Preken

Ga zelf maar kijken, Joh. 1: 29 – 51

Kan er uit Nazaret iets goed komen?
Natanaël stelt deze vraag, die spreekwoordelijk is geworden. Waarom precies, weten we niet, maar dat is vaker zo met spreekwoorden. Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is, een plaatsje in de buurt van Nazaret. Misschien dat in zijn verbaasde uitroep enige regionale rivaliteit meeklinkt, wie zal het zeggen. Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, uit een op zichzelf al wonderlijke dialoog, aan het begin van het Johannesevangelie. Dialoog? Het is meer een soort doorgeef gesprek. Het begint met Johannes (de Doper), die naar Jezus wijst als het Lam van God. Naar aanleiding daarvan gaat Andreas achter Jezus aan. Hij komt zijn broer Simon tegen en spreekt hem aan, zodat ook Simon zich bij hen aansluit.
De volgende dag ontmoet Jezus Filippus en vraagt hem mee te gaan. Filippus komt op zijn beurt Natanaël tegen en nodigt hem ook uit, maar Natanaël twijfelt – kan uit Nazaret iets goeds komen – waarop vervolgens Jezus zelf hem aanspreekt – ik zag je al zitten onder de vijgeboom – waarop Natanaël om is: Rabbi, u bent de Zoon van God. Volgt u het nog?

Een commentator noemt het een ‘merkwaardig eentonig verhaal’, maar daar ben ik toch niet mee eens. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen, dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld en hoe er onderling wordt gereageerd. De ene keer neemt Jezus het initiatief, de andere keer komen de leerlingen op hem af. Het is een wonderlijk heen en weer, zwaan kleef aan.
En dan de uitspraken die staan opgetekend. De twijfel van Natanaël – uit Nazaret, dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus. Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël ‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’. Waar is dat weer op gebaseerd? En dan die uitspraak aan het einde, als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken: ‘jullie zullen nog grotere dingen zien: de hemel open en de engelen van God omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En hoezo eentonig? Let alleen eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus hier wordt benoemd. Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias, zoon van Jozef maar ook Zoon van God, koning van Israël, en zelf heeft Jezus het dus over de Mensenzoon – en dan ben ik nog niet compleet. Achter elk van die titels zit een (theologische) wereld verborgen.
Eén daarvan, het Lam Gods, lichten we er vanmorgen uit, omdat het symbool van het Lam van God in de geschiedenis van het geloof een sterke rol heeft gespeeld, soms zelfs centraal is komen te staan. Zoals in de klassieke liturgie, het Agnus Dei, klinkt als het offer van Christus wordt gevierd, waarbij deze evangelietekst wordt gezongen. Het Lam Gods als beeld van de verzoening. Het bloed van het lam dat reinigt van alle zonden.
Daar gaat een lam en draagt de schuld / der wereld met zich mede
het boet in eindeloos geduld / voor al wat wij misdeden
Daar gaat het en het wordt zo moe / stil gaat het naar de slachtbank toe
Dat lied stond in het oude Liedboek, Gezang 187 – een piëtistisch lied uit de tijd van de Reformatie.
Maar in het nieuwe liedboek staat dat niet meer.
Is dat een vroomheid die we achter ons hebben gelaten?
Is dat hele beeld van het lam Gods nog wel van deze tijd – spreekt het aan, of staat het tegen?

Die oude vroomheid is niet verkeerd, maar is eenzijdig. En wat eenzijdig is, kan makkelijk verkeerd worden.
Het punt is dat het beeld van het lam, in de traditie vooral in verband met de verzoening is uitgelegd. Zo gaat dat in tradities, dan kunnen symbolen die voor verschillende uitleg vatbaar zijn, scheef getrokken worden op één specifieke invulling.
Als je er dieper in duikt, blijkt dat verschillende betekenissen samenkomen. Het lam is natuurlijk het symbool van onschuld en vredelievendheid, maar ook van onderdanigheid. Als een mak lammetje, dat zeggen wij ook, stil gaat het naar de slachtbank toe.
Nu staat dat aspect meteen al op gespannen voet met de manier waarop Jezus juist in het Johannesevangelie wordt getekend. Verre van een mak schaap, is Hij daarin vooral degene die vanaf het begin de zaak in regie houdt. De Jezus van het vierde evangelie is echt anders dan zoals hij geportretteerd wordt in de andere drie. Opvallend is trouwens dat bij die andere drie het symbool van het lam van God helemaal niet voorkomt, dat geeft ook al te denken.
Bij Johannes speelt mee dat Jezus hier wordt aangewezen als het lam van God en dat hij straks, aan het einde wordt gekruisigd op de dag dat de Joden het paaslam eten. Ook hier wijkt Johannes af van de andere drie, maar dat is waarschijnlijk om deze verbinding te leggen: Jezus is het paaslam.
Nu wordt het paaslam gegeten als herinnering aan de uittocht, niet zozeer als een zoenoffer. Dat wij in de traditie dat element er aan toegevoegd hebben, heeft meer te maken met het symbool van de zondebok, die in bijbelse tijden op Grote Verzoendag beladen wordt met alle fouten van het volk. Als er staat dat het lam de zonden der wereld wegdraagt of wegneemt, komt die gedachte op. Maar een bok is geen lam en de zogenaamde zondebok wordt de woestijn ingestuurd, niet geofferd. Toch een verschil.

Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer; sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid. Een lam is een dier zonder enig geweld. Zoals Jezus zonder enig geweld, zonder enige macht is, niet anders dan de macht van zijn liefde, de macht van zijn overgave. En, dat is precies de boodschap van het evangelie: die macht, die tegen-macht regeert. Zijn troon is een kruis. Hij die liever geweld ondergaat, dan zich aan geweld schuldig maakt. Hij, is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God. Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.

Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God aan het begin van het evangelie voorkomt (en niet bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten als je de klassieke uitleg volgt). Dat heeft alles te maken met wat volgens mij de bedoeling van deze bijzondere ouverture van het evangelie is. Het legt eigenlijk het mechanisme bloot hoe mensen tot geloof komen. Het laat zien waar en hoe geloof ontstaat. Daar gaat het in het hele evangelie om, dat mensen tot geloof komen dat Jezus de messias is, de Zoon van God (Joh. 20 vers 31).
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord – het lijkt wel de schepping – en het Woord was bij God en het Woord was God. Maar dan daalt het af, naar de aarde En dan is er sprake van ontmoeting en dialoog in het menselijke, van het getuigenis van Johannes de Doper en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie. Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen, herkennen in Jezus de messias, enzovoort. Overigens, niet onbelangrijk om dat op deze Kana-zondag te vermelden, nog voor er enig wonder is geschied.

De weg van ook het vierde evangelie, begint dus pas echt in het menselijke, in en door de  ontmoeting. Dat overtuigt altijd veel meer dan welk wonder ook. Zo ontstaat geloof, met mensen die je op Jezus wijzen, of met Jezus zelf die zich op jouw levensweg manifesteert, door andere mensen, door inspirerende voorbeelden of bijzondere gebeurtenissen, dat kan persoonlijk heel erg verschillen.
Beide komen hier voor: Johannes de Doper die naar Jezus wijst – zie, het Lam van God (vers 29 – 36); Andreas en later Filippus die anderen op Jezus wijzen; Jezus zelf die zich laat zien, die zich omdraait naar de leerlingen en hen uitnodigt mee te komen (38 – 39 – kom en zie) of Filippus uitnodigt om mee te gaan (43).
Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg, en vinden mensen elkaar in dat vinden. Vinden is een kernwoord in dit gedeelte. Net zoals zien, hoewel dat helaas in de nieuwe vertaling wat weggevallen is. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Het is een heen en weer en dat onderliggende patroon in dit concrete verhaal is als het ware het sjabloon van elke geloofsontmoeting. Geloof begint niet met een redenering, je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen, maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting die veelbelovend is, die verwachtingen wekt van grotere dingen en nieuwe ervaringen, geloven begint met de ervaring gevonden te worden. I once was lost, but now I’m found (Amazing Grace).

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen. Lam van God, maar ook: rabbi, leermeester, zoon van Jozef en Zoon van God, zoals Natanaël hem belijdt. Maar niet nadat hij op hem gewezen is.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken, in het geweld van de wereld, in de waan van de dag. Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen. Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven, te durven geloven, dat de weg van het lam, van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af. Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert, nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie, en in de nieuwe vertaling is die eigenlijk nog mooier: ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…

Vorig bericht Volgend bericht

1 reactie(s)

  • Reply kees verdouw 20/01/2020 at 05:55

    opnieuw dank

  • Laat een reactie achter