Preken

God zelf bidt in ons, Marcus 9: 14 – 29

In het verhaal dat we vandaag lezen is er van alles aan de hand.
Het is een verhaal met nogal wat weerbarstige randjes. Zeker voor ons, moderne lezers en hoorders.
Het is een tamelijk onstuimig verhaal, over een jongen die ligt te stuiptrekken en te schuimbekken. Epilepsie, zeggen wij, maar voor de mensen van die tijd is hij bezeten van een kwade geest. Ook voor Jezus, die de geest bestraffend en bezwerend toespreekt.
Daarnaast speelt er van alles om de genezing heen.
Jezus spreekt met de vader. Hij zegt: “alles is mogelijk voor wie gelooft”. Nou, dat is nogal wat. Is dat zo? Zeggen wij dat zomaar na?
De reactie van de vader begrijpen we beter. “Ik geloof. Kom mijn ongeloof te hulp.”
En dan zijn er nog de leerlingen. Zij kunnen de jongen niet genezen. Jezus wel. En als ze aan het eind aan Jezus vragen waarom zij de geest niet konden uitdrijven, zegt Jezus: “Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.”

Vandaag gaat het vooral over dat laatste: over het gebed.
Want ook daar kun je vraagtekens bij plaatsen. Is dat zo, dat het gebed geneest? Wat bedoelt Jezus met die uitspraak, ‘dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven’?
Wat Jezus bedoelt, weet ik niet. Wat zouden wij er van kunnen vinden, of zeggen?

Misschien eerst wat het niet is, volgens mij.
Het gebed is geen vorm van magie.
Dat mag soms zo lijken, in het evangelie, en misschien was het dat ook voor de mensen van toen het geval. Maar Jezus is geen magische medicijnman. Hij gebruikt geen toverformules en bedient zich niet van duistere rituelen. Dat soort praktijken zijn vreemd aan de bijbel en we doen er beter aan daar ook maar ver van te blijven.
We kennen allemaal die zogenaamde christelijke groepen die gebedsgenezing inzetten als een waarmerk van hun geloof, maar vaak juist kwetsbare mensen afhankelijk maken of in verwarring brengen. Dat is het dus niet.

Het gebed is ook geen laatste redmiddel. Dat hoor je mensen nog wel eens zeggen, als ze uitbehandeld zijn en de dokter niets meer voor hen kan doen. `Het enige wat we nog kunnen doen, is bidden´. Dat zal, maar als er mee bedoeld is dat ze daar dan de genezing van verwachten, is dat een begrijpelijke wens, maar doet dat toch geen recht aan God, noch aan de dokter overigens. Bidden om kracht, ja, maar dat is wat anders dan toch nog, hoe menselijk ook, stiekem hopen dat het gebed kan doen wat de medici niet meer kunnen.

Het gebed is niet het laatste – als alles is geprobeerd en niets werkt, dan misschien nog het gebed. Het gebed is niet het laatste, het moet het eerste zijn. Het één en al. Wat bedoel ik daarmee?

Het gebed is in de christelijke spiritualiteit niet in de eerste plaats het afzonderlijke ritueel, zoals we dat in allerlei vormen kennen: het gezamenlijk gebed in de liturgie; of het kloostergebed van de getijden; of het persoonlijk gebed. Dat zijn allemaal uitingsvormen en natuurlijk van belang, maar het belangrijkste is om het gebed op te vatten als een soort levenshouding, als een bepaalde manier van in het leven staan. Het is een bestaanswijze, een onderstroom die in alles doorwerkt zonder dat dat altijd in de strikte vorm van het gebed als ritueel gebeurt.
Als Paulus zegt: bidt zonder ophouden (I Thess. 5: 17), dan moet je in die richting denken. Dat betekent niet dat je de hele dag met gevouwen handen en gesloten ogen zit, dat zou absurd zijn, maar het is het gebed als een altijd onderhouden openheid naar God toe. Daar leef je uit. Dat is het één en al.

Gebed is de uitdrukking van het besef dat wij het leven niet in regie hebben. En dat is niet een besef wat aan het einde komt, als wij alles hebben gedaan wat in ons vermogen ligt en stuiten op de grens van onze mogelijkheden. Het staat aan het begin van alles.

Als we nog even naar het verhaal teruggaan, is dat misschien wel waarom de leerlingen de arme jongen niet konden genezen. Omdat ze het te graag wilden, omdat ze het in al hun ijver zelf wilden doen, trots omdat hun iets werd gevraagd, omdat ze aangesproken werden op hun veronderstelde vermogen. Maar gebed wordt geboren uit het besef van onvermogen. Het is niet het middel dat wij inzetten, maar de houding waarmee wij ruimte scheppen om God in ons leven te laten werken.

Bij Rowan Williams, de voormalige aartsbisschop van Canterbury, las ik het volgende:
“Het is te gemakkelijk gebed te beschouwen als een soort ‘bestorming’ van de hemel: op een of andere manier moeten we genoeg smeekbedes uitspreken om ervoor te zorgen dat God van gedachten verandert; of we moeten echt wat druk op God uitoefenen zodat Hij doet wat we willen; of God is zover weg dat we veel lawaai moeten maken om zijn aandacht te trekken (…)
Gebed is vooral ‘toestaan dat God in ons gebeurt”’
Gebed is God God laten zijn.
Gebed is, dat God zelf in ons bidt.

In het lied van Oosterhuis dat we straks gaan zingen, staat het ook. Dat begint met ‘Ik sta voor u in leegte en gemis’ en eindigt met ‘Gij zijt toch zelf de ziel van onze gebeden.’ Alles daartussen is de ruimte van het gebed.

Als je het gebed ziet als een levenshouding, dan kan dat zo uitwerken – zo geldt dat voor mij tenminste – dat je gebed meer gaat spreken naarmate je het minder doet.
Er was vroeger een praktijk van vanzelfsprekende gebeden – voor elke vergadering; de vergadering werd op de gebruikelijke manier geopend, stond er dan in de notulen; voor en na elke maaltijd, ook als je onderweg in een restaurant was of waar dan ook. Maar daar zit het niet per se in.

Er was en is nog steeds, een praktijk van breedsprakige gebeden – vertrouwelijkheid die oneerbiedig is; niet omdat God niet in gewone woorden aangesproken zou mogen worden, maar omdat er een al te vanzelfsprekende omgang zonder gevoel voor het heilige in doorklinkt. Het komt echt op de toon aan. Gebed hoeft niet verheven zijn, maar wel verheffend.

Er is nog veel meer te zeggen over het gebed.
Op een bepaalde manier komt het hele geloof daarin samen. Er is een oude spreuk in de kerk, die er ongeveer op neerkomt dat je gelooft zoals je bidt (lex orandi, lex credendi).

Niet voor niets dat Jezus ons een eenvoudig gebed nalaat – dat hij zelf ook in de joodse traditie heeft geleerd – het Onze Vader, waar we in de kerk altijd weer op terug kunnen vallen, en dat zullen we ook vandaag doen.

En als je echt geen woorden hebt, dan kan de stilte heel veelzeggend zijn.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter