Preken

De eenvoud van het gebed (Luc 11: 1 – 13)

Als zijn leerlingen hem vragen, Heer, leer ons bidden, dan veronderstelt dat dat zij niet goed weten hoe je moet bidden.
Ik denk dat veel gelovige mensen van nu de leerlingen van toen een hand kunnen geven. En dan niet alleen vanwege dezelfde verlegenheid, hoe moet ik bidden?, maar meer nog: moet ik wel, kan ik wel bidden? Is het niet een vorm van vroom zelfbedrog – je praat toch eigenlijk vooral tegen jezelf? Wat verandert het? Denk je nu echt dat God – wat je je daar ook bij voorstelt – aandacht zou hebben voor mijn muizenissen? En dan van al die miljoenen individuele mensen met allemaal hun eigen miljoenen individuele wensen…

Rondom het gebed, hopen alle vragen van het geloof zich samen.
Dat is altijd al zo geweest. De gebedsverlegenheid. Paulus verzucht in één van zijn brieven, dat wij niet weten wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen (Rom. 8: 26). Als Paulus het al niet weet… In de geschiedenis van de kerk zijn er grote geloofsgestalten geweest, die hebben geworsteld met het gebed. Dat mag een troost zijn. Bidden is nooit vanzelfsprekend, al is het in de kern wel eenvoudig. Dat is eigenlijk wat ik vandaag zou willen zeggen. Bidden is niet vanzelfsprekend, maar wel eenvoudig. Ik hoop dat het verrassend genoeg klinkt om uw aandacht een moment vast te houden.

Niet vanzelfsprekend. Dat kunnen we gemakkelijk begrijpen.
In de kloosters wordt dagelijks gebeden, meermalen op de getijden. De broeders of zusters leven als het ware in het gebed, en toch zijn zij de eersten die zullen beamen dat een biddend leven niet vanzelfsprekend is. Het vraagt discipline, het vraagt aandacht, het gebedsleven kent ups en downs, routine ligt op de loer, voordat je het weet heb je je gebed volbracht en denk je, wat heb ik eigenlijk gezegd of gezongen.

Die ervaringen kennen wij ook, zeker als we gewend zijn dagelijks te bidden, op vaste momenten, rond de maaltijd, of bij het slapengaan. De oude huisliturgie die steeds meer lijkt te verdwijnen. Omdat het niet of niet meer vanzelfsprekend is. We de discipline niet meer op kunnen brengen? Omdat we alleen leven en er niemand is of meer is om het mee te delen?
De routine die een gevaar kan zijn, kennen we ook, als je inderdaad gedachteloos je vaste gebed bidt, zoals je hier in de kerk ook kan overkomen, als we het Onze Vader bidden – wat heb ik eigenlijk gebeden?

Nee, dat bidden niet vanzelfsprekend is, dat kunnen we snappen.
Maar hoe kom je er dan bij om te zeggen dat het wel eenvoudig is. Dat lijkt in tegenspraak met elkaar?

Dat eenvoudige heeft een aantal aspecten.
Om te beginnen. Als Jezus op de vraag van zijn leerlingen hen leert bidden, leert hij hen een eenvoudig gebed, het Onze Vader, waar we het net al over hadden. We herkennen tenminste een aantal van de beden uit het Onze Vader zoals wij dat kennen. In het evangelie van Matteüs vind je een uitgebreidere versie overgeleverd. Daar is het niet zo dat Jezus reageert op een vraag van de leerlingen, maar zelf onderricht geeft. Hij waarschuwt dan om bij het bidden geen omhaal van woorden te gebruiken, niet eindeloos voort te prevelen zoals de mensen die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden (Mat. 5: 7). Hou het, bij het bidden, eenvoudig, zegt Jezus met zoveel woorden. Ook bij de weergave van Lucas zou dat mee kunnen spelen. De leerlingen vragen: leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft. De inhoud van dat laatste, het gebed van Johannes de Doper, is niet bewaard gebleven. In die tijd hadden in ieder geval de Farizeeën en de sekte van Qumran eigen gebeden, naast de verplichte dagelijks gebeden, en wellicht bepaalde rabbi’s ook, gebeden waarmee hun leerlingen of volgelingen zich konden onderscheiden. Misschien dat de leerlingen van Jezus ook zoiets bedoelen, om een bepaalde exclusiviteit uit te stralen?
Jezus gaat daar niet op in. Hij leert ze integendeel een eenvoudig gebed, waarin het elementaire wordt genoemd – eerste de dingen die God aanbelangen, de heiliging van zijn naam, de komst van zijn koninkrijk; – dan de zaken die de zorg van de mensen betreffen, het dagelijks brood en de vergeving van zonden.
Het gaat er vandaag niet om, al deze onderdelen van het Onze Vader uitgebreid te behandelen. Daar kun je een heel winterseizoen over doen en nog wel langer.
Het gaat vandaag om de eenvoud die uit dit gebed spreekt. Geen omhaal van woorden. Geen woord te veel. Het is het gebed dat het elementaire benoemt. Stevig geworteld in zijn traditie, want van dit gebed dat Jezus leert is elke regel terug te vinden in de joodse bronnen. Het gebed van de Heer is schoon in zijn eenvoud, sprekend in zijn compactheid. Dat is de eigen kracht van het Onze Vader.

Die eenvoud heeft ook nog een andere kant.
Het Onze Vader is het gebed waar je altijd op terug kunt vallen. Je kunt het eigenlijk altijd bidden. Sommige mensen bidden het dagelijks. In de kerk doen we het elke zondag, en doen we het samen (belangrijk!) als afsluiting van onze gezamenlijke gebeden. In sommige kerken worden dan de klokken geluid, zodat ook de wereld weet dat de kerk bidt, bidt voor stad en land, urbi et orbi.
Ook dat spreekt je de ene keer meer aan dan de andere keer. Maar ik heb vaak ervaren bij het Onze Vader in de kerk, dat je denkt – het verwoordt eigenlijk veel beter, veel krachtiger, veel eenvoudiger, wat daarvoor allemaal gezegd en gebeden is.
Het Onze Vader bid je, als alle woorden je ontvallen. Zo leid ik het zelf vaak in, bij het open graf of bij het laatste afscheid in het crematorium… het gebed dat in alle eenvoud veelzeggend is, en je verbindt met een lange traditie die teruggaat op Jezus zelf. Hoe bijzonder is dat?

Daarom kun je stellen, bidden is niet vanzelfsprekend, maar het is wel eenvoudig. Als je terug kunt vallen op dit gebed van de Heer, dat alles eigenlijk zegt, beter dan wij ooit zouden kunnen bedenken.

OK. Maar … je kunt toch niet altijd alleen maar het Onze Vader bidden? Bidden is nog wel wat meer dan alleen dit ene gebed, hoe bijzonder het ook mag zijn.
Daarom moet er nog iets bij, om die eenvoud van een andere kant te belichten. Als het ware een basis te geven. Daarvoor gaan we naar de gelijkenis die Jezus aansluitend vertelt.

Er is niemand die een vriend of vriendin onverrichterzake terugstuurt als die een beroep op hem of haar doet. Ieder mens heeft iemand nodig die zegt: bij mij kun je altijd aankloppen. Zoals wij open staan, voor wie mijn hulp nodig heeft. Toch?
Geen vader of moeder geeft haar kind stenen voor brood, laat staan een slang als het om een vis vraagt, of een schorpioen als het een ei wil – de voorbeelden zijn vandaag wat vergezocht, maar de strekking is duidelijk. Als een menselijke ouder al zo doet, hoe veel te meer onze Vader in de hemel.

Nu betekent dat niet, dat bidden is: u vraagt, wij draaien.
Dat zou je kunnen denken, te meer als Jezus zegt: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal worden opengedaan.
Maar bidden is niet een automatisme dat God geeft wat wij maar vragen.

In het voorbeeld van de vriend die in de nacht aanklopt staat er dat hij hem alles zal geven ‘wat hij nodig heeft’… en in het voorbeeld van de ouders en hun kind, staat dat wij onze kinderen ‘goede gaven’ weten te schenken, hoeveel te meer dan de hemelse vader.
Jezus vult dat zelfs nader in: hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.

En daar zijn we bij wat de kern is van het eenvoudige van het gebed. De heilige Geest. En dat is toch wel een verrassing.
Want nogmaals, als je de redenering aan het slot zou volgen, een bekende retorische wending, van het mindere naar het meerdere, dan zou je verwachten dat er staat: als jullie al goede gaven weten te geven aan je kinderen die daarom vragen, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel jullie het goede geven als je daarom bidt. Zo staat het ook in dat andere evangelie van Matteüs (7: 11). Maar hier dus niet. Hier is sprake van de heilige Geest. Dat is opmerkelijk. Is de heilige Geest dan de vrome invulling van het goede? Of is er meer mee bedoeld?
En als dat zo is, wordt het dan juist niet ingewikkelder in plaats van eenvoudiger op?
Want met bidden zijn we soms verlegen, maar met de heilige Geest niet minder.

Je kunt het zo moeilijk maken als je wilt.
Maar de heilige Geest, dat is zoiets als geloof in actie. Dan komt de ziel erbij, de beleving, de het enthousiasme. Dan wordt geloven of bidden niet een opgelegd pandoer of een van buiten geleerd lesje, dan is het geen routine meer, geen gedachteloos automatisme, maar dan is er bezieling, beleving, dan voel je het van binnen, dan is het werkelijk iets van jezelf geworden.
Dat is de heilige Geest, waar wij altijd weer om bidden, dat het ons mag geworden, dat we het mogen ervaren en die je alleen maar ervaren kunt, als je je daar voor open stelt, open kunt stellen.

Bidden is de binnenkant van het geloof. Het geloof waarmee we geloven. Bidden is op zichzelf al geloven. Niet weten wat je bidden moet, hoort daar bij. Want wie het allemaal weet, die bidt met omhaal van woorden, die bidt op zo’n manier dat anderen zeggen: zie hem eens bidden… en dat weet hij, daar speculeert hij op.

In het gedeelte waar Paulus schrijft, dat wij weten niet wat wij bidden moeten naar behoren (of zoals het nu vertaald is: wat wij in ons gebed tegen God moeten zeggen), heeft hij het ook over de heilige Geest. “De Geest helpt ons in onze zwakheid”, schrijft hij. Wij weten immers niet wat wij bidden moeten, “maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten” (Rom 8. 26).

Woordloze zuchten. Onuitsprekelijke verzuchtingen.
Er is in het gebed een kern van eenvoud, waar alles om heen draait, en dat is de stilte of het zwijgen, het woordloze, voorbij aan alle woorden en beelden.
Niet uit verlegenheid, of omdat ons de woorden ontvallen zijn. Zullen we even stil zijn…
Nee, uit geloof en vertrouwen, dat in de stilte God het meest direct spreekt; dat in mijn stilte ik het dichtst bij mijn eigen geheim kom..

Dat is de eenvoud van het gebed.

Ik eindig met een tekst van Soren Kierkegaard, die ik ergens vond. Er staat boven: Bidden is luisteren.

Hoe aandachtiger en innerlijker mijn bidden werd
hoe minder ik te zeggen had.
Op het laatst werd ik helemaal stil.
Ik werd – en dat is misschien nog
een grotere tegenstelling met spreken –
ik werd iemand die luisterde.
Eerst dacht ik, dat bidden spreken was.
Maar ik leerde dat bidden
niet louter zwijgen is, maar luisteren.
Zo is het:
bidden wil niet zeggen: zichzelf horen praten;
bidden wil zeggen: stil worden en stil zijn
en wachten tot de biddende mens God hoort.

Vorig bericht Volgend bericht

Nog geen reacties

Laat een reactie achter