Preken

Er ging een kracht van hem uit, Lucas 6, 12 – 26

Het is al meer dan een halve eeuw geleden dat hij overleed: Albert Schweitzer, de tropenarts uit Lambarene, winnaar van de Nobelprijs voor de vrede, een lichtend voorbeeld van opofferingsgezindheid en christelijke naastenliefde. In mijn jeugd werden de verhalen over zijn leven op school verteld en dat heeft een blijvende invloed op mij gehad.

Albert Schweitzer heeft in de theologie naam gemaakt door een boek waarin hij de geschiedenis samenvat van het onderzoek naar het leven van Jezus. Iedere theoloog kent de titel van dat werk (Geschichte der Leben-Jesu-Forschung), slechts weinigen hebben het ook gelezen. In de 19e eeuw – Schweitzer is zelf van 1875 – kwam er een enorme stroom aan studies uit over het leven van Jezus, dat voor het eerst wetenschappelijk werd onderzocht. Men geloofde niet meer op gezag, omdat het nu eenmaal in de Bijbel stond, maar ging de bijbelse bronnen zelf onderzoeken. Men ontdekte tegenstrijdigheden en onwaarschijnlijkheden en zocht daar rationele verklaringen voor. De zogenaamde kritisch-historische bijbeluitleg.
In dat spoor kwam ook de interesse op naar het leven van Jezus, zoals het historisch geweest is, dus los van de dogmatische waarheden waarmee dat later bekleed is. Kun je de historische werkelijkheid ontdekken uit de fragmenten die ons zijn overgeleverd uit de evangeliën, die op hun beurt elkaar op onderdelen tegenspreken?

Wat Schweitzer in zijn boek liet zien, is op zijn kortst gezegd dat al die geleerden die zich in de generaties voor hem op zoek gingen naar het leven van Jezus, uitkwamen bij een versie die meer zei over henzelf en hun eigen opvattingen. Iedere tijd zijn eigen Jezusbeeld, zeg maar. Het venster waardoor je naar Jezus kijkt, is vaak een spiegel waarin het eigen spiegelbeeld wordt teruggekaatst.

Het boek van Schweitzer is al meer dan 100 jaar oud en op onderdelen verouderd, maar die kern is overeind gebleven. Het inzicht dat we altijd ons zelf meenemen als we ons met de figuur van Jezus bezighouden. Je leest altijd je zelf ook in de tekst terug, vooral de mensen die beweren dat niet te doen, trouwens. Ieder mens zijn of haar eigen Jezusbeeld.

Het is misschien een wat lange inleiding. Maar volgens mij past het om bij het evangelie van vandaag te benadrukken. We lezen in een relatief korte tekst van alles tegelijk. Over Jezus die zijn leerlingen bij elkaar roept – we zijn aan het begin van het evangelie, de personages worden ons voorgesteld. We horen hoe een menigte mensen op Jezus afkomt en hoe hij allerlei zieken geneest. De decorstukken worden klaargezet. We horen bekende teksten, die we vooral als de Bergrede kennen, bij Matteüs, maar bij Lucas klinkt dat net iets anders – dat is zo’n voorbeeld van verschil en overeenkomsten die vroegere geleerden puzzelden. Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God – en bij Matteüs staat er ‘arm van geest’ en dan denk je toch in een andere richting. Nou ja, teveel om allemaal tegelijk recht te doen. Je zou over elk van die zaligsprekingen een hele preek kunnen houden, en over de genezingen, en over nog wel veel meer.

Hoe horen wij dat? Wat raakt ons daarin. Wat valt je op? Hoe moet je dat duiden, uitleggen, toepassen, voor een leven vandaag, in de wereld van nu?

Wat mij treft, is dat er midden in die rijk gevulde tekst staat: er ging kracht van hem uit …
Het gaat over de indruk die Jezus maakt op de mensen. De mensen die van heinde en ver komen om hem te zien en door hem aangeraakt te worden. Het gaat misschien ook wel over de indruk die hij maakt door zijn woorden, zijn uitstraling. Er gaat kracht van hem uit.

Wat is nu die fascinatie, die aantrekkingskracht? En dan niet alleen voor die mensen toen, maar vooral ook als een vraag voor ons, want ook nu nog na zoveel eeuwen zijn wij telkens weer met die figuur van Jezus bezig, lezen we het evangelie, willen we ons laten raken door zijn woorden en zijn daden. Wat zoeken we bij hem? Zoeken we Hem nog? Gaat er voor mij kracht van hem uit……?

Het antwoord op die vraag kan een ander niet voor u geven.
Op een bepaalde manier lijkt me dit een vraag te zijn die het leven van iemand die zich christen noemt, altijd blijft begeleiden. Een vraag die steeds open blijft, zonder definitief of afsluitend antwoord.

Ik ben geneigd om een antwoord in twee richtingen te zoeken, die beide in dit gedeelte terug te vinden zijn. In de richting van de mensen en in de richting van God.

De mensen: hij roept twaalf leerlingen, hij noemt ze apostelen (dat betekent: ze hebben een zending, een missie, ze worden geroepen om op weg te gaan). Jezus wil het kennelijk niet zonder; kan wellicht niet zonder. Dat zegt ook al iets over hoe geloof werkt, altijd in de wisselwerking. God kan niet zonder mensen en mensen niet zonder God. Als er geen mensen zijn, om de boodschap van het nieuwe leven, de levenskracht door te geven, dan houdt het op, valt het stil… Zelfs de genezingskracht, in brede zin, werkt pas in en door menselijke bemiddeling. Dat is het echte wonder. Jezus kan niet zonder mensen om zijn kracht door te geven.

De andere richting, de richting van God.
Helemaal aan het begin van dit evangeliefragment staat er: hij gaat de berg op, hij trekt zich terug, hij bidt tot God, de hele nacht. Op een paar cruciale momenten wordt dat in het evangelie vermeld. Jezus in gebed. In die ene mededeling zitten ook weer allerlei dingen om apart bij stil te staan, ik stip het nu alleen maar even aan:
– Over de berg – de hoogte zoeken.
– Over je terugtrekken als spirituele oefening, de binnenkamer van de ziel, je eigen zelf, afstand nemen van alledaagse dingen, de drukte van de wereld, afstand nemen van je eerste impulsen.
– Over de nacht. Het donker in je eigen leven. De stilte (angst, verdriet, pijn) van een doorwaakte nacht, waarin je het geloof kunt kwijtraken, maar waarin het ook nieuw geboren kan worden.
– Over bidden, wat is dat? Toch geen verlanglijstje neerleggen bij God, maar om weer gevoed te worden, geaard.

Twee grondrichtingen, die misschien wel de polen vormen waarbinnen het krachtenveld van Jezus zich ontplooit en daarom zijn leven zo fascinerend maakt. Want die twee richtingen, naar de mensen en naar God, versterken elkaar, liggen in elkaars verlengde.

God, de levenskracht die we daarmee bedoelen, vind je in mensen, die met je mee optrekken, samen werken, weggenoten. God vind ik in mensen en in mensen die mee op weg gaan, zich laten leiden door de levenskracht, die dat doorgeven aan elkaar, voor elkaar zijn zo goed als God. Op een of andere manier belichaamt Jezus dit geloof, in een God van mensen, in een God op menselijke maat, vleesgeworden levenskracht, en daarom gaat er kracht van hem uit, die helend werkt.

Dat geloof dat telkens aangevochten wordt door wat er in de wereld gebeurt, juist ook door mensen en door ons zelf, dat geloof moet steeds weer gevoed worden. Het is er niet van zelf. Niet als een bezit. Om het te voeden, daarvoor is er het gebed, in ruime zin, de liturgie, de viering. Het gebed als tweespraak tussen jou en jezelf, tussen jou en je diepste bron, God.

Ik vond deze tekst van Søren Kierkegaard, waarmee ik wil afsluiten:

Bidden is luisteren

Hoe aandachtiger en innerlijk mijn bidden werd,
hoe minder ik te zeggen had.
Op het laatst werd ik helemaal stil.
Ik werd – en dat is misschien nog
een grotere tegenstelling met spreken –
ik werd iemand die luisterde.
Eerst dacht ik, dat bidden spreken was.
Maar ik leerde dat bidden niet louter zwijgen is, maar luisteren.
Zo is het: bidden wil niet zeggen: zichzelf horen praten;
bidden wil zeggen: stil worden en stil zijn
en wachten tot de biddende mens God hoort.

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter