Preken

een naam en een gezicht (Epifanie)

Vorige week zaterdag hadden we in Assen Cees den Heyer op bezoek, die vertelde over het boek dat hij heeft geschreven: Jezus, een mensenleven. Een vuistdik boek waarin Den Heyer, die professor in het Nieuwe Testament is geweest, nog eens vertelt hoe het beeld van Jezus door de eeuwen is veranderd, vanaf de evangeliën tot aan vandaag.

Gelezen gedeelten: Johannes 1, 19 – 29 en Jesaja 62, 1 – 5

Wat hij vorige week vertelde, is iets wat iedere oplettende Bijbellezer ook weet, dat er grote verschillen zijn tussen de vier evangeliën. Met name het evangelie van Johannes ademt een heel andere sfeer dan de andere drie. Het vertelt andere verhalen; andere wonderen; je vindt er geen gelijkenissen in, wel tamelijk lange redevoeringen – de Jezus die in het Johannesevangelie wordt geschetst heeft een heel ander karakter – minder mens, meer God, zo zou je het samen kunnen vatten. Een Jezus die spreekt in stelligheden, die zichzelf nadrukkelijk op de voorgrond plaatst. In dit evangelie vind je zeven Ik ben-uitspraken, Ik ben het licht der wereld, Ik ben de weg, de waarheid en het leven – vind je ook niet bij de andere evangelisten. In het Johannesevangelie is het Jezus, die de regie houdt, die aan het kruis niet roept: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, maar alleen maar: Het is volbracht.
Als je eenmaal oog krijgt voor dergelijke verschillen, wordt het des te interessanter om je te verdiepen in de diverse Jezusbeelden, een verscheidenheid die dus al in het Nieuwe Testament zelf te vinden is, wat de Bijbel zo’n boeiend boek maakt.

In het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen, op deze zondag in de Epifanie, komt Jezus niet aan het woord, horen we wel Johannes de Doper. Hij krijgt hier meer tekst dan in de andere drie evangeliën bij elkaar. Ook dat is een eigenaardigheid van het evangelie van Johannes (Johannes de evangelist is een ander dan Johannes de Doper, beetje verwarrend misschien). In het vierde evangelie speelt de Doper een prominente rol, wordt ook verteld dat Jezus zelf doopte (3: 23), vind je ook niet in de andere evangeliën. Er lijkt sprake te zijn van een rivaliteit tussen de leerlingen van Johannes en die van Jezus – misschien heeft dat een historische achtergrond die hier meespeelt. De uitkomst is echter dat Jezus belangrijker is dan Johannes, en precies dat wordt in deze uitvoerige teksten benadrukt.
Want, Johannes doet niets dan van zichzelf afwijzen. Ik ben het niet, Hij is het.
Zo kennen we hem uit de traditie, Johannes de Doper als voorloper en als wegbereider. Als degene die van zichzelf afwijst: Zie, daar is het lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt (vers 29).
Ik ben (slechts) de stem die roept in de woestijn (vers 23)
Na mij komt iemand die meer is dan ik… (vers 30)
In uw midden is iemand die u niet kent, hij die na mij komt (vers 27).

We kunnen met de vinger op het papier de tekst vers voor vers doorlopen. Je kunt ook proberen het samen te vatten, en dan zou ik zeggen: het gaat hier om de vraag wie nu eigenlijk deze Jezus is. Vandaag de dag zouden wij zeggen dat het gaat om zijn identiteit, maar dat woord kent de Bijbel niet.
Jezus verschijnt in de wereld van de mensen – en meteen heeft dat effect. Er wordt over hem gesproken, daar gaat dit gesprek van Johannes met de Joden over. En als je verder leest in hetzelfde hoofdstuk, blijkt het verschijnen van Jezus, al meteen effect te hebben en zijn er mensen die leerling willen worden – en die Jezus de messias (Christus, gezalfde) noemen zonder dat ze hem zelf hebben gezien of gesproken (vers 41). Het wordt alleen maar wonderlijker, naarmate je verder leest, en dan zijn we nog maar bij het eerste hoofdstuk.

Jezus maakt naam en Jezus krijgt een naam.
Alleen al in dit gedeelte worden er een aantal genoemd: Rabbi, profeet, messias, lam van God, zoon van God, de koning van Israël, maar ook: Jezus, de zoon van Jozef uit Nazaret. Elk van die namen of titels, roept iets anders op. Het zegt iets over zijn identiteit, al is dat meer dan alleen een naam. Sommige klinken je dichtbij, andere zetten Jezus misschien meer op afstand.
De belangrijkste vraag is natuurlijk: wie is Jezus voor jou? Dat is altijd aan de orde, maar zeker in deze liturgische tijd van de Epifanie.
Ik denk dat de lezing die persoonlijke vraag oproept. Je kunt natuurlijk heel interessant dat allemaal uit gaan pluizen (dat is nieuwtestamentische theologie), maar de geloofsvraag is: wie is Jezus voor jou? En dan hoef je niet te kiezen uit de hier genoemde namen en titels alleen, en dan hoeven we helemaal niet elkaar de maat te gaan nemen of we wel de dogmatische juiste titels gebruiken, want het zit niet in een woord of in een naam, maar wat betekent Jezus voor jou, voor ons? Wat maakt het waard dat we zijn leven blijven gedenken, zijn woorden herhalen, doorgeven, uitvoeren (doe dit tot mijn gedachtenis), en zo voort. Misschien is kerk zijn wel, de gemeenschap waarin deze kernvragen altijd aan de orde zijn – niet in de discussie, maar in de praktijk. Samen in de naam van Jezus…

De naam.
Dat woord komt ook nadrukkelijk voor in de andere lezing, uit de profeet Jesaja, en daarom wil ik vanmorgen dat verband onderstrepen.
Het gaat opnieuw om een vreugdevolle boodschap die de profeet mag brengen, waarin het einde van de ballingschap nabij is. De stad Jeruzalem wordt weer in ere hersteld. ‘Men noemt je niet langer Verlatene en je land niet langer Troosteloos oord; maar je zult heten Mijn verlangen en je land Mijn bruid’ (vers 4). Profeten gebruiken poëtische taal, bloemrijk. Het beeld van het huwelijk wordt gebruikt – om de relatie tussen de Heer en zijn volk uit te drukken. Maar ook het poëtische beeld van ‘de nieuwe naam’  wordt hier gebruikt: “Men zal je noemen bij een nieuwe naam die de Heer zelf heeft bepaald’ (vers 2).

U weet dat de naam in de Bijbel een belangrijk iets is. Als ik zeg een belangrijk begrip, klinkt dat te schools. De naam, dat is een geladen werkelijkheid. Daarmee wordt God zelf vaak aangeduid. De Naam met een hoofdletter, die zich bekend maakt als Ik ben, die ik ben, of Ik ben, die ik zijn zal, of hoe je dat ook vertalen wilt.
Maar ook de namen van mensen doen er toe. Ze hebben dikwijls een bijzondere betekenis. Soms is er sprake van een naamsverandering: Abram wordt Abraham (vader van vele volkeren), Jakob (bedrieger) wordt Israël (Hij die met God strijdt). De naam zegt in Bijbelse verhalen vaak iets over wie je bent en over je leven. Je naam is een program.

Aan de verwoeste stad Jeruzalem, gescheurd, gevlekt ontvallen schier, door de gevolgen van de ballingschap, wordt redding beloofd, herstel – een nieuwe naam, door de Heer bepaald. Welke dat is horen we niet, maar het beeld is duidelijk. Een nieuwe toekomst ligt in het verschiet. Een nieuwe start. Daar past een nieuwe naam bij. Zoals sommige mensen vandaag hun naam laten veranderen, na een ingrijpende gebeurtenis in hun leven, of als afsluiting van een bepaalde crisisperiode.

In die nieuwe naam zit ook een belofte verscholen. Zeker omdat er bij gezegd wordt dat die naam door de Heer zelf is uitgekozen.
In het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes, in dat moeilijke soms raadselachtige boek, komt het beeld van de nieuwe naam ook voor, die degene ontvangt die staande blijft in de vervolging. “Wie overwint zal een wit steentje krijgen waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die het ontvangt” (Openb. 2: 17).

Je naam doet er toe.
Jouw naam, jouw identiteit kent voor de levende God een zekere intimiteit. Een geheim, zo persoonlijk, dat het iets is van ieder mens zelf. Iets tussen jou en je God. Niet God, maar jouw God.
Er wordt ons een nieuwe naam beloofd.
Dat zegt zoveel als: wie je bent en wat je zult worden, dat is nog open, dat ligt nog voor je.
En wat voor jou geldt, geldt ook voor de ander – geldt voor de hele wereld.

Daarom aan het slot weer terug naar het begin van het Johannesevangelie, dat wonderlijke zoeken en vinden en vinden en zoeken, van Johannes naar Jezus naar de leerlingen en weer terug. Er zit een bijzondere dynamiek in dat eerste gedeelte – een voortgestuwde beweging die cirkelt om de naam – wie is toch deze? – de naam van Jezus.
Zo komt hij in onze wereld.
Als een vraag, niet als een antwoord – ondanks alle hoge woorden in datzelfde evangelie.
Als een vraag naar ons mens-zijn, naar onze naam, onze identiteit die meer is dan een naam alleen. Een vraag naar wie jij bent? En of je meegaat in de beweging die Hij op gang brengt? Of je meegaat in die droom van een nieuwe wereld, met nieuwe namen…
Zo komt hij in onze wereld –
met een naam een gezicht, even weerloos als wij mensen (Lied 527)

AMEN

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter