doodlopend
Preken

De weg: één weg of een weg…? (Joh. 14: 1-11)

Uit mijn jeugd herinner ik mij een poster: Een hand met een opgestoken wijsvinger die omhoog wijst. Daaronder de tekst: One Way Jesus – Een weg: Jezus. Ik had toentertijd die poster in briefkaartformaat boven mijn bureautje hangen, hoewel ik tegelijk nooit zo van die beweging en de bijbehorende geloofsbeleving ben geweest. Een weg, Jezus? Klinkt dat niet wat al te stellig, te zeker, te zelfverzekerd? Hoezo, één weg. Ja, voor mij, maar voor zoveel anderen op deze wijde wereld niet. Zitten die mensen dan allemaal verkeerd? En al die mensen om mij heen, generatiegenoten, zijn die allemaal dwalende, op het verkeerde pad als ze niet de weg van Jezus gaan?

In het evangelie van Johannes zegt Jezus: Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Het is één van de krachtige uitspraken die uit het gedeelte dat we vandaag overdenken naar voren springt.
Losse teksten kunnen een eigen leven gaan leiden. Daarom wil ik proberen iets over deze tekst te zeggen in de samenhang waarin we ze aantreffen.

Je kunt deze woorden op tenminste twee manieren opvatten: in een beperkende zin, of in een uitgebreide zin.
De weg, de waarheid en het leven, is dat een zin die uitsluit of insluit? Bedoelt Jezus deze woorden zo, dat anderen er van worden uitgesloten, er is maar één weg, er is maar één waarheid. ´Niemand komt tot de Vader dan door mij alleen. Dat klinkt tamelijk exclusief. Een beperkende lezing lijkt voor de hand te liggen. En zo is het ook vaak opgevat.
Maar je kunt met evenveel recht deze woorden ook anders interpreteren. Niet als een zin die mensen buitensluit, maar als woorden die juist bedoeld zijn om mensen erbij te betrekken, om mensen mee te nemen. Woorden die verruimen, die niet verengen maar verbreden.

Persoonlijk is me dat laatste liever, maar zelfs los van die persoonlijke voorkeur, denk ik dat er ook goede argumenten vanuit de tekst zijn om voor deze benadering te kiezen.

Deze tekst is onderdeel van een lange redevoering die Jezus houdt. Jezus spreekt uitgebreid met zijn vrienden, zijn leerlingen, over de dingen die gaan komen, over zijn heengaan, maar vooral over hoe hij daarna met hen verbonden zal blijven. Hij bereidt hen met andere woorden voor op Pasen en op Pinksteren.
Nu moet je altijd bedenken dat deze woorden pas veel later aan het papier zijn toevertrouwd. Jezus’ uitgebreide toespraak is mede gekleurd door de situatie waarin zijn volgelingen twee generaties zich bevinden. Vandaar dat deze toespraak helemaal gestempeld wordt door de behoefte om te troosten, om te bemoedigen. Jezus steekt zijn vrienden voortdurend een hart onder de riem. ‘Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij'(vers 1). Dat is de grondtoon, die als het ware boven de concrete situatie die beschreven wordt uitstijgt, en een algemene strekking krijgt. Wie een volgeling van Jezus is, hoeft niet ongerust te zijn, wat en hoe dan ook. Je wordt opgeroepen te vertrouwen.

In een sfeer van troost en bemoediging, past niet een boodschap van uitzondering en buitensluiting. Dat verdraagt zich niet met elkaar. In het huis van mijn Vader zijn vele kamers, of woningen, hoorden we. Ook dat is een beeld dat ruimte geeft, letterlijk en figuurlijk. Als het gaat over de Vader, dan gaat het over de ruimte. Er is plaats voor iedereen en voor nog meer. God is geen god die buitensluit, die mensen tegenhoudt of op afstand houdt, God is geen god van gesloten grenzen of van quota, er is geen eind aan zijn vermogen om in relatie met mensen te zijn – voor de God die Jezus zijn Vader noemt telt ieder mensenkind.

Dat komt ook tot uitdrukking in een ander specifiek kenmerk van dit vierde evangelie. Iets wat niet direct in ons tekstgedeelte zit, maar dat er wel onder ligt. De oriëntatie op de gehele wereld, de universele strekking van Jezus’ boodschap. Het huis van de Vader is een internationaal hotel met vele kamers, en altijd is er nog wel een kamer vrij, all inclusive, zou ik denken. Ook dat is een argument om voor een inclusieve benadering van de tekst te pleiten. God is niet aan één volk gebonden, Uit liefde voor de wereld, is de eniggeboren Zoon gekomen (vgl. Joh. 3: 14). Jezus is de weg, Hij zegt: ik ben de weg – en dat is wat anders dan wanneer wij beweren dat de kerk, of het christendom dé weg is. Als we dat verschil niet maken, dan gebeuren er ongelukken.

Er is dus het nodige dat voor een ruime, uitbreidende uitleg van deze bekende woorden pleit. Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Dat klinkt in het kader van de troost die Jezus aan zijn leerlingen van toen en nu toezegt – wees niet ongerust, niet bang, vertrouw op God en op zijn liefde. De weg, de waarheid en het leven, dat klinkt vervolgens tegen de achtergrond van de ruimhartigheid die er van deze Jezus uitgaat. Het weidse gebaar van zijn liefde. Er is plaats bij de Vader voor iedereen, jan en alleman. Niemand wordt op voorhand uitgesloten. Gods goedheid is geen privé-bezit of kerkelijk privilege, maar gaat naar alle mensen uit. Vandaar dat het blikveld is verruimd naar de gehele wereld. Gods liefde sluit niet uit, maar in, is inclusief en niet exclusief.

Het lijkt mij van belang om deze lijn door te trekken. Als wij de leerlingen zijn zoals die door Jezus worden toegesproken, worden bemoedigd en getroost, dan is het aan ons om in eenzelfde geest met elkaar en met de mensen om te gaan. In een sfeer van ruimhartigheid, in een geestelijk klimaat waar ruimte is en ruimte wordt gegund waarin iets doorgegeven wordt van de ruimhartige gastvrijheid van de Vader – de vele kamers of woningen; in een sfeer waarin wij elkaar bemoedigen en opbouwen, niet angst aanjagen door uit te zonderen of buiten te sluiten – jij gelooft niet of niet goed genoeg, jij hoort er niet want je doet niet als wij, je bent niet een van ons – en hoe dat soort mechanismen van uitsluiting ook uitwerken. Durf je het aan om in de ander ook een door God geliefd mensenkind te begroeten, hoe anders hij of zij ook is, doet, gelooft zelfs, hoe anders iemand ook denken kan.
Angst voor de ander sluit af, dan wordt je zelf ook een opgeslotene, een gevangene van je angst of je vooroordeel. Dat is te min voor een vriend van Jezus, zou ik denken. We kunnen de tendens nog erkennen, want dat is ook menselijk, om op je hoede te zijn voor het andere en het vreemde, maar juist in dat opzicht worden wij door de weg van Jezus van binnenuit bevrijd, opengebroken. Jezus zegt dat Hij is: de weg. Dat is geen streep op een kaart, maar een pad dat je gáát.

79_thumbHet is daarom weinig vruchtbaar om deze woorden statisch te lezen. Ook dat gebeurt vaak, dan worden het drie begrippen: de weg, de waarheid en het leven. Dat zit een beetje in onze taal ingebakken, maar in het bijbelse taalveld zijn het vooral woorden die beweging en dynamiek uitdrukken.
Als de weg iets statisch is, dan is het niet meer dan een streep op een kaart tussen A en B. Heel vaak verwarren wij de kaart met het gebied. Op die manier kan zelfs het geloof een soort theoretische waarheid worden – een kaart, waar alles precies op ingetekend en aangegeven staat, alles klopt, maar waar je niks aan hebt, tenzij je er op uittrekt.
Waarheid is niet zozeer een vast stelsel van ware beweringen, maar heeft veel meer te maken met betrouwbaarheid, met waarachtigheid, met iets of iemand waar je op aan kunt. En ook het leven is geen algemeen begrip, maar een levendige werkelijkheid, iets wat je doet – het accent dat in het laatste vers dat we hebben gelezen nog eens wordt gezet – geloof het dan om wat hij (de Vader) doet.
Als je deze onderliggende betekenissen zou willen vangen, dan zou je misschien die bekende uitspraak zo kunnen vertalen: Jezus zegt: Ik ben de weg, dubbele punt, waarheid en leven. Dan worden waarheid en leven nadere bepalingen van wat niet zonder reden het eerste wordt genoemd en voorop gaat. De weg.

Jezus is de weg. De weg die God gaat in deze wereld. De weg van de liefde, van de verbinding, de weg die gemeenschap sticht of herstelt waar deze gebroken is, de weg waarop mensen worden geroepen, uitgenodigd, om mee te gaan omdat zijn liefde jou al in het oog heeft, om nieuwe horizonten te verkennen en te ontdekken, meer dan je voor kunt stellen, de weg waarop grenzen worden doorbroken, het onmogelijke mogelijk wordt, de weg die zelfs de grens van de dood weet te overbruggen. Ik word geroepen om die weg te gaan. De weg. Niet jouw weg, net zo min als jij mijn weg kunt gaan. De weg, maar het is belangrijk dat wij elkaar daarbij niet in de weg zitten.. dat we elkaar veel eerder op weg helpen.

Wij mogen gáán op die weg. Zonder angst. Met vertrouwen. En met de ruimhartigheid van de Heer zelf, zodat de wereld aan ons zal kennen hoe de Vader is, grenzeloos in zijn liefde.

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter