Boeken

Gabriël van den Brink, Eigentijds idealisme

In januari verschijnt het resultaat van een groot onderzoek naar de betekenis van geestelijke beginselen in Nederland (De Lage Landen en het hogere) uitgevoerd door de Universiteit van Tilburg. Vooruitlopend op de wetenschappelijke editie is er een beknopte samenvatting voor het publiek verschenen, waarin de voornaamste uitkomsten worden vermeld, aangevuld met enkele portretten van ‘gewone Nederlanders’. Met elkaar moeten ze de centrale stelling onderbouwen dat er, ondanks de beeldvorming, volop sprake is van idealisme onder Nederlanders, van onbaatzuchtigheid om anderen te helpen en van bereidheid om je toe te wijden aan het Hogere. Dat laatste wordt consequent met een hoofdletter geschreven, wellicht om de eerbiedwaardige oorsprong van het begrip te bewaren. Voorheen was de toewijding aan het Hogere (lees: God) religieus of sacraal van aard, nu krijgt het gestalte in sociale en vitale vorm volgens de basisgedachte van de onderzoekers (p. 15). Het Hogere is niet verdwenen, maar van gedaante veranderd. Volgens de werkdefinitie van de onderzoekers is het Hogere ( ) de verbeelding van een geheel waarmee ik mij verbonden weet en waardoor ik mij geroepen voel tot onbaatzuchtig handelen (p. 16). In een historisch overzicht wordt geschetst hoe deze toewijding aan het Hogere verschillende gestalten aan heeft genomen door de tijd. Van een gerichtheid op God, Vaderland en Werk, via Naaste, Samenleving en Mensheid, naar de meer vitale objecten Liefde, Lichaam en Natuur. Ook hier zijn de hoofdletters van de onderzoekers.

Het is boeiend om te zien hoe dit onderzoek de veranderingen in kaart brengt. Onbaatzuchtigheid is op allerlei manieren in onze moderne samenleving aan te wijzen. De mini-portretten van verschillende vrijwilligers onderstrepen dat. Nederland is nog steeds kampioen vrijwilligerswerk. Maar ook op andere manieren streven mensen naar hogere waarden, volgens de onderzoekers. Het is een conclusie die je graag zou willen omarmen. Tegelijkertijd roept de manier waarop ze tot stand komt ook vragen op. Je krijgt de indruk dat men erg graag naar een dergelijke conclusie toe redeneert. Politie- en ziekenhuisseries op tv worden opgevoerd als voorbeelden waarin het publiek de hogere waarden van roeping, opoffering, standvastigheid en volledige toewijding herkent. Omdat deze series ‘een massaal publiek’ trekken, is dat het bewijs dat het Hogere niet verdwenen is maar in andere gestalten opduikt (p. 81). Ik ken de kijkcijfers van dergelijke programma’s niet, maar ook zonder die gegevens lijkt het mij wat te voorbarig om er dergelijke vergaande conclusies aan te verbinden.
Deze aarzeling wordt gevoed als volgens de onderzoekers zelf blijkt dat veel mensen moeite hebben om zich bij de term het Hogere iets concreets voor te stellen. Dat laatste lukt slechts een derde van de respondenten. “De rest vertelt weliswaar wat hen echt gelukkig maakt of wat echt belangrijk is in hun leven, maar ze wijzen de term als zodanig van de hand” (p. 53). Juist omdat de term het Hogere geassocieerd wordt met spiritualiteit en religie, lijkt ze voor velen ongeschikt te zijn. Dat roept de vraag op waarom de onderzoekers zo hardnekkig er aan vasthouden en van de term een centraal begrip maken. Door het consequente gebruik van de hoofdletter wordt bovendien de door de respondenten afgewezen associatie met het religieuze in stand gehouden.
De wat agressieve ondertitel van de publicatie, die spreekt van een ‘afrekening’ met het cynisme, roept tevens de verdenking op dat de interpretatie van de onderzoeksresultaten gestuurd wordt door de wens om een tegengeluid te laten horen. In het voorwoord wordt al gesteld dat “de publieke meningsvorming in het teken staat van onbehagen en ontgoocheling. Met dat negativisme willen wij in dit boekje afrekenen” en verderop is er sprake van “denkbeelden (waartegen) wij ons eigenlijk afzetten”. Dat zijn uitspraken die niet getuigen van wetenschappelijke distantie.

Je kunt met de intenties van de onderzoekers om het idealisme te omarmen en je tegen cynisme te wapenen, sympathiseren en toch met de vraag blijven zitten of die intenties met deze studie zijn gebaat. Om daar een afgewogen oordeel over te kunnen geven, zullen we de volledige resultaten van de studie af moeten wachten. Het is goed dat in kaart is gebracht hoe Nederlanders op allerlei manieren zich inzetten voor andere dan de strikt eigen belangen. Het is belangrijk om daar ook maatschappelijk notie van te nemen en een al te negatief beeld van onze samenleving te corrigeren. Om dat op te tuigen door dat als gestalten van het Hogere (met hoofdletter) te kwalificeren, blijft de vraag. In de slotbeschouwing wordt de vraag gesteld naar een nieuwe burgerlijke sfeer, een omgeving en een taal waarin burgers vanuit verschillende achtergronden en motieven elkaar weten te vinden om zich te engageren voor het gemeenschappelijk belang. Dat is lastig in een door en door geïndividualiseerde samenleving. Het gesprek is nodig. “Opvattingen over het goede leven laten zich echter niet van bovenaf opleggen of van buitenaf invoeren” (p. 103). Een terecht opmerking die de onderzoekers wellicht zichzelf ook wat meer hadden kunnen aantrekken. Of is dat een al te cynische conclusie?

Gabriël van den Brink, Eigentijds idealisme. Een afrekening met het cynisme in Nederland, Amsterdam 2010, isbn 9789089643650, 104 pag., € 12,50

Zie ook artikel in Trouw.

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter