Preken

Gekleurde kraaltjes, Lucas 6: 27 – 38

“Heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen”.
Hebben we dat goed gehoord?
“Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan – weiger iemand die je bovenkleed afneemt ook je onderkleed niet…”
Klopt het, dat ik niet de enige ben die even aarzel bij deze woorden….?
Hebben we dat echt goed gehoord? Heeft Jezus dit werkelijk zo gezegd – zo bedoeld?

In Amerika had je tot voor kort het zogenaamde Jesus-seminar, een ontmoetingsplek van bijbelwetenschappers en theologen, die zich bezighielden met de zoektocht naar de authentieke woorden van Jezus. Niet alles wat in het evangelie staat heeft Jezus precies zo uitgesproken. Maar hoe kom je er achter wat wel en wat niet door Jezus is gezegd? De wetenschappers gebruikten daarvoor een soort puntensysteem om de verschillende uitspraken in het evangelie te vergelijken – met gekleurde kraaltjes – en vervolgens werden al die persoonlijke scores opgeteld. Het klinkt wat sullig, en misschien is het dat ook wel.  
Het Jesus-seminar bestaat niet meer, lees ik op Internet.
Wat Jezus werkelijk heeft gezegd – een thema uit het nieuwtestamentisch onderzoek – zal altijd een vraag blijven waarop geen definitief antwoord gegeven kan worden.

Ik zelf vind het veel vruchtbaarder om aan de andere kant te beginnen.
Deze woorden worden al meer dan twintig eeuwen gehoord, gelezen en overdacht. Dat bewijst op zich nog niks als het gaat om de historische waarheid, maar zegt toch wel iets over de spirituele waarheid, of de spirituele waarde. Ze zijn door de eeuwen heen inspiratiebron én struikelblok geweest. Een uitdaging voor het denken én voor het handelen. Heb je vijand lief. Keer de andere wang toe. Ga er maar aan staan.

Jezus zou dit heel goed gezegd kunnen hebben, toch.
Maar ook als je dat beweert, dan ben je er nog niet uit. Want tegenover die oproep om je vijanden lief te hebben en te bidden voor wie je slecht behandelen – uitspraken die passen bij ons beeld van een vredelievende Jezus – staan uitspraken in hetzelfde evangelie als ‘Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, ik kom verdeeldheid brengen’ (Luc. 12: 51) en roept Jezus bij het laatste avondmaal zijn leerlingen op ‘hun mantel te verkopen en een zwaard aan te schaffen’ (Luc. 22: 36) – een merkwaardige passage die we alleen bij Lucas vinden overigens.
Als wij ons Jezus voorstellen als een vredestichter – een soort pacifist – dan is dat ook maar één kant van het veelzijdige beeld dat in het evangelie wordt geschetst, en het zegt dus tegelijkertijd veel over ons als we dat positieve beeld de voorrang geven.

Misschien denkt u wel, die dominee maakt het alleen maar ingewikkelder.
Als dat zo is, dan is mijn missie al voor de helft geslaagd.
Want ja, het is ook ingewikkeld. Niet alleen wat Jezus nu wel of niet heeft gezegd, maar op een dieper niveau is het ingewikkelder. En dat moet zo zijn.

Deze woorden hebben een bepaalde vreemdheid, moeilijkheid, weerbarstigheid zo u wilt, die je op een of andere manier behouden moet, anders verliezen ze hun zeggingskracht.
Wie te snel weet wat Jezus bedoelt, laat als het ware het woord los. Is al van het woord naar de gedachte of de conclusie gegaan.
Wie te goed weet wat Jezus van ons vraagt, loopt het gevaar zijn eigen wijsheid voor die van Jezus te houden.

Heb je vijanden lief. Zegen wie jullie vervloeken.
Het zijn machtige uitspraken die op een bepaalde manier altijd tegenover ons staan.
Ze hebben mannen en vrouwen door de geschiedenis heen geïnspireerd tot een voorbeeldig pacifisme; ze waren de reden dat de vroegste christenen krijgsdienst weigerden – dat de jonge kerk opviel door haar opmerkelijke onderlinge verdraagzaamheid. De geest van verzoening en pacifisme, het zijn de kenmerken van moreel hoogstaande mensen door alle eeuwen tot in onze tijd, die zich door deze woorden lieten leiden.

Maar het zijn ook woorden geweest, die door theologen van alle eeuwen zijn omgevormd en onschuldig gemaakt, om geweld vanwege staat en rijk te billijken, om het leerstuk van de rechtvaardige oorlog op te stellen. Je kunt niet zeggen dat de geschiedenis van het christendom vrij van geweld is geweest – dat is zelfs een understatement. Ondanks de woorden van haar Heer, hebben vele christenen in naam hun zegen gegeven aan het geweld, aan de wapens en de wapenwedloop, aan het demoniseren van de vijand in plaats van hem lief te hebben. En dat gebeurt tot op de dag van vandaag.

Dus, zeg het maar.
De vraag van het begin, moeten we eigenlijk omdraaien.
Niet: Wat heeft Jezus wel of niet gezegd? Maar: Wat zeggen deze woorden mij?
Laat ik ze op me afkomen, laat ik ze gelden, ook al besef ik dat ik daar nooit aan kan beantwoorden, dat ik altijd onder die evangelische maat zal blijven?
Of laat is ze, na wikken en wegen, langs me heen glijden, omdat ik besef dat ik daar nooit aan kan beantwoorden, dat wij nu eenmaal geen engelen zijn, maar mensen?

Natuurlijk moet je nuchter genoeg zijn. Met de Bergrede is er geen politiek te bedrijven. De wereld beantwoordt nu eenmaal niet aan de maatstaven van onze idealen. Heb je vijand lief, dat kost je de kop, als het er op aan komt. Volgehouden pacifisme is dwaasheid.
Maar toch. Als je dat zegt, als je dat te snel zegt, ben je dan niet al gecapituleerd voor de werkelijkheid? Heb je dan al niet bij voorbaat de openheid voor een andere mogelijkheid opgegeven? En is dat niet te onder de maat van wat geloof eigenlijk is, geloven dat het onmogelijke mogelijk is…Laten we nog even van een afstandje wat beter kijken naar deze woorden en dit evangeliegedeelte. Jezus onderricht zijn leerlingen. En als het in het evangelie gaat over de leerlingen, dan mag je daar altijd de bredere gemeenschap van de kerk bij denken – de kerk van alle eeuwen; wij dus ook.
Jezus geeft onderricht.
Het lijken lossen uitspraken te zijn, one-liners, maar er zit structuur in.

Centraal staat wat we de gulden regel noemen. ‘Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen’.  De gulden regel, omdat je dat inzicht in iedere religie of levensbeschouwing of levensfilosofie tegenkomt. Het is algemeen menselijk en het is wat je moeder je al leerde: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet.

Tot zover weinig nieuws.
Jezus sluit aan bij de wijsheid en de regels uit zijn eigen Joodse traditie.
Maar dan gaat hij een stap verder.
Want, zegt hij, als je dat principe van de wederkerigheid toepast, dan doe je eigenlijk wat iedereen al doet, maar blijf je ook opgesloten in datzelfde idee van wederkerigheid.
Ik doe wat voor jou, als jij wat voor mij doet.
Of, ik doe alleen wat voor een ander, als ik er op rekenen mag dat ik dat ook van die ander terug ontvang.
Het is eigenlijk een systeem waarin we elkaar en onszelf gevangen houden in de verwachting van de ander. En een systeem, dat op dezelfde manier werkt in het negatieve. Heb jij mij benadeeld, dan benadeel ik jou. Ben ik tekort gedaan, ben ik slachtoffer, dan wil ik dat de dader daarvoor wordt bestraft. Het systeem van de wederkerigheid, zo algemeen menselijk en haast een natuurlijke ethiek, houdt zichzelf angstvallig in stand.

Daartegenover zet Jezus nu een heel andere oproep.
Niet: heb lief, wie jou liefhebben, ‘Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten … dan zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is” (Luc. 6: 35).
Dat is nieuw. Dit is uniek.
Hoe vaak we het ook gehoord hebben, dat moet je nooit vergeten. Hebben we het wel goed gehoord?
Veel van wat hier staat, vind je ook bij andere wijsheidsleraren, maar deze uitspraak ‘heb je vijanden lief’ vind je nergens anders dan alleen bij Jezus.

Misschien zou dat alleen al reden kunnen zijn om de historische waarheid van deze woorden te bevestigen.
Beslissend is, wat ik mij door deze woorden laat gezeggen.
Juist omdat het goed beschouwd onmogelijk is, hebben ze voor mij overtuigingskracht. Klinkt dat paradoxaal? Dan is ook de andere helft van mijn missie geslaagd.

Heb je vijanden lief.
Het zijn de meest becommentarieerde en aangehaalde woorden van Jezus in de vroege kerk, omdat ze zo werkelijk anders, uniek, maar vooral: bevrijdend zijn. Ze nodigen je uit om uit het keurslijf van de wederkerigheid te stappen, waarin we onszelf en elkaar gevangen houden. Waarin we zelfs onze relatie met God vaak beleven – ik ben trouw aan God, ik vervul mijn religieuze plichten, en verwacht in ruil daarvan zegen en voorspoed – dat soort over en weer-denken zit soms dieper dan je weten wilt.

Heb je vijanden lief. Die unieke boodschap, aanmaning, uitnodiging heeft een revolutionaire potentie, die onwrikbare situaties kan openbreken, die situaties die op slot zijn open kan laten gaan, vlot kan trekken als je de moed en het vertrouwen op kunt brengen om daartoe te komen. De voorbeelden uit de geschiedenis van de kracht van het geweldloze verzet zijn daar de bewijsplaatsen van, hoe aangevochten soms ook.

Hij wijst een weg voor ieder mens. Niet alleen voor de ethische superhelden. Ieder kan er mee beginnen. Je kunt het in het klein doen, in je eigen situatie. Begin maar, je komt er nooit mee klaar.

Heeft Jezus dit werkelijk gezegd?
Als je nog één keer die woorden op je in laat werken, en je plaatst ze tegen de achtergrond van Jezus’ eigen levensweg, dan krijgen ze een verrassende diepgang:
Heb je vijanden lief. Zegen wie jullie vervloeken. Bid voor wie je vervolgen.
Woorden van de Heer, hier aan het begin van het evangelie. Zelfs zal hij straks aan het einde daarvan bidden: Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen (Luc. 23: 34).

Zou het dan toch zo zijn, dat we hier zijn eigenste stem horen? Zeg het maar.

In het kruis wordt het revolutionaire potentieel van deze liefde, die alle kwaad overwint, zichtbaar.
Tot heil van mens en wereld.

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter