Preken

ik weet niet wat ik zie, Joh. 9: 1 – 12

Als in het evangelie een blinde weer gaat zien, en dat gebeurt opmerkelijk vaak, dan is dat letterlijk een wonder, maar symbolisch een teken.
Beide zijn van belang om zo’n verhaal als dat van vanmorgen op waarde te kunnen schatten.
Het is een wonder.
Waar Jezus opduikt gebeuren de wonderlijkste dingen. Wat niet kan gebeurt toch. Er is altijd meer mogelijk dan je denkt.
Zelfs meer dan een wonder. De wonderen in de bijbel zijn ook tekenen. Ze hebben een diepere zin. Jezus zegt, zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld – dat is een geladen uitspraak en het is niet zo moeilijk om het verband te zien, tussen het licht voor de wereld – en de blinde die gaat zien.
Het wonder is een teken. Daarom gebeuren er ook altijd speciaal soort wonderen. Blinden gaan zien, verlamden gaan lopen, doven die horen. Maar nooit hoor je hoe Jezus van stenen brood maakt, of een pot met gouden munten tevoorschijn tovert, of een prins in een kikker verandert. De bijbel vertelt geen sprookjes…

Goed. Wonderlijk blijft het wel. Ook in dit verhaal, waarvan we alleen het begin hebben gelezen, zit heel veel wonderlijks waar je niet één, twee, drie raad mee weet.
Er klinkt die geladen, plechtige uitspraak van Jezus: Ik ben het licht voor de wereld – maar even later is het weer zo aards als wat, letterlijk, als hij op de grond spuwt er een modderpapje van maakt en op de ogen van de blinde man smeert. Dat lijkt wel Klazien uut Zalk?
‘Ga naar het badhuis Siloam en was je daar’, zegt Jezus tegen de blinde man. Zijn blindengeleidehond heeft het ook gehoord, en die wijst hem de weg. De man wast zich en als hij terugkomt kan hij zien.

Het wonderlijkste vind ik zelf, wat er daarna verteld wordt: Zijn eigen buren en kennissen herkennen hem niet!
“Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ “Ja, die is het”. “Nee, hij lijkt er alleen maar op”. Dan zegt de man zelf heel droog: “Ik ben het echt”. De bijbel zit vol humor…

Hoe kan dat, dat zijn eigen buren en bekenden hem niet herkennen?
Dat is toch raar? Tegenwoordig weten wij soms amper wie onze buren zijn, maar toen… Ze kennen hem toch, hij zit daar al jaren – en als ze hém niet herkennen dan toch wel aan die hond. Hoe kan dat, dat ze hem maar moeilijk thuis kunnen brengen? Mankeert het hún soms aan de ogen?

Als het in dit teken-verhaal gaat om zien en niet zien, dan moet je zeggen dat die omstanders de blinde man nooit echt hebben gezien.
De leerlingen van Jezus beginnen ermee, doordat ze Jezus vragen waarom deze man blind is? Is dat straf voor de ouders, of voor hem zelf?
Jezus kapt dat snel af. Je moet niet naar het verleden kijken, maar je op de toekomst richten, zegt hij met zoveel woorden. Verkeerde vraag, maar ook: verkeerde houding.

De leerlingen praten óver de blinde man, niet met hem. Ze speculeren over zijn ziektebeeld, maar maken geen contact met de man zelf.
De buren later idem dito. Ze vragen wel aan de man hoe het zo heeft kunnen gebeuren, maar ze zijn meer geïnteresseerd in de oorzaken dan het gevolg. “Waar is die Jezus die jou genezen heeft?” – geen woord van verwondering of blijdschap of medeleven om wat hem overkomen is. De blinde is een interessant object, om óver te praten, om aan voorbij te praten, om aan voorbij te zien. Iets van dat niet willen of niet kunnen zien is volgens mij ook de achtergrond van dat wonderlijke niet-herkennen.

Een mens kan zichtbaar veranderen bij een ingrijpende gebeurtenis, zowel in het positieve als in het negatieve. ‘Mens, wat zie je er stralend uit, ik had je nauwelijks herkend’.
Maar waar mensen niet echt gezien worden, of altijd op een bepaalde manier gezien worden, in de rol van afhankelijke of in de positie van iemand met een beperking bijvoorbeeld, valt het ons zwaar om dat anders te zien, als iemand opeens een andere kant toont. Ze kennen hem alleen maar als ‘bedelaar’.  In die rol is hij bekend en is hij hen ook vertrouwd. Maar als hij daaruit stapt, dan past hij niet meer in het bekende plaatje. Dan weten ze het niet meer. Dat iemand ook anders kan zijn of doen, dan je van hem of haar gewend bent, dat is voor veel mensen moeilijk om te zien – letterlijk – en soms zelfs ook moeilijk om te geloven. Ben jij dat? Zit dat ook in jou? Ik weet niet wat ik zie… Soms kun je zelfs jezelf verrassen.

Dat zelfs zijn beste vrienden niet goed weten of hij het wel is, als de blindgeborene genezen en wel, terugkeert, dat is tekenend. Hoe kijken wij naar elkaar? Wie kan zeggen dat hij de ander echt kent? Wie kent mij, mijn diepste wezen, mijn verborgen talenten, mijn begraven mogelijkheden?

Helemaal aan het begin van dit verhaal staat een zin waar je makkelijk overheen leest.
Daar staat dat Jezus in het voorbijgaan de blindgeboren man zag (vers 1). Jezus ziet en doorziet. Die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken. Hij ziet dat in de blindgeboren man een mens verborgen is die meer mogelijkheden heeft. Hij ziet iets in hem. Daar is zijn genezing op gericht.

Nederlands Instituut Beeld en Geluid, Hilversum, Neutelings Riedijk architecten

Nederlands Instituut Beeld en Geluid, Hilversum, Neutelings Riedijk architecten

Wonderlijke genezingen in het evangelie brengen altijd een verandering met zich mee.
Het is niet zo dat als een mens genezen wordt, hij weer de oude is.
Het is geen herstel, zoals wij van een ziekte kunnen herstellen.
Geen herstel, maar vernieuwing. De mens in de ontmoeting met Jezus wordt altijd in een ander licht geplaatst. Mensen worden nieuw geboren. Ook dat speelt volgens mij mee, in dat zijn meest nabijen hem aanvankelijk niet herkennen. Hij is een ander mens geworden.

De blinde wordt pas ziende, de genezing wordt pas voltooid, als hij zich gewassen heeft in de bron Siloam. Met andere woorden, als hij zich gedoopt heeft in De Gezondene, want dat betekent die naam. Siloam. Gezondene. Op wie anders dan Jezus zelf zou die naam kunnen wijzen? Die gezonden is om ons te genezen, ons leven te helen, om ons het zicht op Gods liefde te geven.

De gang naar het badhuis is niet een onnodige omweg. Maar het is deel van de symboliek in dit tekenverhaal. Het is een verwijzing naar de doop, waarin ook wij een ander mens worden. Wij zijn in Hem gedoopt, in zijn lijden, kruis en opstanding.
In dit wonder is hij, Jezus, zelf het teken. Onze ogen gaan open voor de genezing die Hij ons schenkt.

Als ook dit verhaal, zoals de andere verhalen die we deze veertig dagen in het evangelie opslaan, gaat over de vraag wie Jezus is, en wat zijn weg naar het kruis betekent, dan mag je het antwoord daarop in het volgende zoeken:

Jezus wil ook mijn ogen laten opengaan. Om oog te krijgen voor wie hij is, die ons bevrijdt van beperking en blindheid. Die ons opent voor wat er allemaal in mijn eigen leven nog mogelijk is. Als er in de wereld of in jouw leven een kruis staat, gloort daar altijd het licht van het nieuwe begin achter.

Dat is het teken in het wonder. Dat is het wonder van het teken.
Er is altijd meer te zien dan je dacht. Ik weet niet wat ik zie.
Een mens is nog zoveel meer dan zijn beperking, en het leven zoveel rijker dan de dood.
Dat vertelt dit verhaal van de genezing van de blinde en al die andere wonderlijke tekenverhalen: Gods werk moet door hem zichtbaar worden (vers 3).

AMEN

 

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter