Preken

geldzaken, Matteüs 22: 15 – 22

‘Geef de keizer wat van de keizer is’. Ook al weet je niet precies meer de achtergrond en de aanleiding, deze spreuk kent iedereen, ook buiten de kerk. Het is een spreekwoord geworden.

Dat Jezus er nog iets achteraan zegt, is al minder bekend. Hij zegt: ‘en geef aan God wat God toebehoort’. Maar dat neemt niet weg dat de strekking van deze spreuk algemeen bekend lijkt. Voor de meeste mensen is dat een keurige scheiding, tussen het domein van de keizer – of de overheid, of de staat – aan de ene kant en het domein van God aan de andere kant. Zeg maar, de scheiding tussen kerk en staat, of nog anders: de scheiding tussen geloof en politiek, tussen de zondag en de maandag.

Vanmorgen gaat het over deze spreuk.
Ik zal proberen daar wat achtergrond bij te geven. We zullen dan ontdekken dat het wat ingewikkelder is dan zo’n simpele scheiding doet vermoeden. Zo is het altijd. Wat op het eerste gezicht of gehoor eenvoudig lijkt, is in werkelijkheid altijd gecompliceerder.
We zullen ook ontdekken dat het waarschijnlijk juist tegen Jezus’ bedoeling ingaat, om de zaken te scheiden. Het gaat niet om een scheiding, maar om de juiste verhouding tussen beide. Tussen keizer en God, tussen de wereld waarin je leeft en het geloof waarmee je dat doet.
Die zaken scheiden, dat zou te makkelijk zijn. Dat zouden wij wel comfortabel vinden; dan kun je het ene belijden en het andere blijven doen. Maar het punt is nu juist dat Jezus, juist ook met deze uitspraak, de zaken aan elkaar verbindt. En dat zorgt voor onrust en ongemak. Het is de kunst om het daarmee uit te houden en dat niet te snel weg te willen poetsen.

Het begint met een vraag. Farizeeën en Herodianen, groepen uit het toenmalige Jodendom, sturen leerlingen naar Jezus om hem een vraag te stellen om hem daarmee een uitspraak te ontlokken die hem (Jezus) in de val zal lokken. Even wat achtergrond:
Deze hele scène speelt zich af, als Jezus in Jeruzalem is aangekomen. We zijn tegen het einde van het evangelie. Dat betekent, de laatste dagen van Jezus. De feestelijke intocht – Palmpasen – is net geweest. Jezus is in de tempel. Hij leert het volk. Hij debatteert met andere Joden. De spanning van het naderende einde speelt op de achtergrond mee. Eerst wordt hem flink stroop om de mond gesmeerd. “Meester, wij weten dat u oprecht bent… wij weten dat u niemand naar de ogen kijkt…” – en dan komt de vraag er eindelijk uit: “Is het toegestaan de keizer belasting te betalen?”.

Waarom wordt Jezus hiermee in de val gelokt?
Omdat belasting aan de keizer betalen in die tijd een politieke kant heeft. De Joden zijn niet vrij. De Romeinen zijn de baas. Weliswaar is er een soort van autonomie, maar de keizer – Rome – heeft de touwtjes uiteindelijk in handen.
De Romeinen leggen belastingen op. De kostbare oorlogsindustrie die nodig is om zo’n onmetelijk rijk te regeren, moet natuurlijk wel betaald worden. De Romeinen hebben daar een mooi systeem voor ontworpen. Belastingen worden verpacht. De pachter krijgt dan het recht om in een bepaald gebied belastingen te heffen. Die pachters werden tollenaars genoemd, die we kennen uit de bijbelse verhalen. De tollenaar int de belasting heffen en daarboven op een percentage voor hem zelf en dat kan nogal verschillend zijn. Vandaar dat die tollenaars algemeen worden gehaat. En dat mensen hun best doen onder het betalen van belastingen uit te komen of dat te dwarsbomen. Tollenaar worden gezien als collaborateurs. Ze werken voor de Romeinen. De Romeinen zijn slim – verdeel en heers – en zorgen dat zij eerst hun geld krijgen en die tollenaar moet zelf maar zien hoe hij zijn deel bij elkaar krijgt.

Goed, u begrijpt, belasting betalen aan de keizer is een gevoelig onderwerp.
Nu Jezus in Jeruzalem is, vinden zijn tegenstanders het tijd om hem uit de tent te lokken. Is het toegestaan om belasting te betalen? Rond Jezus is een soort sfeer ontstaan van verwachting, dat Hij het volk misschien kan bevrijden van de gehate Romeinen. Als hij Ja zegt, dan zal het volk hem ook beschouwen als zo’n collaborateur. Maar zegt Jezus Nee, dan wordt meteen duidelijk voor de gezaghebbers, dat hij een potentieel gevaar is voor de openbare orde. Dan zullen de Romeinen, die toch al gebrand zijn om elke mogelijke opstand in de kiem te smoren, in actie komen. Het is dus een klassiek dilemma. Welke keuze er ook gemaakt wordt, je zit altijd fout. Hoe lost Jezus dat op?

Op hun vraag, reageert Jezus door te vragen om hem zo’n belastingmunt te geven. Dat doen ze. Maar wat gebeurt hier precies?
Ik had het al over de Romeinse tactiek van verdeel en heers. Wat je over de Romeinen ook kunt zeggen, ze waren slimme politici. Dat betekent ook dat ze vaak heel pragmatisch waren. De Joden hadden moeite met het Romeinse geld. Waarom? Omdat daar het beeld van de keizer op staat. En voor vrome Joden geldt het verbod om beelden te maken – gij zult u geen gesneden beelden maken (tweede gebod van de Tien Geboden) – want je mag geen mens, hoe machtig hij ook is, al is het de keizer zelf, met een beeld vereren. Daarnaast stond op de Romeinse munten een randschrift: ‘Tiberius, de zoon van de goddelijke keizer’.  Nou, dat was helemaal godslasterlijk in Joodse oren. Geen enkel mens mag zich immers zomaar goddelijk noemen. Tussen haakjes, wij hebben geen moeite met de naam van God op onze euro’s, maar voor de vrome Joden toentertijd was dat een paar bruggen te ver. Het gangbare Romeinse geld was besmet. De Romeinen, pragmatisch als ze zijn ingesteld, hebben daarom bepaald dat de Joden met eigen munten hun belastingen mogen betalen. Muntstukken waarop geen aanstootgevende beelden of teksten op staan.

Jezus vraagt hen om hem een muntstuk te tonen. En wat blijkt nu? Ze hebben zelf het gehate geld op zak. Het geld, een Romeinse denarie, met het beeld van de keizer en het godslasterlijke randschrift. Geen wonder dat Hij ze ‘huichelaars’ noemt. Hij heeft hen door. Zo groot is blijkbaar hun gewetensnood niet, want zelf hebben ze het besmette geld in hun portemonnee. Eigenlijk zijn ze hier al ontmaskerd. Jezus doorziet hun bedoeling.

Maar hij gaat nog even door. Jezus zegt: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’. En Hij heeft dan dat belastingmuntje in handen. Daar staat de keizer op, in beeld en naam. Dan volgt die gevleugelde uitspraak:

‘Geef de keizer wat van de keizer is, geef aan God wat God toebehoort’.

We zeiden al, het eerste deel van die spreuk is algemeen bekend. Maar het accent ligt op het tweede deel: Geef aan God wat God toebehoort. Het gaat van het mindere naar het meerdere, een bekende figuur in veel uitspraken van Jezus. Het tweede deel van zijn uitspraak krijgt de nadruk. Want, dat wat je aan God geeft is immers veel belangrijker dan dat wat de keizer toekomt? Je kunt de keizer en God niet zomaar op één lijn stellen. Ze zijn niet twee gelijkwaardige partners. Hoe zou een oprechte Jood dat kunnen denken? Nee, het zwaartepunt ligt bij dat wat je aan God verschuldigd bent.
Je zou het zelfs zo kunnen horen, dat antwoord van Jezus, dat hij het eerste met een zekere onverschilligheid zegt. ‘Geef de keizer wat van hem is. Gun die arme man zijn geld. Als hij daar dan zo op gebrand is, laat hem er gelukkig mee zijn. Maar wat veel belangrijker is, geef aan God wat Hem toebehoort. Geef je beste krachten, je waardevolste bezit, aan Hem. Dat is immers oneindig veel belangrijker dan al het andere’.

Daarom vraagt hij niet alleen naar het muntje, maar ook naar wat er op te zien is. Het beeld van de keizer…
Maar kijk nu eens naar je zelf. Zoals je daar staat, zoals je bent, als mens. ‘Van wie ben jij een afbeelding en welke naam staat daarop geschreven?’
Als mens ben je het beeld van God, imago Dei. Ieder mens draagt het goddelijke zegel in zich. Dat is een diep besef dat in ons geloof wordt bewaard. Je bent iemand, een mens, met een gezicht, met een naam, met alles wat aan je hangt en met elkaar jouw identiteit, jouw wezen uitmaakt. Jij draagt het beeld van God. Een gave en een verantwoordelijkheid.
Als mens beeld je uit wie en wat God is; als mens maak je zijn Naam zichtbaar en tastbaar in deze wereld. Dat is wat jou te doen staat, en dat is oneindig veel belangrijker dan belastingzaken en geldkwesties. Geef God wat God toekomt, jouw hart, jouw leven, je have en goed.

Als dan zo het accent gelegd moet worden, wat betekent dat concreet en wat kan ik daarmee in mijn eigen leven?
Wanneer je leeft met de bedoeling het beeld van God dat in jou schuilgaat uit te dragen en vorm te geven, dan moet dat juist in het gewone, dagelijkse, zakelijke en politieke leven gestalte krijgen. Dat is lastig genoeg.
Dan gaat het dus in de kerk ook over economie, over geld, over belasting betalen en belangrijker om de verdeling van belastinggelden. Niet in detail, dat laten we over aan de politici, met hun regeerakkoorden, maar wel in principiële zin. Wat doen wij met ons geld? Hoe verdelen we de rijkdommen van de wereld zo, dat rechtvaardigheid daarmee gediend is? Hoe leef ik zelf, als consument, als burger, als lid van een samenleving? Hoe kunnen we dat oefenen in een kerkelijke gemeenschap, in het kleine verband waar ons leven van alledag zich afspeelt? Enzovoort.

Jezus stuurt ons met zijn wederwoord op weg. Hij geeft het antwoord niet; hoe zouden wij dat dan wel kunnen doen. Maar hij zet met zijn uitspraak de zaken op scherp. Het is een opdracht, geef God wat God toebehoort, die iedereen in zijn of haar eigen situatie moet vervullen.
Wat is in jouw leven echt van belang?
Waar gaat het nu werkelijk om, als je alle rimram eraf trekt, alles wat bijzaak is aan de kant schuift? Van wie draag jij het beeld en welke naam staat daar op geschreven?
AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter