Boeken

Dennis Vanden Auweele, Bekentenissen van een afvallige atheïst

Onlangs baarde voormalig PVV-Kamerlid Joram van Klaveren opzien toen hij uit de kast kwam als moslim. Hij wilde een boek schrijven tegen de Islam, ging de Koran bestuderen en werd prompt een bekeerling.
De jonge godsdienstfilosoof Dennis Vanden Auweele (1986) noemt zichzelf geen bekeerling. Maar de ontwikkelingsgang waar hij met zijn nieuwste boek getuigenis van aflegt, heeft daar trekjes van. Opgevoed in een (Vlaams) katholiek milieu, werd hij tijdens zijn filosofische studie vanzelfsprekend atheïst, om nu tot het inzicht te komen dat religie en met name het christelijk geloof zo gek nog niet is. Ja, dan heb je wel iets uit te leggen.

Als filosoof ontdekt Vanden Auweele al snel dat het atheïsme intellectueel niet zo interessant is. Nu is er atheïsme in soorten en maten – net als religie en geloof, overigens. Er zit iets puberaals in het atheïsme dat zich alleen kan afzetten tegen een geloof dat het eerst dogmatische en eenzijdig naar eigen voorkeur heeft gemodelleerd. De meeste gelovigen herkennen zich niet in het beeld dat door deze atheïsten van hun geloof wordt geschetst. Hij geeft het voorbeeld van de onlangs overleden Vlaamse filosoof Etienne Vermeersch, een afvallige katholiek trouwens, het patroon is herkenbaar, die in een Tv-debat met de aartsbisschop behoorlijk Bijbelvaster bleek te zijn dan de laatste. Terwijl de bisschop filosofische argumenten aandroeg om standpunten te relativeren, argumenteerde de filosoof eenvoudigweg door te schermen met Bijbelteksten zonder oog voor historische ontwikkeling of interpretatiegeschiedenis (p. 64). Dus, wie is de fundamentalist in de zaal?
Atheïsme wordt pas (filosofisch) interessant als het de stellige zekerheid van zijn eigen gelijk durft te relativeren. Dan kan het een heilzame werking uitoefenen op een al te stellig geloof, want ook dat bestaat uiteraard.

Fundamenteler bezwaar tegen het atheïsme is, dat het onvoldoende oog heeft voor wat religie waardevol maakt en in zekere zin onuitroeibaar. Hier komt de godsdienstfilosoof in de schrijver naar voren. Religie probeert een omgang te vinden met vragen die uit de menselijke existentie voortkomen en die in het domein van de strikte wetenschap niet bevredigend worden beantwoord. Religie is geen zaak van propositionele inhoud (dingen die je moet geloven), maar een houding die mensen, in allerlei culturele verschillende vormen en door heel de geschiedenis heen ontwikkeld hebben, als reactie op ervaringen die te maken hebben met het mysterie van het bestaan: “… de religie wijst ons op het belang van iets waarvan we verder het belang niet kunnen uitleggen. Typische voorbeelden hiervan zijn de waarde van een mensenleven, de waarde van moreel handelen, het belang van een gemeenschap. Hoewel men pogingen kan ondernemen om uit te leggen wat de waarde is van een menselijk leven, is het toch juister om te zeggen dat deze waarde ons duidelijk wordt door een niet nader uit te leggen ervaring. Dat is wat ik de religieuze ervaring noem: een ervaring waarvan het belang zich niet laat reduceren tot wat er allemaal gaande is” (p. 54).

Het is van belang om dit mysterie te koesteren, filosofisch én religieus. Vandaar dat we volgens de auteur voortdurend moeten pendelen tussen geloof en atheïsme, tussen zeker zijn en aarzelen. Twijfelen is een filosofische en religieuze deugd. Wat hij wil is “een gemeenschappelijke grond en identiteit creëren zodat de gelovige en de atheïst een productieve dialoog kunnen voeren” (p. 177).

Hij opent zelf die dialoog door een aantal thema’s aan te snijden. Ze lijken wat willekeurig gekozen. Zo gaat hij in op de eeuwige brain teaser: het kwaad. Maar ook is er een hoofdstuk over de zelfmoord als filosofisch probleem en over genade, vergiffenis en dankbaarheid. Allemaal interessant, ook door de frisse manier waarop hij erover schrijft, maar het onderlinge verband is wat gezocht.

Filosofisch is Vanden Auweele schatplichtig aan Nietzsche die verschillende keren langskomt. Ook filosofische theologen als Caputo noemt hij als inspiratiebron, al spelen die een minder prominente rol. Verder trakteert hij de lezer regelmatig op illustratieve fragmenten uit de wereldliteratuur. Het levert een bont en boeiend geheel op, waarbij hij soms wel eens wat snel gaat en niet alle voorbeelden even goed gekozen zijn, bijvoorbeeld als hij de betekenis van Jezus’ kruisdood probeert uit te leggen aan de hand van een practical joke van de dalai lama, die zijn publiek schoffeert met opmerkingen over hun te deftige kledij (pp. 170v).

Opmerkelijk is tenslotte zijn liefde voor de punk, niet alleen als muziekstijl maar als levenshouding. Een punker is volgens Vanden Auweele per definitie een tegendraads persoon, een non-conformist, die uitdaagt en zich niet in een hokje laat stoppen of met een etiket tooien, juist niet als daar ‘punk’ op staat. ‘Punk ain’t no religious cult / Punk means thinking for yourself / You ain’t hardcore ‘cause you spike your hair’, wordt Frank Turner geciteerd op p. 181.

Daarom extra voorzichtig met een label voor dit boek.
Maar dat je je aangenaam kunt laten uitdagen door de soms gewaagde maar altijd prikkelende bespiegelingen van Vanden Auweele, moge duidelijk zijn.

Dennis Vanden Auweele, Bekentenissen van een afvallige atheïst, Polis Kalmthout 2019, 230 pag., €20,00

Lees ook het interview uit 2017 in De Groene Amsterdammer

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter