Preken

Dit zijn de namen (Ex. 1)

In de tijd dat ik studeerde, dat is inmiddels bijna 40 jaar geleden – een woestijnreis lang – werd ons voorgehouden: Exegese begint bij Exodus.
Dat klinkt goed, dus dat onthoud je wel. Exegese begint bij Exodus.
Wat betekent dat?
Nou, dat als je de Bijbel wilt uitleggen (exegese), of tenminste de Joodse Bijbel, je moet beginnen bij het boek Exodus. Niet bij Genesis, het eerste bijbelboek, maar bij het boek Exodus. Want dat gaat over de uittocht (exodus). Dat boek gaat over de wonderen die God doet voor zijn volk Israël. In het boek Exodus is de oerervaring van het volk Israël met hun God opgetekend. Daar is het allemaal begonnen, bij de machtige bevrijding uit de slavernij van Egypte.
In het boek Exodus maakt deze God, de God van de bevrijding, zich bekend. Eerst aan zijn knecht Mozes, bij het brandende braambos, en later op dezelfde berg aan het hele volk bij de Tien Geboden: Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.

Exegese begint bij Exodus. Om de Bijbel om het joodse geloof, om de wortel van ons eigen geloof goed te begrijpen, moet je altijd weer terug naar die ervaring. God is niet zomaar een van de vele goden, want goden die zijn er in overvloed, ook vandaag. Deze God is een God die slaven bevrijdt, die de jammerklachten van zijn volk heeft gehoord en reddend tussenbeide treedt.

Vanaf vandaag lezen we in de kerk een aantal weken uit het boek Exodus, tot en met Pasen. Daarom is het goed om even een paar hoofdlijnen uit dat boek te schetsen.
Kort geleden is er een boek over Exodus in Nederlandse vertaling verschenen. Geschreven door de Britse opperrabbijn Jonathan Sacks, waar ik het nodige aan ontleen. Een prachtig boek waar ik van alles van heb geleerd – dat is zo wonderlijk, dat je ook na 40 jaar theologie nog steeds nieuwe dingen kunt ontdekken, nieuwe verbanden, nieuwe invalshoeken.

Eén van die – voor mij – nieuwe inzichten is dat die beide boeken, Genesis en Exodus, een vergelijkbare structuur hebben, en nauw met elkaar verweven zijn. Het voert te ver om dat allemaal in detail uit te leggen. De rabbijn wijst erop dat Genesis vooral het verhaal vertelt van een familie, van Abraham, Izak en Jakob. Genesis is de wording van een familie, Exodus de geboorte van een volk. God schept zich een volk, door zich aan hen te verbinden.

1Dit zijn de namen van de zonen van Israël die samen met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin: 2Ruben, Simeon, Levi, Juda, 3Issachar, Zebulon, Benjamin, 4Dan, Naftali, Gad en Aser. 5Jozef was al langer in Egypte. In totaal waren daar toen zeventig personen die rechtstreeks van Jakob afstamden. 6Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, 7maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten.

Dan komt er een nieuwe koning op het toneel, die in het groeiende volk een bedreiging ziet. Hij doet wat alle politieke leiders door heel de geschiedenis heen dan doen, hij neemt maatregelen om het gevaar in te dammen.
Er wordt een sfeer van angst gecreëerd – stel dat er oorlog uitbreekt en zij sluiten zich aan bij de vijand…
Er worden beperkende maatregelen genomen – grenzen dicht? / in dit geval: onderdrukking door slavenarbeid, nu ze er toch zijn, worden ze ingezet als onderbetaalde arbeiders voor de zware klusjes; ze werden voortdurend mishandeld, staat er zelfs.
Maar het hielp niet. Dus volgen er nieuwe maatregelen, volgens de logica van de macht die zich bedreigd voelt. De Farao bedenkt een plan voor een geleidelijke genocide. De pasgeboren Hebreeuwse jongetjes moeten gedood worden; is het een meisje dan mag ze blijven leven.
Die opdracht geeft hij aan de vroedvrouwen die hier met name worden genoemd. Sifra en Pua en zij zijn de heldinnen van dit eerste verhaal. Want de vroedvrouwen hadden ontzag voor God, staat er, en daarom deden ze niet wat de koning van Egypte hen had opgedragen: ze lieten de jongetjes in leven.
Burgerlijke ongehoorzaamheid.
Wat een ongelooflijke moed is daarvoor nodig, om dwars tegen het bevel van de farao in te gaan. En als ze dan bij de farao worden ontboden om uit te leggen hoe het kan dat er nog steeds jongens in leven blijven, dan hebben ze de moed om hem met een prachtige smoes om de tuin te leiden. De Hebreeuwse vrouwen zijn anders dan de Egyptische: ze zijn zo sterk (vol levenskracht) dat ze hun kind al gebaard hebben, voordat de vroedvrouw er is. Het heeft iets humoristisch hoe die farao daar in trapt. Maar ja, wat weet een man er ook eigenlijk van.

Het geinige in dit verhaal is ook dat die farao eigenlijk getekend wordt als een sukkeltje. Is hij zo naïef om te denken dat de Hebreeuwse vroedvrouwen mee zullen helpen aan zijn dodelijke politiek? Of is er nog iets meer aan de hand met deze vrouwen.
De manier waarop ze worden aangeduid is dubbelzinnig, misschien wel bewust. Dat gebeurt vaker in bijbelse verhalen, dat er bewust gespeeld wordt met verschillende mogelijkheden. Je kunt lezen: Hebreeuwse vroedvrouwen, maar net zo goed: de vroedvrouwen bij de Hebreeërs. Als je die tweede manier van lezen volgt, dan blijft in het midden tot welk volk deze Sifra en Pua behoren. Volgens rabbijn Jonathan Sacks is dat , omdat zij een bijzondere vorm van morele moed tonen die nationaliteit en ras overstijgt. In feite werd hun gevraagd om ‘een misdaad tegen de menselijkheid’ te begaan. Een term die de Bijbel uiteraard nog niet kent, maar wel het verzet daartegen, want dat begint hier, bij deze twee moedige vrouwen. Zij weigeren mee te doen in de politiek van de dood. Ze zijn burgerlijk ongehoorzaam – ook een term die de Bijbel niet kent, maar de zaak zeker wel. Want dat vindt hier zijn oorsprong. Ze vertikken het om uitvoering te geven aan het bevel van de koning van Egypte. Zij staan daar boven.

Hoe kan het ook anders, vroedvrouwen. Zij zijn opgeleid om het leven te dienen, niet de dood.
Zij zeggen niet: we hebben instructies gekregen van hogerhand.
Ze zeggen niet: de wet is de wet, bevel is bevel.
Ze zeggen ook niet: wij hebben het niet bedacht, we voeren het alleen maar uit.
Ze zeggen niet: wij zijn ook maar gestuurd, of: iemand moet het doen. Nee, ze vertikken het.
Er zijn momenten, dat je moreel verplicht bent in te gaan tegen een immoreel bevel, van welke regering of gezag ze ook komen. Er zijn momenten dat ongehoorzaamheid geboden is.
Moet ik er nog bij zeggen, dat dit soort verhalen laat zien hoe actueel de Bijbel is en blijft?
Wat zou jij doen? Wat zou ik doen?
Natuurlijk altijd in een andere situatie en omstandigheden, maar toch.

Als je het in het grote geheel bekijkt, dan is het des te wonderlijk dat je dit al zo vroeg in de geschiedenis tegenkomt. Want religie / godsdienst is bijna altijd en overal gebruikt om bestaande machtsstructuren te rechtvaardigen. Maar het ontzag voor de God van Israël is hoger dan het bevel van de koning van Egypte. Dat is de unieke bijdrage van het joodse geloof aan de geschiedenis van de religie, waarin later de koning altijd gekritiseerd wordt door de profeet, waarin de macht altijd gebonden is aan het recht.

Twee eenvoudige vrouwen, nationaliteit onbekend, scheppen een historisch precedent.
Alles wat we van ze weten is, dat ze ontzag hadden voor God en niet deden wat de koning hun had opgedragen. Daar hoef je niet Hebreeuws voor te zijn. Daar moet je mens voor durven zijn, zoals zij het waren en zijn.

Nog één aspect uit het verhaal wil ik eruit lichten.
Sifra en Pua worden met name genoemd, zoals de 12 stamhouders aan het begin, en Jakob / Israël. Nu moet u weten dat het boek Exodus in het Hebreeuws wordt aangeduid, zoals alle bijbelboeken, met de beginwoorden. In het Hebreeuws heet het dus: Dit zijn de namen…

Een paar weken geleden was het wereldwijd Holocaust Memorial Day, de dag waarop de Holocaust werd herdacht. In voormalig kamp Westerbork werden alle 102.000 namen van Joden, Roma en Sinti die van daar uit zijn gedeporteerd, voorgelezen.  Een symbolische actie, maar we voelen allemaal aan hoe belangrijk dat is. Dat de naam wordt genoemd. Het maakt de doden een stukje minder dood. Want dood ben je immers pas als je naam is vergeten, als je naam niet meer wordt genoemd.

Het is ieder jaar een symbolische actie, maar toch ook, zoveel jaar na dato een daad van verzet. Verzet tegen de dood. Verzet tegen de vergetelheid, want dat is de dood. Het voorlezen van al die namen, naam voor naam, is een daad van verzet tegen het onrecht dat mensen naamloos maakt. De gevangenen in Auschwitz en in al die ander kampen, droegen immers geen naam, maar een nummer. In de huid gebrand.

Het mechanisme van de onderdrukking begint daar waar mensen naamloos worden gemaakt, of worden herleid tot een groep, een anonieme massa, een nummer.

Laten we vandaag daarom des te meer de namen van Sifra en Pua hoog houden, in ere houden. Misschien zouden we ons een beetje aan haar kunnen spiegelen.
Vroedvrouwen, die niets anders doen dan het leven helpen geboren worden.
Van hen wordt gezegd: God zegende hun werk.

AMEN


Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter