maar naar dit ziekenhuis? Het antwoord ligt voor de hand. Het staart ons aan. Zodat ik beter kon worden gemaakt. Zodat ik kon genezen. Want daar zijn ziekenhuizen voor. En ik ben genezen. Ik ben een nieuw mens” en als Simon vraagt om iemand van de leiding te spreken, antwoordt Dmitri; “Je kunt spreken met wie je maar wilt, maar ik ben wie ik ben” (p. 78).

In het ziekenhuis gaat het met de kleine David van kwaad tot erger. Uiteindelijk overlijdt hij aan zijn mysterieuze kwaal. Maar voor die tijd maakt hij indruk op zijn medepatiënten door een aantal wonderlijke acties. Hij leest voor uit zijn lievelingsboek Don Quichot aan de bij zijn bed verzamelde kinderen. Hij kalmeert de woeste waakhond Bolivar die bij hem wordt gebracht. Bolivar raakt het lam Jeremia, een ander lievelingsdier dat bij David wordt gebracht, niet aan zolang de jongen hem bestraffend aankijkt (maar als David slaapt wordt het lam bloederig verslonden). Het zijn tamelijk absurde scenes die tegelijk te denken geven vanwege de vage bijbelse reminiscenties. Maar wat betekent het allemaal?

De kracht van deze roman en van de hele cyclus, is dat deze vraag wel wordt opgeroepen maar niet ondubbelzinnig wordt beantwoord. Als Simon zich opnieuw ergert aan de idolate Dmitri – “Waarom noem je hem ‘jonge meester’ en schreeuw je hem ‘Glorie!’ na? Vind je het leuk om een kind belachelijk te maken? Heb je geen mededogen?”, antwoordt deze: “Ach, maar je begrijpt me verkeerd, Simon! Waarom zou ik de jonge David bespotten als alleen hij bij machte is me uit deze hellepoel te redden? Ik noem hem mijn meester omdat hij mijn meester is, zoals ik zijn nederige dienaar ben. Zo simpel is het” en hij kaatst de bal terug: “En hoe zit het bij jou? Is hij niet ook jouw meester, en zit jij niet een beetje in je eigen hellepoel, van waaruit je om hulp roept? … Een onberispelijk leven leiden zal je niet redden, Simon! Wat jij nodig hebt, wat ik nodig heb … is iemand die de boel komt opschudden met een nieuwe visie” (p. 134).

Wat die nieuwe visie precies is, wordt echter niet duidelijk.
David wordt steeds zwakker. Op het laatst spreekt hij met Simon over een vroege herinnering, toen hij door Simon opgesloten werd in een kast om verborgen te blijven voor ‘volkstellers’ (!). Simon: “Ik verstopte je in de kast zodat ze geen nummer van je zouden maken en je niet op hun tellingslijst zouden zetten. – Je wilde niet dat ik ze mijn boodschap zou geven. – Dat is niet waar. Het was voor je eigen bestwil dat ik je verstopte, om je te behoeden voor de volkstelling. Wat was dan de boodschap die je ze ging geven?”, maar David is te zwak om te antwoorden. “De jongen schudt langzaam zijn hoofd. – Het is nog geen tijd. – Is het nog geen tijd voor je boodschap? … Wat bedoel je? Wanneer zal het tijd zijn?. De jongen zwijgt” (p. 142-143).

De volgende morgen blijkt David overleden.
Waarna zich een weer een aantal wonderlijke gebeurtenissen ontvouwen, ruzie om wie zich over het lichaam mag ontfermen, een herdenkingsbijeenkomst in het weeshuis met de titel De daden en gezegden van David, en een brief van Dmitri aan Simon waarin hij zich opwerpt als degene aan wie David zijn boodschap heeft toevertrouwd, hoewel de inhoud daarvan in raadselen blijft gehuld: “Misschien had hij de boodschap nog niet helemaal voltooid. Misschien was er een wolk in zijn hoofd waar de boodschap uit geboren zou worden. Dat zou kunnen. Maar aan de andere kant, of hij al dan niet een wolk in zijn hoofd had is irrelevant, omdat David zelf misschien wel de boodschap was” concludeert Dmitri (p. 203). In een tweede brief komt hij daarop terug en wordt het mysterie alleen maar groter: “Nee, hij heeft me zijn boodschap niet toevertrouwd, niet helemaal. Tijdens zijn laatste dagen had hij volop gelegenheid om dat te doen. Wanneer mijn plichten het toelieten zat ik aan de rand van zijn bed en hield zijn had vast en zei Dmitri is hier en als zijn lippen bewogen boog ik mijn oor ernaartoe, klaar voor het vurige woord. Maar dat kwam niet. Waarom ben ik hier, Dmitri? Dat waren de woorden die in plaats daarvan kwamen. Wie ben ik en waarom ben ik hier?” (p. 211).

De boodschap blijft dus tot het einde verborgen. Of zit ze verscholen in de vraag, wie ben ik en waarom ben ik hier? Deze oer-vragen, als antwoord op de vraag naar een boodschap?

Coetzee speelt bewust met dit soort existentiële onzekerheden, in een wonderlijk en meesterlijk verteld verhaal, waarin telkens weer nieuwe verwijzingen en toespelingen te ontdekken vallen. Literatuur van superieure kwaliteit.

J.M. Coetzee, De dood van Jezus, Cossee Amsterdam 2019, 220 pag.

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter